ECLI:NL:RBLIM:2026:4645

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/03/350320 / KG ZA 26-93
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Koster-van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming samenlevingsovereenkomst en medewerking verkoop woning ex-partners

Partijen hadden een affectieve relatie en sloten een samenlevingsovereenkomst en later een vaststellingsovereenkomst bij beëindiging van hun relatie. In deze laatste overeenkomst werd bepaald dat de ex-partner de woning binnen zes maanden kon overnemen, anders zou deze aan een derde worden verkocht.

De eisende partij stelde dat de termijn was verstreken zonder dat de gedaagde aan zijn verplichtingen had voldaan, en vorderde nakoming van de afspraken, waaronder medewerking aan overname of verkoop. De gedaagde erkende de verstreken termijn maar vroeg een laatste kans om de woning alsnog over te nemen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het spoedeisend belang aanwezig was en verklaarde de termijn verstreken. De gedaagde kreeg een laatste termijn van twee maanden om de woning over te nemen, met medewerking aan financiering, ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid en notariële akten. Bij uitblijven van medewerking geldt de verplichting tot verkoop aan een derde. Vonnis in de plaats en ontruiming werden afgewezen als prematuur. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechter verklaart de termijn voor woningovername verstreken en geeft een laatste termijn voor medewerking, waarna verkoop aan een derde verplicht is.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/350320 / KG ZA 26-93
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
advocaat: mr. P.A. van Enckevort,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij],
procedeert in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarbij van wat op de zitting is besproken door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Op 9 juli 2020 zijn partijen een samenlevingsovereenkomst met elkaar aangegaan.
2.2.
Partijen hebben een gemeenschappelijke woning in eigendom, staande en gelegen te [adres] (hierna te noemen: de woning).
2.3.
In het kader van de beëindiging van hun relatie hebben partijen op 26 september 2024 een vaststellingsovereenkomst (hierna te noemen: de vaststellingsovereenkomst) met elkaar gesloten. Hierin zijn partijen – samengevat – overeengekomen dat [gedaagde partij] gedurende 6 maanden na ondertekening de gelegenheid heeft om het aandeel van [eisende partij] in de woning over te nemen met ontslag van [eisende partij] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Ook is hierin overeengekomen dat de woning zal worden verkocht aan een derde als [gedaagde partij] daartoe binnen die termijn niet in staat blijkt te zijn. Verder zijn partijen overeengekomen welke waarde van de woning zij bij de overname van het aandeel van [eisende partij] daarin hanteren. Deze waarde is lager dan de destijds geldende WOZ-waarde omdat de woning nog moest worden afgebouwd.
2.4.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 15 juli 2025, 19 augustus 2025 en op 23 september 2025 berichten verstuurd waarin door haar werd gewezen op de afspraken die partijen in de vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt, met het verzoek aan [gedaagde partij] om aan te geven of hij de woning kan overnemen.
2.5.
[gedaagde partij] is er tot op heden niet in geslaagd om het aandeel van [eisende partij] in de woning over te nemen en [eisende partij] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de in de vaststellingsovereenkomst van 26 september 2024 opgenomen termijn van zes maanden waarbinnen [gedaagde partij] de woning diende over te nemen, is verstreken zonder dat [gedaagde partij] aan de voorwaarden voor overname heeft voldaan, zodat de contractuele verplichting tot verkoop van de woning aan een derde in beginsel is ingetreden;
II. [gedaagde partij] veroordeelt om binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen laatste termijn, doch niet langer dan twee maanden na betekening van het in deze te wijzen vonnis, zijn volledige medewerking te verlenen aan de overname van de woning, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
a. het aanvragen en verkrijgen van een toereikende financiering voor de overname van de woning;
b. het bewerkstelligen dat [eisende partij] volledig en onvoorwaardelijk wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek;
c. het medeondertekenen van alle daartoe benodigde stukken, waaronder een nieuwe hypotheekakte en een notariële akte van levering waarbij het aandeel van [eisende partij] in de woning aan [gedaagde partij] wordt geleverd;
III. bepaalt dat, indien [gedaagde partij] niet uiterlijk op de laatste dag van de hiervoor onder II. genoemde termijn:
a. de financiering voor de overname van de woning heeft verkregen, en;
b. het ontslag van [eisende partij] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek heeft bewerkstelligd, en;
c. zijn medewerking heeft verleend aan de notariële levering van het aandeel van [eisende partij] in de woning aan hem;
de verplichting tot verkoop van de woning aan een derde(n), zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, onvoorwaardelijk geldt en partijen gehouden zijn de woning aan een derde(n) te verkopen;
IV. [gedaagde partij] veroordeelt om, indien hij niet tijdig aan de onder II genoemde verplichtingen voldoet, binnen veertien dagen na het ongebruikt verstrijken van de hiervoor onder II. genoemde termijn zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde(n), waaronder in ieder geval wordt verstaan:
a. het medeondertekenen van een verkoopopdracht aan een door [eisende partij] aan te wijzen, gecertificeerde makelaar;
b. het toestaan van bezichtigingen van de woning op redelijke tijdstippen;
c. het medeondertekenen van een koopovereenkomst met een derde(n) koper(s) indien de koopprijs ligt binnen de bandbreedte van de door de makelaar geadviseerde vraag- en laatprijs;
d. het verlenen van alle verdere medewerking die noodzakelijk is om tot levering van de woning aan de koper(s) te komen, waaronder het verschijnen bij de notaris en het medeondertekenen van de notariële leveringsakte;
V. [gedaagde partij] veroordeelt om, indien en zodra een koopovereenkomst met een derde(n) koper(s) tot stand is gekomen, de woning uiterlijk op de dag vóór de in de koopovereenkomst en/of leveringsakte bepaalde leveringsdatum volledig te verlaten en te ontruimen, met medeneming van al zijn personen en zaken, en de woning in lege en behoorlijke staat ter beschikking te stellen aan de koper(s), althans aan [eisende partij] ten behoeve van de levering;
VI. bepaalt dat, indien [gedaagde partij] in gebreke blijft met de onder IV en V genoemde medewerking, het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van zijn wilsverklaring, waaronder begrepen:
a. de ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar;
b. de ondertekening van de koopovereenkomst met de derde koper;
c. de ondertekening van de notariële leveringsakte;
VII. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van een dwangsom van € 500,00:
a. voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat hij in strijd handelt met het onder II. gevorderde, en/of
b. voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dan wel voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder IV. gevorderde met een gezamenlijk maximum van € 10.000,00;
VIII. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.
[eisende partij] vordert nakoming van de afspraken uit de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Gelet op het verstrijken van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen termijn is [eisende partij] in beginsel gerechtigd onmiddellijke medewerking te verlangen aan verkoop van de woning aan een derde. [eisende partij] acht het echter redelijk dat [gedaagde partij] nog één laatste, beperkte termijn krijgt om een poging te doen de woning alsnog over te nemen.
3.3.
[gedaagde partij] heeft ter zitting erkend dat de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen termijn ter overname van de woning inmiddels is verstreken. Hij heeft in dat verband toegelicht dat zijn prioriteiten in de afgelopen periode niet hebben gelegen bij de overname van de woning. Volgens [gedaagde partij] was hij voornamelijk bezig met het creëren van rust in zijn persoonlijke situatie en met de overname van een bouwbedrijf. [gedaagde partij] heeft tevens verklaard dat hij de woning nog steeds wenst over te nemen en dat hij inmiddels bezig is met het zetten van concrete stappen daartoe. In dat verband heeft hij aangevoerd dat een taxatie van de woning wordt uitgevoerd om de financieringsmogelijkheden in kaart te brengen. [gedaagde partij] heeft voorts aangegeven dat hij, indien hem daartoe nog een laatste gelegenheid wordt geboden, verdere stappen zal ondernemen om uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte afspraken. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van (een deel van) de vorderingen van [eisende partij].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt in dit geval uit de aard van de zaak. Als uitgangspunt in situaties als deze geldt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel in de woning van de een aan de ander moet worden overgedragen of dat de woning moet worden verkocht aan een derde. Vaststaat dat partijen ruim anderhalf jaar na het eindigen van de relatie nog steeds in onverdeeldheid verkeren en [eisende partij] nog altijd hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheekschuld. Voorts geldt dat partijen in de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] zou proberen om de woning binnen zes maanden over te nemen. Deze termijn is inmiddels ruimschoots verstreken. Voorts heeft [eisende partij] gesteld dat zij [gedaagde partij] herhaaldelijk heeft aangesproken en aangemaand om uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken, terwijl [gedaagde partij] vervolgens (tot kort voor de zitting) geen concrete stappen heeft gezet. Daarmee is het vereiste spoedeisend belang voldoende gegeven.
Verklaring voor recht
4.2.
Vordering I houdt in dat een verklaring voor recht wordt gevorderd dat de in de vaststellingsovereenkomst van 26 september 2024 opgenomen termijn van zes maanden, waarbinnen [gedaagde partij] de woning diende over te nemen, is verstreken. Deze vordering zal worden toegewezen. Vaststaat dat de overeengekomen termijn inmiddels is verstreken zonder dat [gedaagde partij] de woning heeft overgenomen. [gedaagde partij] heeft dit ook niet betwist.
Verlenen medewerking overname woning
4.3.
[eisende partij] heeft onder II gevorderd dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld om binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen periode van maximaal twee maanden medewerking te verlenen aan overname van de woning, waaronder in ieder geval wordt verstaan: het aanvragen en verkrijgen van een toereikende financiering, het bewerkstelligen dat [eisende partij] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid zal worden ontslagen en het medeondertekenen van alle daartoe benodigde stukken, een en ander versterkt met een dwangsom. De voorzieningenrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst geen grondslag biedt voor een
verplichtingvoor [gedaagde partij] tot overname van de woning. De vaststellingsovereenkomst biedt [gedaagde partij] enkel
de gelegenheidom de woning over te nemen. Ter zitting heeft [eisende partij] aangegeven dat de vordering onder II in die zin moet worden opgevat dat [gedaagde partij] – kort gezegd – nog eenmaal twee maanden de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. [gedaagde partij] heeft vervolgens verklaard van deze gelegenheid gebruik te willen maken. Gezien deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter vordering II toewijzen zoals in het dictum hierna volgt in die zin dat [gedaagde partij] nog twee maanden na betekening van dit vonnis de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen.
Verlenen medewerking verkoop derde
4.4.
De vordering onder III houdt - samengevat - in dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de verplichting tot verkoop aan een derde geldt indien [gedaagde partij] niet binnen de termijn van twee maanden na betekening van het vonnis de woning overneemt. Deze vordering zal worden toegewezen zoals onder het dictum bepaald. Partijen zijn in de tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst immers overeengekomen dat de woning aan een derde zal worden verkocht indien [gedaagde partij] niet binnen de overeengekomen termijn in staat blijkt de woning over te nemen. Vast staat dat deze termijn inmiddels is verstreken zonder dat overname door [gedaagde partij] heeft plaatsgevonden.
4.5.
In het verlengde daarvan zal ook vordering IV onder a en c worden toegewezen. Deze vordering houdt in dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het medeondertekenen van een verkoopopdracht aan een makelaar en tot het gedogen van bezichtigingen van de woning op redelijke tijdstippen, indien hij niet binnen de genoemde termijn van twee maanden de woning overneemt. Deze verplichtingen sluiten aan bij de tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken en zijn noodzakelijk om een daadwerkelijke verkoop van de woning mogelijk te maken.
4.6.
De vorderingen van [eisende partij] genoemd onder IV sub c en d zullen worden afgewezen. Deze vorderingen zien op het verlenen van medewerking aan het tekenen van de koopovereenkomst en het verlenen van medewerking aan alle noodzakelijke (rechts)handelingen voor de notariële levering. Er ligt hier nog geen concrete conceptovereenkomst en conceptakte voor om de verkoop en overdracht van de woning te bewerkstelligen. Het is nog niet bekend wanneer de verkoop van de woning valt te voorzien, wat de leveringstermijn zal zijn en of de marktomstandigheden op dat moment gelijk zijn aan de huidige omstandigheden. Door dit alles is het ook niet mogelijk om te toetsen of het redelijk is dat [gedaagde partij] hiermee instemt. Daarom zijn de vorderingen van [eisende partij] op dit punt niet toewijsbaar.
Vonnis in de plaats, ontruiming en dwangsom
4.7.
De bevoegdheid van de rechter om te bepalen dat een vonnis in de plaats treedt van benodigde rechtshandelingen, is een discretionaire bevoegdheid. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechter deze bevoegdheid met voorzichtigheid moet hanteren. De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde partij] voor ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst met een derde koper en de notariële leveringsakte, zoals door [eisende partij] onder VI gevorderd. Voor een voorziening waarbij een vonnis in de plaats treedt van een wilsverklaring als bedoeld in artikel 3:300 BW Pro is vereist dat voldoende duidelijkheid bestaat over de rechtshandeling waarop die vervangende verklaring betrekking heeft. Daarvan is op dit moment nog geen sprake. Er ligt nog geen verkoopopdracht aan de makelaar en concrete concept-koopovereenkomst voor. Bovendien geldt dat [eisende partij] aan [gedaagde partij] juist nog een laatste gelegenheid wil bieden om alsnog uitvoering te geven aan de tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot de overname van de woning. Of [gedaagde partij] daadwerkelijk in gebreke zal blijven met het verlenen van de vereiste medewerking aan een eventuele verkoop aan een derde, is op dit moment nog niet gebleken. De gevorderde voorziening is daarom op dit moment prematuur en zal worden afgewezen.
4.8.
Hetzelfde geldt voor de vordering met betrekking tot ontruiming van de woning. De voorzieningenrechter acht de vordering die strekt tot tijdige ontruiming van de woning bij levering prematuur. Niet is gebleken dat [gedaagde partij] te zijner tijd zijn medewerking zal weigeren aan feitelijke oplevering van de woning aan een koper. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.9.
Omdat [eisende partij] de gevorderde dwangsom ter zitting heeft ingetrokken, behoeft vordering VII die daarop ziet geen verdere bespreking meer.
Proceskosten
4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de in de vaststellingsovereenkomst van 26 september 2024 opgenomen termijn van zes maanden waarbinnen [gedaagde partij] de woning diende over te nemen, is verstreken zonder dat [gedaagde partij] aan de voorwaarden voor overname heeft voldaan, zodat de contractuele verplichting tot verkoop van de woning aan een derde in beginsel is ingetreden,
5.2.
bepaalt dat [gedaagde partij] gedurende een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis in de gelegenheid wordt gesteld zijn volledige medewerking te verlenen aan overname van de woning, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
a. het aanvragen en verkrijgen van een toereikende financiering voor de overname van de woning;
b. het bewerkstelligen dat [eisende partij] volledig en onvoorwaardelijk wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek;
c. het medeondertekenen van alle daartoe benodigde stukken, waaronder een nieuwe hypotheekakte en een notariële akte van levering waarbij het aandeel van [eisende partij] in de woning aan [gedaagde partij] wordt geleverd,
5.3.
bepaalt dat, indien [gedaagde partij] niet uiterlijk op de laatste dag van de hiervoor onder 5.2. genoemde termijn:
a. de financiering voor de overname van de woning heeft verkregen, en;
b. het ontslag van [eisende partij] uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek heeft bewerkstelligd, en;
c. zijn medewerking heeft verleend aan de notariële levering van het aandeel van [eisende partij] in de woning aan hem;
de verplichting tot verkoop van de woning aan een derde(n), zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, onvoorwaardelijk geldt en partijen gehouden zijn de woning aan een derde(n) te verkopen;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om, indien hij niet tijdig aan de onder 5.2. genoemde verplichtingen voldoet, binnen veertien dagen na het ongebruikt verstrijken van de hiervoor onder 5.2. genoemde termijn zijn volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde, waaronder wordt verstaan:
het medeondertekenen van een verkoopopdracht aan een door [eisende partij] aan te wijzen, gecertificeerde makelaar;
het toestaan van bezichtigingen van de woning op redelijke tijdstippen,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.