ECLI:NL:RBLIM:2026:4990

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
c?03/344633 / HA ZA 25-366
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Timmermans-Vermeer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 5:44 BWArt. 3:306 BWArt. 6:96 lid 1 sub b BWArt. 5:37 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over overhangende takken en bomen in verboden zone tussen buren

Partijen zijn buren met aangrenzende percelen. De zaak betreft acht bomen in de tuin van gedaagde die dicht bij de erfgrens staan, waarvan enkele takken over het perceel van eiser hangen. Eiser klaagde over hinder en vorderde verwijdering en snoei van bepaalde bomen en takken. Gedaagde verweerde zich onder meer met verjaring en stelde dat de bomen in slechte staat verkeren.

De rechtbank stelde vast dat boom 3 binnen de verboden zone staat en niet verjaard is, waardoor verwijdering daarvan toewijsbaar is. Boom 5 is ouder dan 20 jaar, waardoor de vordering tot verwijdering daarvan verjaard is, maar het snoeien van overhangende takken van boom 5 is toegewezen. De vorderingen tot snoei van bomen 1 en 4 werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatige hinder of gevaarzetting.

In reconventie werd geoordeeld dat eiser onrechtmatig handelde door zonder toestemming takken tot aan de stam af te zagen en het perceel van gedaagde te betreden. Gedaagde kreeg een schadevergoeding toegekend voor de door eiser veroorzaakte schade aan bomen en deskundigenkosten. Tevens werden verboden opgelegd aan eiser om zonder toestemming het perceel van gedaagde te betreden en overhangende begroeiing verder dan de erfgrens te verwijderen.

De proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verwijdering van boom 3 en snoei van overhangende takken van boom 5 toegewezen; eiser veroordeeld tot schadevergoeding en verboden tot betreden perceel zonder toestemming.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/344633 / HA ZA 25-366
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[persoon 1],
wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. S.J.H.G.M. Schils,
tegen
[persoon 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. N.P.H. Vissers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 januari 2026
- de akte houdende uitlating aan de zijde van [persoon 2]
- de gerechtelijke plaatsopneming en de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt
- de door partijen bij de spreekaantekeningen ingediende wijzigingen van eis
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn achterburen van elkaar. [persoon 1] is sinds 2023 eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 1] . [persoon 2] is sinds eind 2002 eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 2] . De achtertuinen van partijen grenzen aan elkaar.
2.2.
Deze procedure gaat over 8 bomen in de achtertuin van [persoon 2] die dicht bij de erfgrens met het perceel van [persoon 1] staan. De bomen hebben een stamdiameter variërend van 15 tot 35 cm en een hoogte van 12 tot 16 m. Partijen hebben in de stukken de bomen genummerd zoals weergegeven bij onderdeel 4.1 van dit vonnis.
2.3.
De takken van bomen 1, 2, 5 en 8 hingen over het perceel van [persoon 1] , waardoor bladeren en takken op zijn terrein en in de regengoten van zijn woning vielen. In de zomer van 2024 heeft [persoon 1] bij [persoon 2] geklaagd over deze bomen omdat takken over zijn perceel hangen en sommige bomen volgens hem te dicht bij de erfgrens staan. [persoon 2] heeft toen aangegeven dat overhangende takken altijd gesnoeid mogen worden maar dat de bomen blijven staan.
2.4.
Bij brief van 5 november 2024 heeft [persoon 1] via zijn rechtsbijstand verzekeraar [persoon 2] gesommeerd om vijf bomen die binnen twee meter van de erfgrens zouden staan te verwijderen of tot schuttinghoogte af te zagen.
2.5.
[persoon 1] heeft aan [deskundige 1] de opdracht gegeven advies uit te brengen over de bomen in de tuin van [persoon 2] . In zijn rapport van 11 april 2025 beoordeelt [deskundige 1] de bomen en komt tot de conclusie dat alle bomen in een matige tot slechte onderhoudsstaat verkeren.
2.6.
Op 8 augustus 2025 heeft de zoon van [persoon 2] geconstateerd dat [persoon 1] met een ladder op het tuinhuisje van [persoon 2] stond en een boom van [persoon 2] aan het snoeien was, waarbij over zijn perceel hangende takken tot aan de stam waren afgezaagd.
2.7.
De advocaat van [persoon 2] heeft [persoon 1] op 12 augustus 2025 gesommeerd geen inbreuk meer te maken op het eigendomsrecht van [persoon 2] en haar perceel niet meer zonder haar toestemming te betreden en/of bomen of takken te snoeien. Op 26 augustus 2025 heeft [persoon 1] een ladder tegen een boom op het perceel van [persoon 2] gezet.
2.8.
In opdracht van [persoon 2] heeft boomtechnisch adviesbureau [deskundige 2] (verder aan te halen als “ [deskundige 2] ”) een zogenaamde contra-expertise verricht en hierover op 4 september 2025 gerapporteerd. [deskundige 2] concludeert onder andere dat de snoei door [persoon 1] ernstige schade heeft veroorzaakt aan meerdere bomen. De totale kosten voor herstel, vervanging en opruiming van de schade heeft [deskundige 2] getaxeerd op €10.357,60. [1]

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[persoon 1] vordert na vermindering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon 2] te veroordelen binnen zes weken na betekening van het in deze wijzen vonnis de bomen 3 en 5, zoals benoemd in het deskundige rapport [deskundige 1] , te verwijderen en verwijderd te houden uit de verboden zone als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) op straffe van verbeurte van een dwangsom van €100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [persoon 2] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van €15.000,00;
II. [persoon 2] te veroordelen binnen 6 weken na betekening van het in deze wijzen vonnis de bomen 1 en 4 alsmede bijbehorende klimop, zoals benoemd in het deskundige rapport [deskundige 1] te snoeien en periodiek gesnoeid te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €100,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van €15.000,00;
III. [persoon 2] te veroordelen binnen zes weken na betekening van het in deze wijzen vonnis de over de erfgrens heen hangende takken van boom 5 te snoeien en periodiek gesnoeid te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €100,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde na betekening van het wijze vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van €15.000,00;
IV. [persoon 2] zal veroordelen in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.
3.2.
[persoon 2] voert verweer. [persoon 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[persoon 2] vordert na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
I. [persoon 1] te veroordelen tot betaling aan [persoon 2] van een bedrag ad € 6.626,26, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 8 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [persoon 1] te verbieden zich onder voorafgaande toestemming van [persoon 2] op of boven het perceel van [persoon 2] te begeven, zulks op straffe van een dwangsom van €500,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00;
III. [persoon 1] te verbieden overhangende begroeiing van [persoon 2] verder dan tot ter hoogte van de perceelsgrens te verwijderen, zulks op straffe van en dwangsom van €500,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00.
3.5.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 2] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.
De rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen de nummering van de bomen aanhouden zoals weergegeven op onderstaande afbeelding, afkomstig uit het rapport van [deskundige 2] .
[afbeelding geanonimiseerd]
In conventie
De verboden zone van artikel 5:42
4.2.
Op grond van artikel 5:42 BW Pro is het niet toegestaan om bomen binnen een afstand van twee meter tot de grenslijn te hebben. Is dat wel het geval, dan staan deze bomen in de zogenaamde ‘verboden zone’. Die situatie is in strijd met de wet en dus (in beginsel) onrechtmatig.
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat de bomen 3 en 5 binnen twee meter van de erfgrens met [persoon 1] staan en zich in de verboden zone bevinden. De vordering van [persoon 1] tot het verwijderen van deze bomen is daarom in beginsel toewijsbaar.
4.4.
[persoon 2] heeft als verweer aangevoerd dat de vordering tot verwijdering van de bomen op grond van artikel 5:42 BW Pro is verjaard. Zij stelt dat de bomen 3 en 5 al in de loop van de jaren 1983 tot en met 1986 aan de achterkant van haar perceel waren geplant. Daarmee staan de bomen volgens [persoon 2] al ruim langer dan 20 jaar binnen de verboden zone en heeft [persoon 1] vordering ingesteld na het verstrijken van de verjaringstermijn van 20 jaar [2] .
4.5.
[persoon 1] heeft onder verwijzing naar het rapport van [deskundige 1] betwist dat zijn vordering tot het verwijderen van de bomen is verjaard. Volgens [deskundige 1] zijn de bomen namelijk 15 jaar oud.
4.6.
Omdat [persoon 2] zich beroept op de verjaring is het aan haar om voldoende feiten te stellen en te onderbouwend die de conclusie rechtvaardigen dat de bomen al langer dan 20 jaar in de verboden zone staan.
4.7.
Met [persoon 1] is de rechtbank van oordeel dat de door [persoon 2] overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende specifiek zijn om te kunnen vaststellen dat de bomen 3 en 5 al sinds de jaren tachtig in de tuin van [persoon 2] aanwezig zijn. In het rapport van [deskundige 2] wordt evenmin een leeftijd van de bomen 3 en 5 genoemd. [deskundige 2] blijft bij een algemene conclusie dat de bepaling een minimale leeftijd heeft van 30 jaar. Die conclusie heeft [deskundige 2] gebaseerd op jaarringen van de zaagsnedes van bomen 6, 8a, 9 en 10.
[deskundige 2] . [deskundige 1] heeft de leeftijd van de bomen bepaald aan de hand van de stamdiameter van de bomen. [deskundige 2] bevestigt dat dit een gebruikelijke methode is om bij benadering de leeftijd te bepalen [3] . Wel heeft [deskundige 2] daarbij onweersproken opgemerkt dat vanwege de onderlinge concurrentie van de beplanting voor wat betreft licht, water en meststoffen een lagere gemiddelde groeisnelheid moet worden aangehouden van 1 cm per jaar.
4.8.
De door [deskundige 1] opgemeten stamdiameters heeft [persoon 2] niet betwist zodat de rechtbank van de juistheid van die diameters uitgaat. Uit het rapport van [deskundige 1] [4] volgt dat boom 3 een stamdiameter heeft van 15 tot 20 cm en boom 5 een stamdiameter van 20 tot 25 cm. Met inachtneming van de door [deskundige 2] genoemde groeifactor van 1 betekent dat met de stamdiameter methode niet kan worden vastgesteld dat boom 3 ouder is dan 20 jaar.
Voor boom 5 daarentegen kan wel een leeftijd worden berekend van meer dan 20 jaar.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [persoon 2] onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd om vast te kunnen stellen dat boom 3 op het moment van de vordering tot verwijdering, daar langer stond dan 20 jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om [persoon 2] nog toe te laten tot nadere bewijslevering nu de berekening van de leeftijd heeft plaatsgevonden volgens een gebruikelijke methode en hantering van de door [deskundige 2] genoemde groeifactor en onbetwist gelaten stamdiameter. De gevorderde verwijdering van boom 3 is daarom toewijsbaar, alsmede de gevorderde dwangsom. Wel ziet de rechtbank aanleiding om [persoon 2] een langere termijn te gunnen om aan de veroordeling te voldoen. [persoon 2] zal namelijk een hovenier moeten inschakelen. Deze termijn zal gesteld worden op drie maanden.
4.10.
Omdat de leeftijd van boom 5 berekend kan worden op ruim 20 jaar slaagt het verjaringsverweer ten aanzien van deze boom. De gevorderde verwijdering van boom 5 vanwege aanwezigheid in de verboden zone zal daarom worden afgewezen.
Het snoeien van overhangende takken
4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat alleen nog takken van boom 5 over de erfgrens hangen. [persoon 1] heeft zijn vordering tot het snoeien van overhangende takken ook verminderd tot de takken van boom 5.
4.12.
[persoon 1] hoeft niet te dulden dat takken van beplanting op het perceel van [persoon 2] over zijn perceel hangen en mag verwijdering ervan verlangen en deze ook zelf verwijderen [5] .
4.13.
[persoon 2] heeft toegezegd dat zij de overhangende takken van boom 5 zelf zal snoeien. Dit betekent dat dit deel van de vordering kan worden toegewezen.
Het snoeien van de bomen
4.14.
[persoon 1] heeft zijn vordering tot het snoeien van de bomen 1 en 4 gegrond op enerzijds onrechtmatige hinder en anderzijds op onrechtmatige daad (gevaarzetting). De rechtbank is van oordeel dat geen van deze gronden kan leiden tot toewijzing van het gevorderde snoeien van de bomen. Dit oordeel heeft de rechtbank gegrond op de volgende overwegingen.
Onrechtmatige hinder
4.15.
Bij onrechtmatige hinder geldt als uitgangspunt dat buren in beginsel het recht hebben om hun tuin in te richten en te onderhouden zoals zij dat zelf willen. Dat recht wordt echter begrenst in die zin dat anderen, onder wie buren, geen onrechtmatige hinder mag worden toegebracht [6] . Van buren mag worden verwacht dat zij zowel rekening met elkaar houden, als verdraagzaam zijn. Zij moeten een bepaalde mate van hinder aanvaarden, maar waar de grens met onrechtmatige hinder ligt is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.
4.16.
Tijdens de plaatsopneming heeft de rechter geconstateerd dat bladeren en takjes in de tuin van [persoon 1] lagen. Het is aannemelijk dat die bladeren en takjes afkomstig zijn van de bomen in de tuin van [persoon 2] .
4.17.
De rechtbank stelt voorop dat buren doorgaans rekening hebben te houden met de omstandigheid dat door wind bladeren in hun tuin terecht kunnen komen van bomen in de omgeving. Daarnaast was [persoon 1] bij de aankoop van de woning op de hoogte van de aanwezigheid van de bomen in de achtertuin van [persoon 2] . [persoon 1] had dus kunnen verwachten dat er bladeren in zijn tuin zouden vallen en hij die mogelijk van tijd tot tijd zou moeten opruimen.
4.18.
De tijdens de plaatsopneming aangetroffen hoeveelheid bladeren en kleine takjes was niet zodanig veel dat het opruimen ervan veel tijd of geld zou kosten. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat met het verwijderen van de twee bomen binnen de verboden zone (voor zover verjaard) en het snoeien van takken tot over de erfgrens met [persoon 2] bladval in de tuin van [persoon 1] aanmerkelijk wordt teruggedrongen.
4.19.
De hiervoor genoemde omstandigheden, afgezet tegen het belang van [persoon 2] om als eigenaar over haar tuin te kunnen beschikken en het door haar gestelde belang bij het behoud van de bomen in haar achtertuin maakt dat de hinder niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt en geen grond kan vormen voor een vordering tot het verwijderen van bomen (waarvan de rechtsvordering is verjaard) en het snoeien van takken tot verder dan de erfgrens.
Gevaarzetting
4.20.
[persoon 1] stelt dat [persoon 2] haar zorgplicht om de bomen te onderhouden niet nakomt waardoor de bomen van [persoon 2] in slechte staat verkeren en gevaar opleveren. Volgens [persoon 1] kunnen bomen omvallen of kunnen takken afbreken die dan schade kunnen toebrengen aan zijn eigendom. [persoon 1] stelt dat de bomen onderhouden en gesnoeid moeten worden.
4.21.
[persoon 2] heeft gemotiveerd betwist dat de bomen een gevaar vormen voor eigendommen van [persoon 1] . [deskundige 2] heeft de bomen in opdracht van [persoon 2] onderzocht en merkt, in tegenstelling tot [deskundige 1] , geen van de bomen aan als een risicoboom. [deskundige 2] heeft geconcludeerd dat als gevolg van reeds uitgevoerde snoeiwerkzaamheden de bomen op dit moment veilig zijn voor [persoon 1] [7] .
4.22.
Gelet op dit gemotiveerde verweer had het op de weg van [persoon 1] gelegen om het door hem gestelde gevaar en de noodzaak om onmiddellijk in te grijpen nader te onderbouwen en aan te tonen. Dat heeft hij niet althans onvoldoende gedaan. Tijdens de plaatsopneming is evenmin gebleken dat de bomen een acuut gevaar opleveren voor de eigendommen van [persoon 1] .
4.23.
Het voorgaande betekent dat geen grond om [persoon 2] te verplichten snoeionderhoud uit te voeren aan de bomen 1 en 4.
Slotsom
4.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat enkel toewijsbaar zijn de vordering tot het verwijderen van boom 3 en het snoeien van de overhangende takken van boom 5.
4.25.
Omdat [persoon 1] slechts voor een deel in het gelijk is gesteld en partijen buren zijn, ziet de rechtbank aanleiding op de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.26.
Met [persoon 2] is de rechtbank van oordeel dat [persoon 1] tegenover [persoon 2] onrechtmatig heeft gehandeld door inbreuk te maken op haar eigendomsrecht. Het gaat met name om het afzagen van takken van bomen op het perceel van [persoon 2] tot aan de stam en het zich zonder toestemming begeven op en/of boven het perceel van [persoon 2] .
4.27.
[persoon 2] heeft afdoende aangetoond en [persoon 1] heeft toegegeven dat hij takken van de bomen van [persoon 2] die over zijn perceel hingen tot aan de stam heeft gezaagd. Ook heeft [persoon 2] afdoende aangetoond dat [persoon 1] zich daarbij op en/of boven haar perceel heeft bevonden. Met name uit het filmpje van de zoon van [persoon 2] [8] blijkt dat [persoon 1] met een ladder op het tuinhuisje van [persoon 2] heeft gestaan om takken van een boom op het perceel van [persoon 2] af te zagen. Hij is daarmee dus in de tuin van [persoon 2] geweest. Daarna (26 augustus 2025) is nog een keer geconstateerd dat [persoon 1] in ieder geval zijn ladder tegen een boom van [persoon 2] heeft aangezet. [9] Ook het enkele plaatsen van een ladder tegen de boom van [persoon 2] is al een inbreuk op haar eigendomsrecht.
4.28.
[persoon 2] heeft [persoon 1] te kennen gegeven dat hij uiteraard de in zijn tuin overhangende takken mag snoeien. Duidelijk is dat hiermee wordt verwezen naar het recht dat voortvloeit uit artikel 5:44 BW Pro. De rechtbank kan [persoon 1] dan ook niet volgen in zijn stelling dat hij hieruit had mogen begrijpen dat hij de hele tak en niet alleen het overhangende deel mocht verwijderen.
4.29.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde verboden ter voorkoming van eigenrichting door [persoon 1] toewijsbaar zijn. Als prikkel tot naleving van het verbod acht de rechtbank de gevorderde dwangsommen en het daaraan gekoppelde maximum bedrag eveneens toewijsbaar.
4.30.
[persoon 2] heeft met het rapport van [deskundige 2] voldoende onderbouwd dat [persoon 1] met zijn snoeiwerkzaamheden de bomen van [persoon 2] zodanig heeft beschadigd dat herstel dient plaats te vinden dan wel herstel niet meer mogelijk is. [deskundige 2] heeft de schade getaxeerd aan de hand van de richtlijnen van de NVTB. Over de toewijsbaarheid van de afzonderlijke schadeposten oordeelt de rechtbank als volgt.
4.31.
Het bedrag van € 236,-- exclusief btw voor herstel van de schade aan boom 4 acht de rechtbank toewijsbaar. Het bedrag is door [persoon 2] onderbouwd en [persoon 1] heeft de dit schadebedrag niet gemotiveerd bestreden.
4.32.
De schade aan de bomen 2, 6, 8a, 9 en 10 wordt als onherstelbaar aangemerkt en getaxeerd op € 4.590,-- exclusief btw. Bomen 9 en 10 zijn afgezaagde bomen. [persoon 1] heeft betwist dat hij de bomen heeft omgezaagd en tijdens de plaatsopneming gewezen op de donkere kleur van de stronken wat er volgens hem op duidt dat de bomen langer geleden zijn omgezaagd. Gelet op deze betwisting en het ontbreken van bewijs dat [persoon 1] de bomen heeft omgezaagd, kan niet worden vastgesteld dat hij aansprakelijk is voor de schade aan deze twee bomen. De rechtbank zal de toe te wijzen schadevergoeding voor de bomen 2, 6 en 8a dan ook begroten op € 2.754,-- exclusief btw (drie vijfde van € 4.950,--).
4.33.
De kosten voor het opruimen van het snoeiafval heeft [deskundige 2] gebaseerd op de gemiddelde prijs van hoveniers voor het afvoeren van groenafval waarbij de helft van het groenafval (ongeveer 5 m³) aan [persoon 1] wordt toegerekend vanwege snoeiafval van niet overhangende takken. Het begrote bedrag van € 650,-- exclusief btw komt de rechtbank dan ook niet ongegrond voor en zal worden toegewezen.
4.34.
[persoon 2] heeft ter onderbouwing van haar vordering deskundigenkosten moeten maken. De in redelijkheid gemaakte kosten komen op grond van artikel 6:96 lid 1 sub b BW Pro voor vergoeding in aanmerking. De gemaakte kosten ter hoogte van € 1.906,96 zullen dan ook worden toegewezen. De kosten voor het aanvullende rapport van [deskundige 2] ter hoogte van € 1.179,75 acht de rechtbank niet toewijsbaar aangezien dit rapport naar aanleiding van het verweer van [persoon 1] is opgesteld en tot een vermindering van de vordering heeft geleid.
slotsom
4.35.
Het voorgaande betekent dat aan schadevergoeding toewijsbaar is een bedrag van € 3.640,-- exclusief btw ofwel een bedrag van € 4.404,40 inclusief btw aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 en een bedrag van € 1.906,96 aan deskundigenkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025.
4.36.
Omdat [persoon 2] voor een groot deel in het ongelijk wordt gesteld en partijen buren zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [persoon 2] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis boom 3 zoals benoemd in het deskundige rapport [deskundige 1] , te verwijderen en verwijderd te houden uit de verboden zone als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Pro Wetboek op straffe van verbeurte van een dwangsom van €100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [persoon 2] na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 15.000,00
5.2.
veroordeelt [persoon 2] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de over de erfgrens heen hangende takken van boom 5 te snoeien, op straffe van verbeurte van een dwangsom van €100,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagde na betekening van het wijze vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van €15.000,00;
in reconventie
5.3.
veroordeelt [persoon 1] om aan [persoon 2] te betalen een schadevergoeding van € 4.404,40 inclusief btw te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2025 en een bedrag van € 1.906,96 aan deskundigenkosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025,
5.4.
verbiedt [persoon 1] om zich onder voorafgaande toestemming van [persoon 2] op of boven het perceel van [persoon 2] te begeven, zulks op straffe van een dwangsom van €500,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00;
5.5.
verbiedt [persoon 1] om overhangende begroeiing van [persoon 2] verder dan de perceelsgrens te verwijderen, zulks op straffe van en dwangsom van €500,00 per overtreding, met een maximum van € 100.000,00.
in conventie en reconventie
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Timmermans-Vermeer en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

2.Artikel 3:306 BW Pro
3.Rapport [deskundige 2] pagina 17 (productie 4 zijdens [persoon 2] )
4.Bijlage 1 Overzicht gecontroleerde bomen + overzicht
5.Artikel 5:44 BW Pro
6.Zie artikel 5:37 BW Pro
7.Rapport [deskundige 2] pagina 13 onder vraag 5
8.Productie 2 van [persoon 2]
9.Productie 3 van [persoon 2]