ECLI:NL:RBLIM:2026:4684

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12055840 \ CV EXPL 26-74
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand fietsverzekering en nietigheid incassokostenbeding

Unigarant vordert betaling van een achterstallige premie van €66,32 voor een fietsverzekering afgesloten bij ANWB Verzekeringen. De gedaagde voert verweer dat niet hij, maar zijn ex-echtgenote de verzekering is aangegaan en dat de verzekering in 2022 is opgezegd. Tevens stelt hij dat hij de premie heeft betaald.

De kantonrechter oordeelt dat Unigarant gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de gegevens van de gedaagde als contractspartij, mede omdat diens persoonlijke gegevens in de polis zijn opgenomen. De interne afspraken tussen de gedaagde en zijn ex-echtgenote raken Unigarant niet. De opzegging is niet onderbouwd en de betaling is niet aangetoond.

De vordering tot betaling van de premie wordt daarom toegewezen. Het incassokostenbeding wordt ambtshalve beoordeeld als oneerlijk en nietig verklaard, omdat het een standaardbeding betreft zonder limiet en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de achterstallige premie wordt toegewezen, het incassokostenbeding is nietig verklaard en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12055840 \ CV EXPL 26-74
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
UNIGARANT N.V., MEDE H.O.D.N. ANWB VERZEKEREN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Unigarant,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 16 maart 2017 is bij de ANWB een fietsverzekering afgesloten voor een elektrische fiets Gazelle, Orange C360 HF, met framenummer [framenummer] .
2.2.
Er is een achterstand ontstaan in de premiebetaling van € 66,32.
2.3.
Op 11 april 2023 is [gedaagde partij] in de gelegenheid gesteld deze premie alsnog te betalen, om extra kosten te voorkomen (14-dagenbrief).

3.Het geschil

3.1.
Unigarant vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 66,32, vermeerderd met rente, de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Unigarant.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Unigarant vordert de niet betaalde premie op grond van de overeenkomst tussen ANWB Verzekeringen en [gedaagde partij] .
[gedaagde partij] heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat niet hij maar zijn ex-echtgenote de verzekering is aangegaan, nu dit haar fiets is. Verder is volgens [gedaagde partij] de verzekering opgezegd medio 2022. Volgens [gedaagde partij] hebben hij en zijn ex-partner afgesproken dat zij de verplichtingen van de elektrische fiets op zich zou nemen, zodat [gedaagde partij] deze vordering niet hoeft te betalen.
4.2.
Unigarant heeft dit weersproken en gesteld dat weliswaar bij de tenaamstelling van de verzekering ook de naam van de ex-echtgenote van [gedaagde partij] staat genoemd maar de overige gegevens, zoals adres, geboortedatum en geslacht van [gedaagde partij] zelf zijn.
Unigarant betwist ook dat er sprake is van een opzegging van de zijde van [gedaagde partij] in 2022.
[gedaagde partij] heeft daarop zijn standpunten gehandhaafd.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Uit productie 1 van de dagvaarding blijkt dat de gegevens van [gedaagde partij] , waaronder zijn geslacht en geboortedatum zijn opgenomen. Dat maakt dat Unigarant (in casu de ANWB) er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde partij] de wederpartij was.
Dat betekent dat [gedaagde partij] als contractspartij wordt gezien en niet zijn ex-echtgenote.
Dat [gedaagde partij] en zijn ex-echtgenote na de scheiding afspraken hebben gemaakt over wie de fietsverzekering zou gaan betalen, betreft een zogenoemde ‘interne’ afspraak als gevolg van de echtscheiding, maar die raakt Unigarant niet. Met andere woorden: dat (ex)echtelieden onderling afspraken maken, maakt niet dat een derde (Unigarant in dit geval) die afspraken ook over moet nemen.
4.4.
Dat de verzekering in 2022 is opgezegd is niet gebleken. Aangezien [gedaagde partij] zich beroept op die opzegging, was het aan hem om deze stelling te onderbouwen en te bewijzen. Nu hij dit niet heeft gedaan, zal de kantonrechter dit verweer passeren.
4.5.
De bij dupliek door [gedaagde partij] ingenomen stelling dat hij de premie wel heeft betaald, zal de kantonrechter eveneens passeren. Unigarant stelt immers al bij repliek dat de laatste automatische incasso een paar dagen later weer is gestorneerd. [gedaagde partij] heeft dat niet weersproken. Dat [gedaagde partij] toch heeft betaald is daarom niet aangetoond.
4.6.
Daarmee is de vordering van Unigarant op [gedaagde partij] komen vast te staan. De kantonrechter zal de vordering in hoofdsom ad € 66,32 daarom toewijzen.
4.7.
Unigarant vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.8.
De overeenkomst bevat een incassokostenbeding. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde partij] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn).
Ingevolge artikel 3 lid 3 van Pro de Richtlijn oneerlijke bedingen kunnen als oneerlijk worden aangemerkt onder meer de bedingen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn. Tot die bedingen behoort het beding (artikel 1 aanhef Pro en onder e) dat tot doel of tot gevolg heeft ‘de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.’ Nu in het beding waarop de vordering is gebaseerd geen limiet is gesteld kan, zoals in dit geval, de vordering oplopen tot een bedrag dat in geen redelijke verhouding meer staat tot de geleden schade. Dit levert een nietig beding op.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
4.9.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Unigarant worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
392,64

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Unigarant te betalen een bedrag van € 66,32, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, vanaf 28 april 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 392,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.