ECLI:NL:RBLIM:2026:4997

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12059464 \ CV EXPL 26-268
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 6:87 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende schadevergoeding wegens gebrekkige uitvoering aanneming van werk

Eiser sloot in juli 2023 en november 2023 twee aannemingsovereenkomsten met gedaagde voor renovatie van een loods en isolatiewerkzaamheden aan een woning. Gedaagde voerde de werkzaamheden gebrekkig uit en reageerde niet op ingebrekestellingen en een deskundigenrapport dat de tekortkomingen bevestigde.

Eiser stelde gedaagde meerdere malen in gebreke en sommeerde herstel, maar gedaagde kwam niet tot nakoming en liet herstel achterwege. Eiser zette de vordering tot nakoming om in een vordering tot vervangende schadevergoeding en vorderde betaling van de schade, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en afgifte van een rolsteiger.

De rechtbank oordeelde dat gedaagde toerekenbaar tekortgeschoten is, het deskundigenrapport niet gemotiveerd is betwist en dat herstelgelegenheid is verstreken. De gevorderde vervangende schadevergoeding en bijkomende kosten werden toegewezen, evenals de afgifte van de rolsteiger onder dwangsom. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van in totaal € 18.309,06 en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding, afgifte van de rolsteiger en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12059464 \ CV EXPL 26-268
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17
- de conclusie van antwoord met ongenummerde producties
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft aan [eiser] een offerte uitgebracht in verband met het uitvoeren van een renovatie van de loods behorende bij de woning van [eiser] voor een totaalbedrag van € 8.983,00 inclusief btw. [1]
2.2.
[eiser] heeft deze offerte geaccepteerd, waarmee in juli 2023 een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 en Pro verder BW tussen partijen tot stand is gekomen.
2.3.
[gedaagde] is vervolgens gestart met de werkzaamheden.
2.4.
Per WhatsAppbericht van 24 oktober 2023 deelt [eiser] aan [gedaagde] mee: [2]
“ [gedaagde] , mijn geduld raakt een beetje op. Ik wil dat je zo snel mogelijk de loods afmaakt, zodat ik mijn dozen naar boven kan verplaatsen. Elke keer zeggen dat je langs komt, werkt niet. Je zult wel langs komen, maar niet aan.”
2.5.
Diezelfde dag reageert [gedaagde] per WhatsApp: [3]
“Ja sorry dat begrijp ik. Ik zal deze week alles komen afmaken en opruimen. Morgen middag kan ik komen.”
2.6.
In november 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] een offerte uitgebracht in verband met het isoleren van de binnenkant van het dak van het woonhuis van [eiser] voor een totaalbedrag van € 4.883,00 inclusief btw. [4] [eiser] heeft deze offerte geaccepteerd, waarmee een tweede overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 en Pro verder BW tussen partijen tot stand is gekomen.
2.7.
Per WhatsAppbericht van 20 maart 2024 deelt [eiser] aan [gedaagde] mee: [5]
“ [gedaagde] , we zitten al bijna over de helft van de week. Wanneer kom je?”
2.8.
Diezelfde dag antwoordt [gedaagde] per WhatsApp: [6]
“Niet netjes hoe me vader behandeld wordt en niet betaald krijgt. Ik kom niet meer.”
2.9.
[eiser] reageert met de opmerking dat dat niet waar is, zij zijn vader niet slecht behandeld heeft, maar dat zijn vader niet meer is komen opdagen, hij het water en de afvoer in de keuken heeft afgesloten zonder haar daarin te kennen, hij rommel heeft achter gelaten en dat zij hem al meer dan € 13.000,00 heeft betaald.
2.10.
Op 11 april 2024 deelt [eiser] aan [gedaagde] per WhatsApp mee: [7]
“Je laatste bericht aan mij was: Ik kom niet meer.
Prima, maar voordat je niet meer komt, moet je eerst een paar dingen regelen en recht zetten:
(…)
Je stuurt mij een gecorrigeerde factuur over de isolatie van het dak, die je bij mij hebt uitgevoerd.
(…) In de loods leg je zo snel mogelijk het plafond aan, dat werk dat behoorde bij je offerte. Het hele bedrag is al lang geleden door mij betaald.
(…) Je brengt onmiddellijk mijn steiger terug. (…)”
2.11.
Bij aangetekende brief van 11 september 2024 deelt [eiser] aan [gedaagde] mee: [8]
“(…) Onderwerp: ingebrekestelling (…)
Op 3 juli 2023 hebben wij een overeenkomst gesloten betreffende het isoleren van het dak van de loods (…) Onder de Overeenkomst heeft (…) [gedaagde] zich verplicht tot geheel afwerken en opleveren. Tot op heden is (…) [gedaagde] voornoemde verplichtingen niet nagekomen. Ik heb de volgende klachten:
Plafond plaatsen in loods niet afgemaakt
PIR-Platen niet deugdelijk geïsoleerd
Werkzaamheden van de offerte niet uitgevoerd wel berekend:
3. Geen daklift en container geplaats
4. Dakbedekking niet gesloopt tot houten dakbeschot, bitumen over oude bitumen geplaatst
5. Voor de geoffreerde 10 cm dikke PIR-isolatie is in plaats 8 cm dikke PIR-isolatie geïnstalleerd
6. Geen ventilatie geplaatst.
Op 23 november 2023 hebben wij een overeenkomst gesloten betreffende het isoleren aan de binnenkant van het dak van het woonhuis (…) Onder de Overeenkomst heeft (…) [gedaagde] zich verplicht tot geheel afwerken en opleveren klaar om te stuken. Tot op heden is voornoemde verplichtingen niet nagekomen. De stucplaten zijn met verschillende maten schroeven vastgezet, schroeven liggen in het houtwerk en boven op het houtwerk, hierdoor kan niet begonnen worden met stuken en kan de stukadoor geen m2 prijs aanbieden. Ik heb de volgende klachten:
Schroeven zitten onregelmatig in de stucplaten
Tot op heden heb ik de toegezegde gecorrigeerde factuur met de binnen maten van het geïsoleerde dak van het huis, no voor de subsidieaanvraag niet ontvangen.
(…) Tot op heden zijn de twee platte daken niet geïsoleerd. (…)
Ik heb de volgende klachten:
1. De rolsteiger wordt niet meer teruggebracht (…)
Ik heb je gevraagd je verplichtingen na te komen. Tot nu toe heb j dat niet gedaan. Met deze brief bied ik je voor de laatste keer de mogelijkheid om binnen 14 dagen alsnog aan je verplichtingen uit de overeenkomsten te voldoen, of met een passende oplossing te komen.
Wanneer je dit niet doet, ben je in verzuim. In dat geval behoud ik mij het recht voor om juridische stappen te nemen en stel ik je nu alvast aansprakelijk voor alle schade die ik heb geleden en nog zal lijden. (…)”
2.12.
[gedaagde] heeft hierop niet gereageerd.
2.13.
Op 12 februari 2025 heeft ing. [deskundige] van ZNEB Expertise en Taxatie B.V. in opdracht van [eiser] onderzoek verricht aan de dak- en isolatiewerkzaamheden. Hoewel daarvoor uitgenodigd, was [gedaagde] niet bij de expertise aanwezig. De deskundige heeft zijn bevindingen en conclusies neergelegd in een rapportage van 2 april 2025. [9]
2.14.
De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 16 april 2025 [10] een kopie van het expertiserapport aan [gedaagde] doen toekomen. Tevens heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] nogmaals in gebreke gesteld en een termijn van vier weken geboden om de door de deskundige vastgestelde gebreken en nog openstaande werkzaamheden te verrichten en gesommeerd de rolsteiger te retourneren.
2.15.
Een reactie van de zijde van [gedaagde] is uitgebleven.
2.16.
Bij brief van 15 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] de verbintenis van [gedaagde] tot nakoming omgezet in een verbintenis tot betaling van vervangende schadevergoeding ex artikel 6:87 BW Pro. [11]
2.17.
[bedrijf 2] en [bedrijf 3] hebben op verzoek van [eiser] een offerte uitgebracht en volgens hen is met het laten uitvoeren van herstelwerkzaamheden conform het rapport van ZNEB een bedrag van in totaal € 15.084,60 gemoeid. [12]

3.Het geschil

3.1.
Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 18.732,06, bestaande uit € 15.084,60 aan vervangende schadevergoeding,
€ 2.527,19 aan vervallen wettelijke rente en € 1.120,27 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over € 15.084,60 vanaf 11 december 2025, tot afgifte van de aan [eiser] toebehorende rolsteiger, op verbeurte van een dwangsom, alsmede tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verweer van [gedaagde] dat is afgeweken van de offerte ter zake van de renovatie van de loods en daarop een bedrag van € 985,18 in mindering is gebracht, laat de kantonrechter verder buiten beschouwing, nu dit niet relevant is voor de vordering die is gebaseerd op een omzettingsverklaring.
4.2.
De vraag die eerst beantwoording behoeft, is of [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de werkzaamheden.
4.3.
Hoewel het expertiserapport op eenzijdig verzoek van [eiser] en niet na een gezamenlijke opdracht tot stand is gekomen, kan naar het oordeel van de kantonrechter wel degelijk acht worden geslagen op de inhoud van het rapport voor de beantwoording van de onder r.o. 4.2. geformuleerde vraag. Dat [gedaagde] bij de door ZNEB uitgevoerde inspectie verstek heeft laten gaan, komt voor zijn rekening en risico. Uit de bij het expertiserapport gevoegde bijlage blijkt immers dat [gedaagde] daarvoor wel uitgenodigd was, maar om hem moverende redenen ervoor gekozen heeft niet bij de inspectie aanwezig te zijn. Hij heeft naderhand een afschrift van de rapportage ontvangen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om de bevindingen en conclusies van het betreffende rapport gemotiveerd te betwisten door concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die erop duiden dat die bevindingen onjuist zijn, dan wel een eigen deskundige in de arm te nemen die mogelijk tot andersluidende oordelen zou komen. [gedaagde] heeft dat nagelaten.
4.4.
Uit het expertiserapport (randnummer 2.13.) - dat niet gemotiveerd door [gedaagde] is betwist en van de juistheid waarvan derhalve in beginsel in deze procedure kan worden uitgegaan - blijkt dat er onder meer sprake is van een gebrekkige dakconstructie van de loods, de na-isolatiewerkzaamheden in de woning niet deugdelijk en conform de verwerkingsvoorschriften zijn uitgevoerd en enkele onderdelen van de dakwerkzaamheden niet zijn uitgevoerd. De deskundige concludeert dat het door [gedaagde] geleverde werk niet aan de eisen van goed en deugdelijk werk voldoet.
4.5.
Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de uitvoering van de werkzaamheden, hetgeen hem ook kan worden toegerekend.
4.6.
Het verzoek van [gedaagde] om hem nog de mogelijkheid te bieden de volgens het deskundigenrapport bestaande gebreken alsnog te komen herstellen, is een gepasseerd station. Bij brief van 15 mei 2025 heeft [eiser] meegedeeld dat zij schadevergoeding in plaats van herstel vordert, als gevolg waarvan de verbintenis tot nakoming is omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW Pro (randnummer 2.16.). Dat zij tot die omzetting gerechtigd is, volgt uit de gebleken feiten en omstandigheden. [eiser] heeft [gedaagde] immers meermaals in gebreke gesteld en aangemaand over te gaan tot kosteloos herstel en afronding van de werkzaamheden. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd. Dat [gedaagde] daar nu spijt van heeft en het niet zijn bedoeling was om het zover te laten komen, kan hem nu niet baten. Dat zijn thuissituatie destijds daarbij parten speelde, is eveneens een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Een eventueel vermeend dispuut tussen de vader van [gedaagde] en [eiser] rechtvaardigt evenmin zijn handelen. Nu herstel en afronding van de werkzaamheden is uitgebleven, is [gedaagde] in verzuim komen te verkeren. [eiser] heeft derhalve aanspraak op vervangende schadevergoeding.
4.7.
Wat betreft de omvang van de gevorderde schadevergoeding baseert [eiser] zich op de offertes van [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . [gedaagde] is het niet eens met de geoffreerde bedragen, maar heeft niets ingebracht om zijn verweer te onderbouwen, zodat aan dit verweer voorbij wordt gegaan. Dat het gevorderde bedrag aan vervangende schadevergoeding bijna evenredig is aan zijn jaarinkomen als kleine zelfstandige, is - indien al juist (verificatoire bescheiden zijn niet in het geding gebracht) - een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt en niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Het gevorderde bedrag van € 15.084,60 aan vervangende schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen.
4.8.
De door het enkele betalingsverzuim verschuldigde wettelijke rente ligt eveneens voor toewijzing gereed.
4.9.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het ter zake gevorderde bedrag van € 1.120,27 (inclusief btw) komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
4.10.
Anders dan [eiser] onder randnummer 18 van de conclusie van repliek stelt, heeft zij geen kosten van de deskundige gevorderd, zodat dit niet kan worden toegewezen.
4.11.
Met betrekking tot de gevorderde afgifte van de rolsteiger heeft [eiser] gesteld dat de rolsteiger is gekocht op rekening van [gedaagde] (in verband met het verrekenen van de btw), dat [eiser] de koopprijs exclusief btw (€ 1.832,00) aan [gedaagde] zou betalen, de rolsteiger in eigendom zal toebehoren aan [eiser] en bij haar gestald zal worden en dat [gedaagde] tegen een geringe vergoeding de rolsteiger mag gebruiken voor klussen. Deze lezing wordt ondersteund door de in het geding gebrachte WhatsAppberichten van onder meer november 2023, 24 januari 2024, 29 januari 2024 en 8 februari 2024 [13] waaruit blijkt dat [eiser] heeft besloten om een nieuwe rolsteiger te kopen, omdat op tweedehandse rolsteigers veel te hoog wordt geboden, [gedaagde] de steiger bij [eiser] ophaalt en weer terugbrengt en er wordt gevraagd om de steiger te berekenen. Verder blijkt uit de door [gedaagde] bij conclusie van antwoord ingenomen stelling, dat hij de rolsteiger heeft gehouden ter compensatie voor hetgeen [eiser] nog aan zijn vader verschuldigd was, dat de rolsteiger niet aan hem in eigendom toebehoort maar aan [eiser] . De stelling van [gedaagde] dat ze de rolsteiger samen hebben gekocht kan gelet op de inhoud van de genoemde WhatsAppberichten geen standhouden.
4.12.
Het vorenstaande brengt mee dat de door [eiser] gevorderde afgifte van de rolsteiger zal worden toegewezen, met dien verstande dat de daarover gevorderde dwangsom zal worden toegewezen en gemaximeerd zoals hierna bepaald.
4.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] ter zake van de rolsteiger € 1.400,00 aan [gedaagde] heeft voldaan. [eiser] heeft zich bij conclusie van repliek bereid verklaard om het resterende nog aan [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 423,00 aan hem te voldoen dan wel dit bedrag te verrekenen met de aan haar toe te wijzen vordering ter zake vervangende schadevergoeding. Het beroep op verrekening slaagt omdat aan de vereisten van artikel 6:127 BW Pro is voldaan. Zoals hiervoor is overwogen, is [gedaagde] gehouden een bedrag van € 15.084,60 aan vervangende schadevergoeding aan [eiser] te voldoen en dient [eiser] nog een bedrag van € 423,00 aan [gedaagde] te voldoen. Na verrekening resteert derhalve een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen bedrag van in totaal € 14.661,60. Dit bedrag zal hierna aan hoofdsom worden toegewezen.
4.14.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en wordt daarom verwezen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.906,45
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 18.309,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 15.084,60, met ingang van
11 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de aan [eiser] toebehorende rolsteiger op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft te berekenen vanaf vijf dagen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 10.000,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.906,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 dagvaarding en ongenummerde productie bij conclusie van antwoord
2.Productie 7 dagvaarding
3.Productie 7 dagvaarding
4.Productie 3 dagvaarding en ongenummerde productie bij conclusie van antwoord
5.Productie 8 dagvaarding
6.Productie 8 dagvaarding
7.Productie 8 dagvaarding
8.Productie 9 dagvaarding
9.Productie 11 dagvaarding
10.Productie 12 dagvaarding
11.Productie 13 dagvaarding
12.Productie 14 dagvaarding
13.Productie 5 dagvaarding