Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4
- de conclusie van dupliek
- de mondelinge behandeling van 16 maart 2026.
Rechtbank Limburg
Mr. [eiser] heeft [gedaagde] bijgestaan in een echtscheidingsprocedure en factureerde zijn werkzaamheden na intrekking van de toevoeging gefinancierde rechtsbijstand. De toevoeging was aanvankelijk verleend, vervolgens ingetrokken vanwege het financiële resultaat, daarna hersteld en uiteindelijk definitief ingetrokken na afronding van de procedure.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het formele bezwaar dat de vordering door de eenmanszaak was ingesteld terwijl de maatschap partij had moeten zijn, dit bezwaar niet ontvankelijk werd verklaard om herhaling van procedures te voorkomen. De factuur was op het moment van dagvaarding niet opeisbaar, maar werd dat wel na de definitieve intrekking van de toevoeging.
De rechtbank stelde vast dat het aantal gewerkte uren door mr. [eiser] voldoende was onderbouwd en dat het uurtarief €194,21 exclusief btw moest zijn. Na aftrek van de reeds betaalde eigen bijdrage werd gedaagde veroordeeld tot betaling van €17.774,95. Proceskosten werden gecompenseerd en overige vorderingen afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €17.774,95 aan advocaatkosten na definitieve intrekking van de toevoeging gefinancierde rechtsbijstand.