ECLI:NL:RBLIM:2026:503

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11680244 \ CV EXPL 25-2174
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 2 RvArt. 111 lid 3 RvArt. 120 lid 1 RvArt. 120 lid 4 RvArt. 122 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen nieuwe bemiddelingsovereenkomst; geen wervingsfee verschuldigd

Actief Werkt vordert betaling van een wervingsfee van €9.024,23 van [gedaagde] voor de werving en selectie van een kandidaat die uiteindelijk via een ander uitzendbureau in dienst trad. De kantonrechter stelt vast dat er geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst is gesloten na de eerdere overeenkomst uit 2021, die inmiddels was geëindigd.

De dagvaarding van Actief Werkt was summier en schond de substantiëringsplicht door het ontbreken van het verweer van [gedaagde], maar dit leidde niet tot nietigheid. Actief Werkt kreeg voldoende gelegenheid om haar vordering toe te lichten, maar slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat er een nieuwe overeenkomst bestond.

De kantonrechter oordeelt dat Actief Werkt onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de rechten en plichten omtrent exclusiviteit of vergoeding bij het inhuren van de kandidaat. Het bewijsaanbod van Actief Werkt om een nieuwe overeenkomst te overleggen wordt gepasseerd vanwege het late tijdstip en de schending van de substantiëringsplicht.

De vordering wordt afgewezen en Actief Werkt wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.353,00. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door Actief Werkt.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de wervingsfee wordt afgewezen wegens het ontbreken van een nieuwe bemiddelingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11680244 \ CV EXPL 25-2174
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ACTIEF WERKT! TECHNIEK B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Actief Werkt,
gemachtigde: de heer [gemachtigde] ,
tegen
[eigenaar] , handelend onder de naam
[gedaagde],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.H.J. Vleeshouwers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de akte met aanvullende bijlagen 7 en 8;
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Actief Werkt is een onderneming die kandidaten werft en selecteert voor werkgevers. [gedaagde] is een eenmanszaak die zich bezighoudt met groenonderhoud in de omgeving van Limburg.
2.2.
Actief Werkt en [gedaagde] hebben op 7 mei 2021 een samenwerkingsovereenkomst gesloten voor het inlenen van uitzendkrachten in het kader van het plaatsten van een afrastering. In de periode van mei 2021 tot en met november 2021 zijn er via Actief Werkt door [gedaagde] uitzendkrachten ingeleend. De facturen hiervoor zijn door [gedaagde] betaald.
2.3.
Halverwege maart 2024 is er vanuit Actief Werkt contact opgenomen met [gedaagde] met de vraag of hij nog personeel zocht. Daarop heeft [gedaagde] laten weten dat hij nog op zoek was naar een tractorchauffeur.
2.4.
Tijdens een verkennend gesprek tussen [naam 1] van Actief Werkt en [gedaagde] is een kandidaat, [naam 2] , aangereikt. Op 8 maart 2024 is er een kennismakingsgesprek geweest tussen [naam 2] en [gedaagde] . [naam 2] stond op dat moment (ook) ingeschreven bij Vidar aan de Slag B.V.
2.5.
Tussen Vidar aan de Slag B.V. en [gedaagde] is een inleenovereenkomst ten behoeve van [naam 2] tot stand gekomen.
2.6.
Actief Werkt heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor de werving en selectie van [naam 2] voor een bedrag van € 9.024,23.
2.7.
[gedaagde] heeft de desbetreffende factuur, ondanks meerdere sommaties, niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Actief Werkt vordert - kort samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan Actief Werkt van een bedrag van € 10.438,74 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 9.024,23 vanaf 10 april 2025 tot de dag van algehele betaling, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Actief Werkt legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan tot het werven en selecteren van een kandidaat. Via deze werving en selectie heeft een kandidaat, [naam 2] , een direct dienstverband gekregen bij [gedaagde] . Op grond van de overeenkomst en bijbehorende algemene voorwaarden had Actief Werkt recht op een wervingsfee, aldus nog steeds Actief Werkt.
3.3.
[gedaagde] voert formele verweren aan. [gedaagde] concludeert tot nietigheid van de dagvaarding en het niet ontvankelijk verklaren van Actief Werkt in haar vorderingen. Bovendien is er volgens [gedaagde] sprake van misbruik van procesrecht danwel onrechtmatig handelen aan de kant van Actief Werkt. De hoogte van de door [gedaagde] daardoor gemaakte advocaatkosten zijn inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 11.856,98.
3.4.
[gedaagde] voert ook inhoudelijk verweer tegen de vordering van Actief Werkt. Zij betwist dat de bestaande overeenkomst van 7 mei 2021 ten grondslag ligt aan de vordering van Actief Werkt. Er is nadien geen nieuwe overeenkomst tot stand gekomen tussen Actief Werkt en [gedaagde] . De algemene voorwaarden bieden geen grondslag voor Actief Werkt om [gedaagde] aansprakelijk te houden voor het betalen van een vergoeding voor werving en selectie (wervingsfee).
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Voordat de kantonrechter ingaat op de inhoudelijke beoordeling van de vordering van Actief Werkt, zal hij eerst de door [gedaagde] aangevoerde verweren tegen de geldigheid van de dagvaarding en het verweer van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen bespreken.
Verweren die zijn gericht tegen de geldigheid van de dagvaarding
4.2.
[gedaagde] voert aan dat de dagvaarding als een ‘obscuur libel’ moet worden gekwalificeerd, omdat deze onduidelijk is. De dagvaarding bevat geen onderliggende stukken ter onderbouwing van het standpunt van Actief Werkt dat [gedaagde] aan haar een bedrag van € 9.024,23 moet voldoen. Daardoor is het voor [gedaagde] niet duidelijk wat hem precies wordt verweten en waartegen hij zich moet verweren. Dit maakt dat de dagvaarding niet voldoet aan de eis en de gronden zoals artikel 111 lid 2 Rv Pro voorschrijft, aldus [gedaagde] .
4.3.
Daarnaast wordt er volgens [gedaagde] in de dagvaarding niet voldaan aan de substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht (artikel 111 lid 3 Rv Pro). Er wordt namelijk in de dagvaarding helemaal geen melding gemaakt van het verweer dat aan de kant van [gedaagde] is gevoerd tegen de factuur van Actief Werkt. Er staat zelfs in de dagvaarding dat er helemaal geen inhoudelijke verweren door [gedaagde] zijn aangevoerd. Dit maakt dat Actief Werkt daardoor in strijd handelt met de waarheidsplicht (artikel 21 Rv Pro). Ook kan Actief Werkt volgens [gedaagde] niet volstaan met haar te algemene bewijsaanbod.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 21 Rv Pro partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als die verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht [1] . Het doel van dit artikel is om de bewuste leugen uit te bannen.
4.5.
Verder overweegt de kantonrechter dat de dagvaarding op grond van artikel 111 lid 2 onder Pro d Rv een duidelijke omschrijving moet bevatten van de eis en de gronden. Schending van een of meer van deze verplichtingen leidt tot nietigheid van de dagvaarding (artikel 120 lid 1 Rv Pro), tenzij de gedaagde partij niet onredelijk in zijn belangen is geschaad. Bovendien moet een herstelmogelijkheid worden geboden aan de eisende partij voordat de nietigheid wordt uitgesproken (artikel 122 Rv Pro). Daarnaast bepaalt artikel 111 lid 3 Rv Pro dat het exploot van de dagvaarding de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en gronden daarvoor vermeldt. Verder dient het exploot de bewijsmiddelen te vermelden waarover eiser kan beschikken en de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis. Bij schending van de substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht (artikel 120 lid 4 Rv Pro).
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat de verweren van [gedaagde] niet leiden tot nietigheid van de dagvaarding of het niet ontvankelijk verklaren van Actief Werkt in haar vorderingen. De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding erg summier is opgesteld. Dit maakt de dagvaarding echter geen ‘obscuur libel’. De dagvaarding is niet zodanig onduidelijk of tegenstrijdig dat [gedaagde] zich daartegen niet kon verweren. Het was voor [gedaagde] voldoende duidelijk waar de vordering betrekking op had. Actief Werkt en [gedaagde] hebben immers uitgebreid over de vordering van Actief Werkt gecorrespondeerd. Bovendien heeft [gedaagde] zowel bij haar conclusie van antwoord als tijdens de mondelinge behandeling voldoende inhoudelijk verweer kunnen voeren waardoor zij niet in haar belangen is geschaad.
4.7.
Volgens de kantonrechter is er wel sprake van een schending van de substantiëringsplicht. Actief Werkt heeft namelijk verzuimd om het verweer van [gedaagde] in haar dagvaarding op te nemen. Mr. Vleeshouwers heeft namens [gedaagde] vlak na het uitbrengen van de dagvaarding per e-mail van d.d. 30 april 2025 Actief Werkt nog de mogelijkheid gegeven om haar dagvaarding aan te vullen met de eis en gronden en het verweer van [gedaagde] . Daardoor is er voor de kantonrechter genoegzaam komen vast te staan dat Actief Werkt voldoende gelegenheid heeft gehad om de dagvaarding zodanig aan te passen en opnieuw in te dienen dat het voor [gedaagde] duidelijker werd waartegen zij zich kon verweren. In plaats daarvan had Actief Werkt de kantonrechter ook na het uitbrengen van de dagvaarding kunnen berichten dat is verzuimd om de verweren op te nemen. Dat heeft zij niet gedaan. Pas door de conclusie van antwoord is de kantonrechter geïnformeerd over het feit dat partijen uitvoerig hebben gecorrespondeerd en dat [gedaagde] wel degelijk verweer heeft gevoerd. Aan de schending van de substantiëringsplicht zullen gevolgen worden verbonden. Dat gebeurt hierna bij de proceskostenveroordeling en bij de vraag of Actief Werkt nog wordt toegelaten tot het overleggen van (nader) bewijs zoals door haar aangeboden tijdens de mondelinge behandeling.
4.8.
Van een schending van artikel 21 Rv Pro is de kantonrechter niet gebleken. Het niet vermelden van het (wel bekende) verweer in de dagvaarding is hiervoor al als schending van de substantiëringsplicht aangemerkt. Er is geen aanleiding om in het kader van artikel 21 Rv Pro voor dezelfde schending nog een aanvullende sanctie op te leggen.
Misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen
4.9.
Een ander verweer van [gedaagde] is (kort samengevat) dat er sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de kant van Actief Werkt. Dit verweer is gevoerd in het kader van de proceskostenveroordeling en zal daar verder aan de orde komen.
Inhoudelijke beoordeling
4.10.
In onderhavige zaak twisten partijen over de vraag of er door aanbod en aanvaarding een bemiddelings- of samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] een vergoeding voor werving en selectie (wervingsfee) voor een bedrag van € 9.024,23 verschuldigd is. Om die vraag te kunnen beantwoorden zal de kantonrechter eerst de stellingen van Actief Werkt en [gedaagde] bespreken.
4.11.
Actief Werkt legt kort samengevat aan haar vordering ten grondslag dat er tussen [gedaagde] en haar een overeenkomst tot het werven en selecteren van [naam 2] tot stand is gekomen. Actief Werkt heeft ter zitting verklaard dat sprake was van een bestendige handelsrelatie tussen Actief Werkt en [gedaagde] en dat zij elkaar goed kennen. Vanuit Actief Werkt is er in maart 2024 contact geweest met [gedaagde] die aangaf op zoek te zijn naar een medewerker. Daarbij is er door Actief Werkt gewezen op de eerder getekende samenwerkingsovereenkomst uit 2021. Actief Werkt is toen voor [gedaagde] aan de slag gegaan en heeft de werving en selectie gedaan. Vervolgens is [naam 2] voorgesteld. Uiteindelijk is [naam 2] via Vidar aan de Slag B.V. bij [gedaagde] aan het werk gegaan en heeft daar een vast dienstverband gekregen. Dit maakt dat [gedaagde] een vergoeding verschuldigd is voor een bedrag van € 9.024,23 voor de werving en selectie van [naam 2] door Actief Werkt.
4.12.
Op zitting heeft Actief Werkt nog verklaard dat er een nieuwe samenwerkingsovereenkomst is gesloten tussen haar en [gedaagde] . Actief Werkt biedt aan om deze overeenkomst alsnog te overleggen.
4.13.
[gedaagde] betwist dat er een samenwerkingsovereenkomst tussen haar en Actief Werkt tot stand is gekomen met betrekking tot de werving en selectie van [naam 2] . Volgens [gedaagde] is de gesloten samenwerkingsovereenkomst voor het plaatsen van een afrastering over de periode van 7 mei 2021 tot 5 juni 2021 in zijn geheel niet meer van toepassing. Deze overeenkomst is namelijk per 5 juni 2021 geëindigd. Er is daarna ook geen nieuwe overeenkomst tussen Actief Werkt en [gedaagde] tot stand gekomen. Dat er volgens [gedaagde] geen nieuwe overeenkomst tot stand is gekomen, blijkt namelijk uit het feit dat er geen concreet aanbod is gedaan vanuit Actief Werkt. [gedaagde] betwist dat er op haar uitdrukkelijk verzoek is gezocht naar kandidaten. Er is daarbij op geen enkel moment gesproken over een vergoeding voor selectie of werving. Pas na het kennismakingsgesprek tussen [naam 2] en [gedaagde] zijn de kosten voor een eventuele plaatsing van hem via Actief Werkt aan de orde gekomen. Voor zover er vanuit Actief Werkt een mogelijk aanbod zou zijn gedaan, is dit niet door [gedaagde] geaccepteerd. [gedaagde] hoefde er ook niet op te vertrouwen dat door het gesprek tussen [naam 2] en [gedaagde] een verplichting was ontstaan tot het betalen van een wervingsfee.
4.14.
De stelling van Actief Werkt dat er sprake zou zijn van een bestendige handelsrelatie klopt volgens [gedaagde] niet. Er werd niet op regelmatige basis zaken gedaan. Dat er tijdens de mondelinge behandeling nog een bewijsaanbod wordt gedaan aan de kant van Actief Werkt is volgens [gedaagde] te laat. Zij blijft bij haar standpunt dat er nooit is gesproken over consequenties van het inhuren via Vidar aan de Slag B.V. of kosten vanuit Actief Werkt. Zij handhaaft dus haar standpunt dat er tussen Actief Werkt en [gedaagde] geen (nieuwe) bemiddelings- of samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen wat maakt dat [gedaagde] een wervingsfee verschuldigd is.
4.15.
De vraag of er tussen partijen een (nieuwe) samenwerkings- of bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW Pro e.v.) en de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen (artikel 3:33 BW Pro). Daarbij moet er worden gekeken naar hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs hebben mogen afleiden (artikel 3:33 BW Pro en 3:35 BW).
4.16.
De kantonrechter oordeelt dat er geen nieuwe samenwerkings- of bemiddelingsovereenkomst tussen Actief Werkt en [gedaagde] tot stand is gekomen. Vast staat dat er ooit een samenwerking is geweest tussen Actief Werkt en [gedaagde] . Ook staat vast dat er kosten aan verbonden zouden zijn als [gedaagde] iemand zou inhuren via Actief Werkt. Er kan echter niet worden vastgesteld dat er tussen Actief Werkt en [gedaagde] is gesproken over wat zou gebeuren als een aangedragen werkkracht gelijktijdig een contract heeft bij een ander uitzendbedrijf en uiteindelijk via dat andere bedrijf zou worden ingeleend of in dienst zou worden genomen. Als Actief Werkt van mening is dat [gedaagde] een wervingsfee zou moeten betalen, dan had zij dit vooraf naar [gedaagde] duidelijker moeten communiceren. Ook had Actief Werkt aan [gedaagde] duidelijk moeten maken dat hij [naam 2] enkel via hen had mogen inhuren, bijvoorbeeld omdat er exclusiviteit gold. Indien het de bedoeling was van Actief Werkt dat [gedaagde] haar opdracht gaf tot bemiddeling voor de werving en selectie van een kandidaat, dan had het op de weg van Actief Werkt als professionele dienstverlener gelegen duidelijker met [gedaagde] daarover te communiceren (en bij voorkeur schriftelijk te bevestigen) welke rechten en plichten over en weer werden aangegaan. Dat klemt temeer voor situaties als de onderhavige. [naam 2] was kennelijk aan twee ondernemingen verbonden. Het is niet de taak van [gedaagde] om na te gaan hoe die ondernemingen zich tot elkaar verhouden. Actief Werkt is immers de partij die kosten in rekening wil brengen. In dit geval kan niet worden gesteld dat [gedaagde] een constructie heeft verzonnen om onder de wervingsfee uit te komen of dat [gedaagde] bewust Actief Werkt heeft willen benadelen. [gedaagde] heeft immers ook een wervingsfee aan Vidar aan de Slag B.V. moeten betalen voor het in dienst nemen van [naam 2] . Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Actief Werkt dan ook onvoldoende onderbouwd dat een overeenkomst met de door haar gestelde inhoud tussen haar en [gedaagde] tot stand is gekomen. [2]
4.17.
De kantonrechter oordeelt dat hij het ter zitting gedane bewijsaanbod van Actief Werkt om een andere schriftelijke samenwerkingsovereenkomst in het geding te brengen, passeert. Actief Werkt heeft zoals hiervoor reeds is overwogen niet voldaan aan de substantiëringsplicht. Bovendien is het bewijsaanbod dat zij bij haar dagvaarding heeft gedaan te weinig concreet. Het bewijsaanbod is pas tijdens de mondelinge behandeling geconcretiseerd. Gelet op het late moment waarop het aanbod is gedaan, in combinatie met de schending van de substantiëringsplicht, acht de kantonrechter het passeren van het aanbod een passende sanctie.
4.18.
Nu de kantonrechter van oordeel is dat er geen samenwerkings- of bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen of gold tussen Actief Werkt en [gedaagde] bij het in dienst nemen van [naam 2] , komt hij verder niet toe aan de beoordeling van de algemene voorwaarden.
Conclusie
4.19.
Omdat de kantonrechter vaststelt dat er geen nieuwe samenwerkings- of bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen Actief Werkt en [gedaagde] , wijst hij de vordering van Actief Werkt af.
Actief Werkt moet de proceskosten betalen
4.20.
Actief Werkt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Als gevolg van de schending de substantiëringsplicht zal de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] één extra salarispunt volgens het liquidatietarief toekennen. De gemachtigde van [gedaagde] heeft daardoor immers meer werk moeten verrichten om het verweer uitgebreider op te nemen in de conclusie van antwoord.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.218,00
(3 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.353,00
4.21.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om een integrale proceskostenveroordeling toe te kennen aan [gedaagde] . De kantonrechter stelt voorop dat daartoe aanleiding zou kunnen zijn als sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvan is echter pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro [3] . Volgens de kantonrechter is niet gebleken dat Actief Werkt haar vordering heeft ingesteld met het enkele doel om [gedaagde] te schaden. Er is volgens de kantonrechter geen sprake van een kansloze procedure of onnodig procederen. Het niet vermelden van de verweren van [gedaagde] valt in ieder geval niet in een van die categorieën.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Actief Werkt af,
5.2.
veroordeelt Actief Werkt in de proceskosten van € 1.353,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Actief Werkt niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
5.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144.
2.Vgl. Ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5138.
3.Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.