Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4141

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/03/349747 / HA RK 26-33
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Boek 1 BWArt. 250 Boek 1 BWWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking van rechters door minderjarigen niet-ontvankelijk verklaard

De minderjarigen hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen de meervoudige familiekamer die op 23 februari 2026 zaken over hun gezag en ondertoezichtstelling zou behandelen. Zij wilden dat de rechters werden vervangen vanwege gebrek aan vertrouwen.

De wrakingskamer heeft beoordeeld dat minderjarigen onder gezag staan en volgens artikel 245 van Pro boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet zelf verzoeken bij de rechter kunnen indienen. Dit geldt ook voor een wrakingsverzoek. Hoewel de minderjarigen een brief hebben gestuurd met het verzoek om een informele rechtsingang, is hierover nog geen beslissing genomen en is dit geen formele procedure.

Daarom is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer kan het verzoek niet in behandeling nemen omdat de minderjarigen volgens de wet handelingsonbekwaam zijn en niet zelfstandig procedures kunnen starten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek van de minderjarigen is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet zelfstandig verzoeken bij de rechter kunnen indienen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer C/03/349747 / HA RK 26-33
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van de minderjarige
[verzoekster] ,
verzoekster,
mede namens haar minderjarige broer,
[minderjarigen],
hierna samen ook te noemen: de minderjarigen,
dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit
mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters.

1.De procedure

Op 23 februari 2026 is er een zitting van de meervoudige familiekamer gepland waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/278317FA RK-20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/342186/ JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
Daarnaast hebben de minderjarigen een brief naar de rechtbank geschreven om een “informele rechtsingang” te krijgen. Hierover is door de rechtbank nog geen beslissing genomen.
De verzoekster heeft op 18 februari 2026, ook namens haar minderjarige broer, een wrakingsverzoek ingediend. De minderjarigen willen dat de rechters die deze zaken op 23 februari 2026 gaan behandelen worden vervangen, omdat zij geen vertrouwen hebben in die rechters. Daarom hebben zij een verzoek gedaan aan de wrakingskamer om deze rechters te wraken. De drie rechters van de wrakingskamer zijn andere rechters dan de rechters die over de andere, hierboven genoemde verzoeken moeten beslissen.
Op 19 februari 2026 heeft een van de rechters van de familiekamer, mede namens de andere twee rechters, de wrakingskamer laten weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berusten. Dit betekent dat zij niet vinden dat zij moeten stoppen met de behandeling van de zaken die op 23 februari 2026 zullen worden behandeld.

2.De beoordeling

De wrakingskamer moet, als zij naar dit wrakingsverzoek kijkt, zich houden aan de regels van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels schrijven onder andere voor wie wél en wie niet een procedure bij de rechter kan starten. Het verzoek tot vervanging van de rechters dat de minderjarigen hebben ingediend is zo’n procedure.
De minderjarigen die het wrakingsverzoek hebben ingediend zeggen dat zij vanuit hun positie als minderjarigen met een eigen rechtsingang de rechters van de meervoudige familiekamer wraken.
In artikel 245 van Pro boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staat geschreven dat minderjarigen onder gezag staan. In datzelfde artikel staat geschreven dat minderjarigen niet zelf verzoeken bij de rechter kunnen doen. Dat moet gedaan worden door degene die het gezag over hen heeft. Minderjarigen zijn, wat de wet betreft, handelingsonbekwaam. In artikel 250 van Pro boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt hierop wel een uitzondering genoemd, maar die uitzondering is hier niet van toepassing.
Het klopt dat er een brief bij de familiekamer is binnengekomen waarin beide minderjarigen vragen om een informele rechtsingang. Maar hierop is nog geen beslissing genomen door de familiekamer, bovendien is dit geen formele procedure en zijn de minderjarigen geen partij.
Een minderjarige kan dus zelf geen verzoeken bij de rechter indienen en dat geldt ook voor een verzoek tot wraking. Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek van de minderjarigen niet in behandeling kan nemen en dat de minderjarigen, zoals in de wet staat ‘niet-ontvankelijk’ in hun verzoek zijn.

3.De beslissing

De wrakingskamer
- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. M.M. Beije en
mr. W.F.J. Aalderink, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op
19 februari 2026.