ECLI:NL:RBLIM:2026:4257

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/03/348422 / HA ZA 26-6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 6:162 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot inzage in documenten over misgelopen aankoop winkelcentrum

In deze civiele bodemzaak vordert [persoon B] inzage in diverse communicatie en documenten van [persoon A] met betrekking tot een mislukte aankoop van het winkelcentrum Rathaus Galerie in Duitsland. [persoon B] stelt dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld, onder meer door het verstrekken van valse informatie en het zonder overleg verkopen van het winkelcentrum aan een derde.

De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van een vordering tot inzage op grond van artikel 194 Rv Pro niet vereist is dat de rechtsbetrekking reeds vaststaat, maar dat wel voldoende feiten moeten worden gesteld die het bestaan van die rechtsbetrekking aannemelijk maken. Uit de feiten volgt echter niet dat tussen partijen een rechtsbetrekking is ontstaan die inzage rechtvaardigt.

De rechtbank stelt dat de onrechtmatige daad van [persoon A] jegens de vennootschap is gesteld, maar niet jegens [persoon B] persoonlijk. Ook is onvoldoende gesteld dat [persoon B] schade heeft geleden door handelen van [persoon A]. Daarom wordt de vordering tot inzage afgewezen en wordt [persoon B] veroordeeld in de proceskosten.

De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling. Het vonnis is gewezen door rechter Verhoeven en op 6 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot inzage wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van een rechtsbetrekking tussen partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/348422 / HA ZA 26-6
Vonnis in incident van 6 mei 2026
in de zaak van
[persoon A],
te [adres] (Duitsland),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon A] ,
advocaat: mr. G. Debije,
tegen
[persoon B],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon B] ,
advocaat: mr. J.P.M. Dexters.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis d.d. 8 april 2026 in het incident ex artikel 217 Rv Pro. In dit vonnis is de zaak verwezen naar de rolzitting van 29 april 2026 voor vonnis in dit incident tot inzage ex artikel 194 Rv Pro.
1.2.
Op de rolzitting van 29 april 2026 is de zaak aangehouden en is vonnis nader bepaald op heden.

2.Het geschil in het incident tot inzage

2.1.
[persoon B] vordert in het incident tot inzage dat de rechtbank bij vonnis in incident, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. [persoon A] veroordeelt om binnen drie weken na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken van, dan wel inzage te verschaffen in de navolgende documenten uit de periode 1 november 2024 – 5 december 2025:
i. e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities, instructies aan of van de curator mr. Grosser,
ii. e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities, instructies aan of van [tussenpersoon] , [betrokkene 1] en/of [bedrijf 1] ,
iii. e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities, instructies aan of van de notaris,
iv. e-mails, chat- en appberichten, gespreksnotities, brieven, logboeken, systeemnotities, instructies met betrekking tot de optieovereenkomsten,
v. alle communicatie met of over de transactie als beschreven in deze conclusie, de notaris, een eventuele makelaar en overige betrokkenen zoals [betrokkene 2] en [betrokkene 3] aangaande de feiten genoemd in de dagvaarding in de hoofdzaak en deze conclusie,
vi. eventuele interne correspondentie of memo’s binnen het kantoor/woning van [persoon A] die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de rol en het handelen van [persoon A] in relatie tot de feiten genoemd in de dagvaarding in de hoofdzaak alsmede deze conclusie,
B. [persoon A] veroordeelt om aan [persoon B] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 per dag dat [persoon A] niet (volledig) aan de veroordeling voldoet,
met veroordeling van [persoon A] in de kosten van de procedure in het incident, de nakosten daaronder begrepen, met bepaling dat indien [persoon A] het bedrag aan proces- en nakosten niet heeft voldaan binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis, [persoon B] vanaf de vijftiende dag over het bedrag aan proces- en nakosten de wettelijke rente is verschuldigd, zulks tot aan de dag der algehele voldoening.
2.2.
[persoon A] heeft bezwaar tegen toewijzing van de gevorderde inzage en voert verweer.
2.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
[persoon A] en [persoon B] zijn in de periode eind 2024 – eind 2025 betrokken geweest bij een poging tot aankoop van het onroerend goed c.q. winkelcentrum Rathaus Galerie te Hagen in Noordrijn-Westfalen (Duitsland), hierna ook te noemen: het winkelcentrum. Die gezamenlijke aankoop is uiteindelijk niet gelukt.
3.2.
[persoon A] heeft omtrent de gang van zaken rond die aankoop en de samenwerking met [persoon B] , samengevat, het volgende gesteld.
3.3.1.
Het winkelcentrum viel in een failliete boedel die werd afgewikkeld door curator Grosser uit Keulen. De curator had opdracht gegeven aan een derde om het winkelcentrum te verkopen. Deze derde nam in november 2024 contact op met [persoon A] . Uiteindelijk is op initiatief van [persoon A] door hem en een aantal andere investeerders besloten om zich in te spannen om het winkelcentrum aan te kopen. Daartoe is de vennootschap [bedrijf 2] B.V. opgericht (hierna: de vennootschap). Van de aandelen in deze vennootschap (naar Nederlands recht) werd 50% gehouden door [persoon A] , de heer [betrokkene 2] en de heer [betrokkene 3] en 50% door [persoon B] alleen (dagvaarding, nr. 36) dan wel door [persoon B] samen met de heer [tussenpersoon] (dagvaarding, nr. 10).
3.3.2.
Uiteindelijk is een concept-koopovereenkomst met betrekking tot het winkelcentrum tot stand gekomen, welke door alle aandeelhouders in de groepsapp is goedgekeurd. Op 7 mei 2025 is door [persoon B] verklaard dat de financiering van de aankoop van het winkelcentrum door hem was geregeld. De dag erna heeft [persoon A] de koopovereenkomst bij de notaris namens de vennootschap ondertekend. Omdat [persoon B] verhinderd was om de koopovereenkomst bij de notaris te ondertekenen, is door hem een volmacht afgegeven. In de koopovereenkomst was bepaald dat de vennootschap bij ondertekening een aanbetaling diende te doen van in totaal 2 miljoen euro, welke betaling door [persoon B] is gedaan. Ongeveer 2,5 maand later deelt [persoon B] mede dat de financiering voor de aankoop nog niet rond is. Reden daarvoor is, zo stelt [persoon B] , dat op grond van een uitgevoerde integriteitstoets de deelname van (onder meer) [persoon A] een belemmering zou opleveren voor de financier. Om die reden is besloten dat [persoon A] de aandelen in de vennootschap zou overdragen en dat hij via optierechten kon deelnemen aan het project. De bedoeling was dat door het terugtreden van (onder meer) [persoon A] de financiering alsnog geregeld kon worden en dat [persoon A] na de voltooiing van de financiering door het gebruik van zijn optierechten alsnog zou instappen in het project. Nadat de optieovereenkomsten waren ondertekend en [persoon B] hierdoor alleen bestuurder was geworden van de vennootschap, heeft [persoon B] echter zonder overleg met [persoon A] het winkelcentrum aan een andere partij verkocht, waarna dit op 12 september 2025 is geleverd aan de koper.
3.3.3.
De handelwijze van [persoon B] kan worden gekwalificeerd als een tekortkoming in de nakoming van de afspraken die [persoon B] en [persoon A] (en de overige investeerders) met elkaar hadden gemaakt dan wel als een onrechtmatige daad van [persoon B] jegens [persoon A] . Hierdoor heeft [persoon A] schade geleden door een misgelopen investeringskans en daarmee gemiste winst.
3.4.
Door [persoon B] is omtrent de samenwerking van partijen met betrekking tot de aankoop van het winkelcentrum het volgende gesteld.
3.5.1.
Een aantal partijen had vernomen dat er een mogelijkheid was om het winkelcentrum te kopen, welke zich bevond in een failliete boedel die door curator mr. Grosser werd afgewikkeld. Het is niet zo dat [persoon A] degene was die de anderen op deze mogelijkheid had gewezen. Besloten is toen om het winkelcentrum aan te kopen via een projectvennootschap, zijnde de vennootschap ( [bedrijf 2] B.V.). De vennootschap is opgericht door de holdingvennootschappen van [persoon B] , [persoon A] en [betrokkene 3] . [persoon A] en [persoon B] waren vanaf de oprichting op 15 april 2025 gezamenlijk bestuurder van de vennootschap. Voor de aankoop van het winkelcentrum was een financiering vereist. Partijen hadden hiertoe via de tussenpersoon [tussenpersoon] (hierna: [tussenpersoon] ) een verzoek gedaan aan [bedrijf 1] N.V. (hierna: [bedrijf 1] ). Op 18 maart 2025 heeft [tussenpersoon] aangekondigd dat er een KYC-onderzoek naar de (natuurlijke personen achter de) investeerders zou worden gedaan.
3.5.2.
Terwijl de financieringsaanvraag bij [bedrijf 1] in behandeling was, heeft [persoon A] onderhandeld met de curator over de aankoop van het winkelcentrum. Hoewel op 8 mei 2025 de financiering nog niet rond was, heeft [persoon A] zonder medeweten van [persoon B] namens de vennootschap een koopovereenkomst met de curator ondertekend voor de aankoop van het winkelcentrum voor een koopprijs van € 19.300.000,00. [persoon A] was als bestuurder niet bevoegd om de vennootschap zonder medewerking van [persoon B] te binden en wist ook dat hij daartoe niet bevoegd was. [persoon B] heeft de overeenkomst om die reden op een later moment getekend, waarbij de notaris niet de letterlijke tekst van de koopovereenkomst aan [persoon B] heeft voorgelezen, omdat [persoon A] aan de notaris had laten weten dat dat niet nodig was.
3.5.3.
De koopprijs moest op grond van de koopovereenkomst uiterlijk 31 juli 2025 worden betaald, terwijl er daarvoor (in twee tranches) een aanbetaling van in totaal 2 miljoen euro moest worden gedaan. De vennootschap had niet de middelen om de aanbetalingen en de koopprijs te voldoen. Uiteindelijk heeft [persoon B] het bedrag van de aanbetaling deels zelf en deels via een hem toebehorende vennootschap aan de vennootschap geleend, zodat de vennootschap in staat was om haar verplichtingen tot aanbetaling na te komen.
3.5.4.
[persoon A] was er, toen hij op 8 mei 2025 de koopovereenkomst ondertekende, van op de hoogte dat de financiering nog niet rond was en dat dus de vennootschap niet de financiële middelen had om de aanbetaling en de koopprijs te voldoen. Dat de financiering nog niet rond was, had onder meer als oorzaak dat [bedrijf 1] vragen had omtrent de achtergrond van [persoon A] . Vanwege (i) de achtergrond van [persoon A] en (ii) de omstandigheid dat [persoon A] in het kader van het KYC-onderzoek valse gegevens had verstrekt en valse verklaringen had afgelegd, heeft [tussenpersoon] op 22 juli 2025 bericht dat [bedrijf 1] niet bereid was een financiering te verstrekken. Om de problemen met de financiering op te lossen, heeft [persoon A] voorgesteld dat hij terugtrad als bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap (waarbij ook [betrokkene 3] als aandeelhouder zou terugtreden).
3.5.5.
Om [persoon A] alsnog de mogelijkheid te bieden om een aandelenbelang te verwerven in de vennootschap, nadat de financiering rond was, heeft [persoon A] voorgesteld om een optie-overeenkomst aan te gaan. Deze optie-overeenkomst is op 24 juli 2025 door [persoon A] enerzijds en (een vennootschap van) [persoon B] anderzijds ondertekend (productie 20 van [persoon B] ). [persoon B] werd er door zijn adviseurs op gewezen dat het aanvragen van financiering, terwijl aan onder meer [persoon A] een optie was verstrekt om na het verkrijgen van de financiering opnieuw aan het project deel te nemen, financieringsfraude oplevert. Omdat uiteindelijk geen financiering werd verkregen voor de betaling van (het restant van) de koopprijs, hebben partijen met elkaar besproken om het winkelcentrum door te verkopen aan een andere ontwikkelaar (Brix).
3.5.6.
[persoon B] stelt dat [persoon A] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat hij in reconventie een vordering zal indienen, welke - naar de rechtbank veronderstelt – is gericht op het verkrijgen van schadevergoeding.
3.6.
In verband met de door hem in te stellen vordering in reconventie, wenst [persoon B] thans inzage in de bescheiden zoals opgesomd onder nummer 2.1. De onrechtmatigheid van de gedragingen van [persoon A] bestaat er volgens [persoon B] uit dat hij:
a. a) meermalen in strijd met de waarheid heeft gehandeld, achteraf afspraken probeerde te wijzigen en heeft gehandeld in strijd met artikel 21 Rv Pro (incidentele conclusie, nr. 95);
b) foutieve en valse informatie heeft verstrekt aan de financier met als direct gevolg dat de financier zich heeft terug getrokken (incidentele conclusie, nrs. 83 en 95);
c) zonder medeweten van [persoon B] de koopovereenkomst heeft ondertekend met een andere inhoud dan eerder besproken en gecommuniceerd (incidentele conclusie, nr. 83);
d) tijdens de onderhandelingen aan de curator heeft medegedeeld dat er voor de betaling van de koopprijs geen financiering was vereist (incidentele conclusie, nr. 95);
e) heeft verzwegen dat er een aanbetaling was vereist van 2 miljoen euro (incidentele conclusie, nr. 95);
f) financieringsfraude heeft geïnitieerd door de constructie met de optie-overeenkomsten op te tuigen (incidentele conclusie, nr. 95);
g) aan de notaris heeft medegedeeld dat [persoon B] geen prijs stelde op voorlezing van de notariële akte (inhoudende de koopovereenkomst) (incidentele conclusie, nr. 95);
h) [persoon B] niet naar waarheid heeft geïnformeerd omtrent zijn vermogenspositie (incidentele conclusie, nr. 83);
i. i) [persoon B] een lening heeft laten verstrekken aan de vennootschap wetende dat de vennootschap door toedoen van [persoon A] nimmer aan de financieringseisen had kunnen voldoen (incidentele conclusie, nr. 83).
3.7.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.8.
Op grond van artikel 194 Rv Pro. heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.
3.9.
Als grondslag voor zijn vordering in reconventie, in verband waarmee [persoon B] inzage vordert, heeft [persoon B] aangevoerd dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook de rechtsbetrekking die uit onrechtmatige daad ontstaat, valt onder de werking van artikel 194 Rv Pro. Voor een toewijzing van een vordering tot inzage is het niet noodzakelijk dat in rechte reeds is komen vast te staan dat er een onrechtmatige daad is gepleegd (zie Kamerstukken II, 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 47). Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat ook niet de eis kan worden gesteld dat het bestaan van de rechtsbetrekking voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt (anders onder het oude recht, HR 10 juli 2020, ECI:NL:HR:2020:1251). Dat neemt niet weg dat degene die inzage vordert wel voldoende feiten moet stellen die de gevolgtrekking onderbouwen dat de door hem gestelde rechtsbetrekking bestaat. De enkele, niet met feiten onderbouwde stelling, dat er een bepaalde rechtsbetrekking is, is onvoldoende onderbouwd en biedt daarmee geen grondslag om een recht op inzage te verkrijgen.
3.10.
Ook indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de door [persoon B] gestelde gedragingen van [persoon A] , zoals hiervoor weergegeven onder nummer 3.6., als onrechtmatig moeten worden gekwalificeerd, kan de vordering tot inzage niet worden toegewezen, nu uit de feiten die [persoon B] op dit punt heeft gesteld niet volgt dat [persoon A] op grond van die onrechtmatige gedragingen in een rechtsbetrekking tot [persoon B] is komen te staan. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
3.11.
De enkele omstandigheid dat iemand een onrechtmatige daad pleegt, brengt op zichzelf geen rechtsbetrekking met een ander tot stand. Daarvan is in beginsel pas sprake indien op grond van die onrechtmatige daad uit hoofde van de wettelijke regeling van artikel 6:162 e.v. BW jegens een ander een verbintenis tot schadevergoeding ontstaat. Daartoe moet onder meer voldaan zijn aan de voorwaarden die in artikel 6:162 BW Pro worden gesteld aan het ontstaan van een verplichting tot betaling van schadevergoeding. Voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding van [persoon B] jegens [persoon A] betekent dit in ieder geval dat:
- [persoon A] onrechtmatig moet hebben gehandeld
jegens [persoon B];
- hierdoor
[persoon B]in zijn vermogen schade heeft geleden;
- die schade in causaal verband staat met de onrechtmatige gedraging van [persoon A] .
3.12.
Uit de stellingen van beide partijen volgt dat de investering in het winkelcentrum door de betrokkenen zou plaatsvinden via de vennootschap en dat om die reden de koopovereenkomst door [persoon A] namens de vennootschap is gesloten. In de vennootschap werden door (onder meer) [persoon B] en [persoon A] aandelen gehouden. Volgens [persoon B] werden die aandelen in de vennootschap niet direct door partijen zelf (als natuurlijke personen) gehouden, maar verliep de deelname van [persoon A] en [persoon B] via hun holdingvennootschappen. Dit volgt ook uit het door [persoon B] overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel (productie 8 van [persoon B] ) waarin (na het kennelijke uittreden van de holding van [persoon A] ) de vennootschap Honi Invest Duitsland B.V. als enig aandeelhouder van de vennootschap is vermeld. [persoon B] staat in dit uittreksel vermeld als bestuurder van de vennootschap.
3.13.
[persoon B] verwijt het aan [persoon A] onder meer dat hij onrechtmatig heeft gehandeld bij de verkrijging van de financiering voor de aankoop van het winkelcentrum en bij het sluiten van de koopovereenkomst namens de vennootschap met de curator (de verwijten hiervoor in nummer 3.6. weergegeven onder b tot en met e). Indien van de juistheid van de stellingen van [persoon B] wordt uitgegaan, was het gevolg hiervan dat [persoon A] de vennootschap heeft gebonden jegens de curator (indien zijn onbevoegde vertegenwoordiging inderdaad heeft geleid tot gebondenheid van de vennootschap) voor het doen van aanbetalingen van 2 miljoen euro en de koopprijs van 19,3 miljoen euro, terwijl niet duidelijk was of de vennootschap tijdig over voldoende financiële middelen zou beschikken om die verplichtingen na te komen. Uit hetgeen [persoon B] aldus heeft gesteld volgt niet dat [persoon A] hiermee jegens [persoon B] een (zorgvuldigheids)norm heeft geschonden en dat [persoon B] hierdoor schade heeft geleden (zie onder meer HR 2 dec 1994, ECLI:1994:ZC1564, NJ 1995, 288, Poot / ABP). Het is in beginsel aan de vennootschap om vergoeding van door haar geleden schade te vorderen (ook omtrent schade van de vennootschap is overigens niets gesteld). Indien [persoon B] van oordeel is dat [persoon A] door zijn handelen niet alleen jegens de vennootschap, maar ook jegens [persoon B] in persoon een zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden én dat [persoon B] door schending van die norm schade heeft geleden, dan had hij concrete feiten moeten stellen die die conclusie rechtvaardigen. Nu hij dat niet heeft gedaan, volgt uit het gestelde niet dat [persoon B] op grond van onrechtmatige daad in een rechtsbetrekking tot [persoon A] is komen te staan. Op de grondslagen zoals weergegeven onder b) tot en met e) kan de vordering dan ook niet kan worden toegewezen.
3.14.
Ook ten aanzien van de stelling van [persoon B] dat [persoon A] financieringsfraude heeft geïnitieerd door de constructie met de optie-overeenkomsten op te tuigen (het verwijt weergegeven in nummer 3.6. onder f) geldt dat uit de optie-overeenkomst (productie 20 van [persoon B] ) blijkt dat deze overeenkomst is gesloten tussen [persoon A] in persoon aan de ene zijde en Honi Invest Duitsland B.V. aan de andere zijde. Feiten waaruit volgt dat dit onrechtmatig was jegens [persoon B] en dat [persoon B] schade heeft geleden door schending van een norm jegens hem, zijn door [persoon B] niet gesteld. Ook deze grondslag kan niet leiden tot het oordeel dat [persoon B] op grond van onrechtmatige daad in een rechtsbetrekking tot [persoon A] is komen te staan. Ook op de onder f) weergegeven grondslag kan de vordering tot inzage dus niet worden toegewezen.
3.15.
Voorts verwijt [persoon B] het aan [persoon A] dat hij (i) aan de notaris had medegedeeld dat [persoon B] geen prijs stelde op voorlezing van de notariële akte, dat hij (ii) [persoon B] niet naar waarheid heeft geïnformeerd omtrent zijn vermogenspositie en dat hij (iii) [persoon B] een lening heeft laten verstrekken aan de vennootschap wetende dat de vennootschap door toedoen van [persoon A] nimmer aan de financieringseisen had kunnen voldoen (de verwijten in nummer 3.6. weergegeven onder g tot en met i). Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat [persoon A] met deze gedragingen onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon B] , dan heeft nog te gelden dat uit hetgeen [persoon B] aldus heeft gesteld niet volgt dat en op welke wijze [persoon B] hierdoor schade heeft geleden. Dat betekent dat de aldus gestelde feiten nog niet zonder meer meebrengen dat er een rechtsbetrekking tot vergoeding van schade is ontstaan tussen [persoon B] en [persoon A] . Ook op deze grondslagen kan de vordering tot inzage niet worden toegewezen.
3.16.
Ook ten aanzien van de stelling dat [persoon A] meermalen in strijd met de waarheid heeft gehandeld, achteraf afspraken probeerde te wijzigen en heeft gehandeld in strijd met artikel 21 Rv Pro (de verwijten hiervoor in nummer 3.6. weergegeven onder a), geldt dat uit deze feiten op zichzelf niet volgt dat er door [persoon B] schade is geleden en er op die grond een rechtsbetrekking is ontstaan. In zijn incidentele conclusie onder nummer 83 stelt [persoon B] dat hij belang heeft bij inzage omdat [persoon A] meermalen in strijd met de waarheid heeft verklaard, ook in de procedure tot opheffing van het door [persoon A] gelegde beslag. Voor zover [persoon B] met de onder a) weergegeven verwijten mede heeft willen betogen dat hij voldoende belang heeft bij inzage, behoeven die stellingen dus geen bespreking. Vanwege het ontbreken van een rechtsbetrekking, is de vraag of hij voldoende belang heeft bij de inzage niet aan de orde.
3.17.
De slotsom van het voorgaande is dat de vordering tot inzage zal worden afgewezen.
Proceskosten
3.18.
[persoon B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in dit incident aan de zijde van [persoon A] . Deze kosten worden begroot op € 653,00 (1 punt x tarief II).
Het verdere verloop van de procedure
3.19.
De zaak zal in de hoofdzaak worden verwezen naar de rolzitting van 17 juni 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [persoon B] .

4.De beslissing

De rechtbank:
in het incident tot inzage
4.1.
wijst het gevorderde af;
4.2.
veroordeelt [persoon B] in de proceskosten van € 653,00;
4.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 juni 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [persoon B] ;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.