Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het verdere verloop van de procedure
2.Het geschil in het incident tot inzage
3.De beoordeling in het incident
jegens [persoon B];
[persoon B]in zijn vermogen schade heeft geleden;
Rechtbank Limburg
In deze civiele bodemzaak vordert [persoon B] inzage in diverse communicatie en documenten van [persoon A] met betrekking tot een mislukte aankoop van het winkelcentrum Rathaus Galerie in Duitsland. [persoon B] stelt dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld, onder meer door het verstrekken van valse informatie en het zonder overleg verkopen van het winkelcentrum aan een derde.
De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van een vordering tot inzage op grond van artikel 194 Rv Pro niet vereist is dat de rechtsbetrekking reeds vaststaat, maar dat wel voldoende feiten moeten worden gesteld die het bestaan van die rechtsbetrekking aannemelijk maken. Uit de feiten volgt echter niet dat tussen partijen een rechtsbetrekking is ontstaan die inzage rechtvaardigt.
De rechtbank stelt dat de onrechtmatige daad van [persoon A] jegens de vennootschap is gesteld, maar niet jegens [persoon B] persoonlijk. Ook is onvoldoende gesteld dat [persoon B] schade heeft geleden door handelen van [persoon A]. Daarom wordt de vordering tot inzage afgewezen en wordt [persoon B] veroordeeld in de proceskosten.
De hoofdzaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling. Het vonnis is gewezen door rechter Verhoeven en op 6 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot inzage wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van een rechtsbetrekking tussen partijen.