ECLI:NL:RBLIM:2026:4726

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
12034024 \ CV EXPL 25-6101
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Zorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling eigen risico zorgverzekering na levering alternatieve medicatie

Gedaagde heeft een zorgverzekeringsovereenkomst met CZ waarbij hij een eigen risico moet betalen. In juli 2024 ontving hij tweemaal medicatie van een apotheek, die de kosten bij CZ declareerde. CZ verrekent dit via het eigen risico met gedaagde, die weigert te betalen omdat hij stelt niet de juiste medicatie te hebben ontvangen.

Gedaagde heeft direct contact opgenomen met de apotheek en vernomen dat door een grondstoffentekort een passend alternatief is geleverd. CZ stelt dat zij alleen de declaratie van de apotheek vergoedt en dat gedaagde zijn bezwaar tegen de inhoud van de zorg bij de apotheek had moeten indienen. CZ was niet bekend met onjuistheid van de declaratie.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat CZ de declaratie niet had mogen vergoeden. Het verweer dat hij een ander medicijn ontving dan besteld, is onvoldoende om betaling van het eigen risico te weigeren. De vordering van CZ tot betaling van €170,50 wordt toegewezen, evenals de proceskosten van €391,95. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het eigen risico van €170,50 en de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12034024 \ CV EXPL 25-6101
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: [gemachtigde] van GGN Mastering Credit N.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1,
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord,
- de conclusie van repliek met producties 2 en 3,
- de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] aan CZ eigen risico verschuldigd is.
2.2.
[gedaagde] heeft in juli 2024 tweemaal medicijnen ontvangen van [apotheek] B.V. (hierna: de apotheek).
2.3.
Op 19 september 2024 heeft CZ een factuur aan [gedaagde] verzonden ter zake van het eigen risico van € 170,50. [gedaagde] heeft het eigen risico niet betaald.
2.4.
Bij brief van 2 januari 2025 heeft CZ aan [gedaagde] medegedeeld dat, als het bedrag van € 170,50 niet binnen veertien dagen wordt betaald, zij haar vordering uit handen zal geven aan een incassogemachtigde. Het betreffende bedrag is niet binnen de door CZ gestelde termijn betaald.
2.5.
Bij brieven van 9 mei en 22 september 2025 heeft de incassogemachtigde van CZ [gedaagde] vervolgens gesommeerd tot betaling van het openstaande eigen risico, de rente en de buitengerechtelijke kosten. Ook daarop is niets betaald aan CZ.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 170,50, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat hij op grond van die overeenkomst aan haar eigen risico verschuldigd is. [gedaagde] heeft in juli 2024 tweemaal medicatie ontvangen van de apotheek. Daarvoor heeft de apotheek een bedrag van € 170,50 aan CZ in rekening gebracht. Dit bedrag valt onder het (wettelijk verplicht) eigen risico, waardoor [gedaagde] dit dan ook aan CZ verschuldigd is. [gedaagde] heeft het bedrag van € 170,50 aan eigen risico niet betaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van CZ en voert aan dat hij niet de juiste medicatie heeft ontvangen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] het eigen risico van in totaal € 170,50 aan CZ verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] het eigen risico alsnog aan CZ dient te betalen. Hieronder wordt uiteengezet hoe de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen.
4.2.
[gedaagde] stelt dat hij via een herhaalrecept Ventolin heeft besteld, maar vervolgens tweemaal niet de juiste medicatie heeft ontvangen en daarom niet wil betalen. [gedaagde] heeft direct, na ontvangst van de medicijnen, contact opgenomen met de apotheek en laten weten dat het niet de juiste medicijnen waren. De apotheek heeft [gedaagde] medegedeeld dat er sprake was van een grondstoffentekort, waardoor het medicijn Ventolin niet leverbaar was en dat hij om die reden andere passende medicatie (Atimos) heeft ontvangen.
4.3.
CZ heeft onweersproken gesteld dat het bezwaar van [gedaagde] ziet op de inhoud van de verleende zorg door de zorgverlener (de apotheek), in dit geval het verstrekken van medicijnen. [gedaagde] had zich met zijn bezwaren tegen de inhoud van de verleende zorg moeten wenden tot de apotheek en de kwestie daar aan de orde moeten stellen, wat - afgezien van een enkel telefonisch contact - niet is gebeurd. CZ is in de relatie tussen de apotheek en de patiënt, in dit geval [gedaagde] , hoe dan ook geen partij. CZ is alleen de verzekeraar van [gedaagde] . CZ ontvangt de nota’s van de apotheek en vergoedt (afhankelijk van de polis) deze kosten aan de apotheek. Op grond van artikel 11 van Pro de Zorgverzekeringswet rust op CZ immers een zorgplicht die inhoudt dat zij gehouden is tot vergoeding van de aan de verzekerde verleende zorg. CZ stelt dat de apotheek een declaratie bij haar heeft ingediend. Hieruit volgt dat er een declaratie is die CZ aan de apotheek dient te vergoeden en die CZ op haar beurt - in dit geval door middel van het eigen risico - bij [gedaagde] in rekening kan brengen. Van CZ kan enkel worden gevergd dat zij niet overgaat tot vergoeding van de declaratie, indien zij ermee bekend is dat de declaratie onjuist is. In dat kader ligt het op de weg van de verzekerde, in dit geval [gedaagde] , om omstandigheden aan te voeren waaruit die onjuistheid blijkt.
4.4.
[gedaagde] heeft echter onvoldoende gesteld om aan te nemen dat CZ ervan uit moest gaan dat de declaratie van de apotheek onjuist was. Wel heeft CZ erkend dat [gedaagde] inderdaad niet zijn gebruikelijke medicatie heeft ontvangen, maar dat dit in het geval van een erkend tekort aan medicijnen een passend alternatief kan worden geleverd en dat dit niet zondermeer onjuist is. Het verweer dat hij zetpillen heeft ontvangen in plaats van een pompje voor zijn astma, voert [gedaagde] pas bij dupliek, waardoor CZ niet in de gelegenheid is gesteld om op de stelling van [gedaagde] te reageren. Daarop zal dan ook geen acht worden geslagen.
4.5.
Gelet op al het voorgaande zal het door CZ gevorderde bedrag van € 170,50 worden toegewezen.
Proces- en nakosten
4.6.
[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
391,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 170,50,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 391,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.