Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek.
2.De feiten
3.Het geschil
- oorspronkelijke hoofdsom € 11.731,57
- wettelijke rente tot 16 oktober 2025
- totaal € 11.976,80
- voldaan
- totaal € 10.392,98.
Rechtbank Limburg
De verzekerde had een zorgverzekering bij VGZ en liet een bedrag van €11.731,57 aan premies en declaraties onbetaald. Na een eerdere procedure waarbij een deel van €500 werd toegewezen, sloten partijen een betalingsregeling. Deze regeling werd door VGZ beëindigd vanwege het opnieuw niet betalen van declaraties.
VGZ vorderde betaling van het resterende bedrag van €10.392,98 vermeerderd met rente en proceskosten. De verzekerde stelde dat hij de regeling netjes nakwam en dat VGZ deze onterecht had beëindigd, maar kon dit niet onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat VGZ gerechtigd was de regeling te beëindigen en dat de verzekerde geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid tot een nieuwe regeling.
De gevorderde rente werd afgewezen omdat VGZ de toepasselijke algemene voorwaarden niet had overgelegd, waardoor toetsing op oneerlijke bedingen niet mogelijk was. De verzekerde werd veroordeeld tot betaling van €10.147,75 en de proceskosten van €1.713,14. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag en proceskosten na gerechtvaardigde beëindiging van de betalingsregeling.