ECLI:NL:RBLIM:2026:4122

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
12001800 \ CV EXPL 25-5678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Berg Jeths-van Meerwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering geldlening wegens onvoldoende bewijs schenking en kwijtschelding

Eiser heeft tussen april 2022 en mei 2025 meerdere bedragen aan gedaagden overgemaakt, waarvan een deel is terugbetaald. Eiser vordert betaling van € 5.589,77 wegens niet terugbetaalde geldleningen, vermeerderd met rente en incassokosten.

Gedaagden erkennen een schuld van € 1.540,00, maar betwisten het overige bedrag en stellen dat dit deels schenkingen betreft en dat de schuld op 18 juni 2025 is kwijtgescholden. De rechtbank stelt vast dat op grond van stellingen en whatsapp-berichten een bedrag van € 4.790,00 als geldlening is verstrekt.

De stelling van gedaagden dat sprake is van schenking wordt niet voldoende onderbouwd. Ook het beroep op kwijtschelding wordt verworpen omdat betalingsafspraken en overboekingen wijzen op voortzetting van de terugbetalingsverplichting.

De rechtbank wijst de vordering toe tot € 4.857,72 inclusief rente en matigt de buitengerechtelijke incassokosten tot € 730,84. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagden tot betaling van de volledige geldlening inclusief rente en incassokosten, en wijst het beroep op schenking en kwijtschelding af.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12001800 \ CV EXPL 25-5678
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: TeRecht Gerechtsdeurwaarders en Incasso B.V.,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. O.D. Nijenhuis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 15 april 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft in de periode van april 2022 tot en met mei 2025 meerdere bedragen overgemaakt aan [gedaagden] . Een overzicht van de overboekingen is hieronder weergegeven.
[afbeelding geanonimiseerd]
2.2.
[gedaagden] hebben een deel van deze bedragen terugbetaald, waarvan een overzicht hieronder is opgenomen.
[afbeelding geanonimiseerd]

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [gedaagden] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.589,77 (€ 4.790,00 aan hoofdsom,
€ 67,72 aan rente en € 732,05 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat tussen partijen een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagden] tekortschieten in de nakoming van hun verplichting tot terugbetaling.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagden] erkennen een schuld van € 1.540,00. Voor het overige betwisten zij de vordering en stellen dat de door [eiser] overgemaakte bedragen geen geldleningen betreffen, maar (deels) schenkingen, zodat geen terugbetalingsverplichting bestaat. Daarnaast beroepen zij zich op kwijtschelding van de schuld op 18 juni 2025.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vaststaande bedragen ten aanzien van bestaan van de geldlening
4.1.
De vordering van [eiser] strekt tot nakoming van een gestelde geldleningsovereenkomst. Op grond van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [eiser] de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de door hem gestelde geldlening.
4.2.
Partijen hebben ter mondelinge behandeling verklaard dat in ieder geval een bedrag van € 1.540,00 als geldlening is verstrekt. Dit bedrag staat daarmee tussen partijen vast.
4.3.
Daarnaast blijkt uit de door [eiser] overgelegde whatsapp-berichten (productie 1) dat [gedaagde 1] op 16 november 2023 aan [eiser] heeft geschreven:
“Ik alles betaal terug jou 780 euro”. De kantonrechter leidt hieruit af dat [gedaagde 1] een verplichting tot terugbetaling van een bedrag van € 780,00 erkent.
4.4.
Gelet op het voorgaande staat vast dat [gedaagden] in ieder geval een bedrag van € 2.320,00 (€ 1.540,00 + € 780,00) aan [eiser] verschuldigd zijn uit hoofde van geldleningen.
Het resterende bedrag, schenking of geldlening?
4.5.
Er resteert dan nog een bedrag van € 2.470,00 (hoofdsom ad € 4.790,00 minus
€ 2.320,00). Ten aanzien van dit bedrag dient te worden beoordeeld of dit eveneens als geldlening moet worden aangemerkt.
4.6.
Vaststaat dat [eiser] op 15 januari 2025 een bedrag van € 2.000,00 aan [gedaagden] heeft overgemaakt. Dit blijkt uit het door [eiser] bij dagvaarding overgelegde rekeningafschrift (zie weergegeven onder rechtsoverweging 2.1.). [eiser] stelt dat dit bedrag als geldlening is verstrekt omdat [gedaagde 2] dit nodig had voor de aanschaf van een machine ten behoeve van het uitdeuken van auto’s. [gedaagden] betwisten niet dat zij dit bedrag hebben ontvangen en dat het bestemd was voor de aanschaf van deze machine, maar zij stellen zich op het standpunt dat het bedrag door [eiser] aan hen is geschonken. Gelet op de stellingen van partijen zal eerst worden beoordeeld of de stelling van [eiser] , dat sprake is van een lening, uit zijn stellingen kan worden opgemaakt.
4.7.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling een verzonden whatsapp-bericht van 15 januari 2025 tijdens de mondelinge behandeling laten zien, waarin een foto is opgenomen van een handgeschreven briefje/overzicht. Op dit briefje/overzicht staat een totaalbedrag van € 2.500,00 vermeld, uitgesplitst in € 300,00 onder de naam van [gedaagde 1] en € 2.200,00 onder de naam van [gedaagde 2] . Dit bericht is door [eiser] aan [gedaagde 1] verzonden, waarop zij heeft gereageerd met
“dank je wel”. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt voldoende dat partijen tenminste aanvankelijk een lening zijn aangegaan.
4.8.
Dit betekent dat [gedaagden] hun stelling, dat toch sprake was van een schenking, moeten onderbouwen. Voor het aannemen van een schenking is vereist dat [eiser] de bedoeling had om het bedrag zonder tegenprestatie aan [gedaagden] te verstrekken. [gedaagden] hebben geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit een dergelijke bedoeling blijkt. Zij hebben hun stelling dat sprake is van een schenking niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld afspraken en verklaringen van [eiser] waaruit volgt dat geen terugbetalingsverplichting zou bestaan.
4.9.
Ook uit de overgelegde whatsapp-berichten blijkt niet dat sprake is van een schenking. In geen van deze berichten wordt vermeld dat de betreffende bedragen zonder terugbetalingsverplichting zijn verstrekt. Uit de whatsapp-berichten blijkt wel een patroon van geldvragen door [gedaagde 1] en toezeggingen van haar dat deze bedragen worden terugbetaald. Dat duidt op een lening en niet op een schenking. De kantonrechter betrekt bij haar oordeel ook het feit dat uit de overboekingen blijkt dat bij andere betalingen wél expliciet is vermeld dat sprake was van een schenking, zoals bij de bedragen € 25,00 op
13 november 2024 en 3 december 2024, waarbij als omschrijving respectievelijk
“verjaardagskado voor je”en
“verjaardagskado voor [gedaagde 2] ”is opgenomen (zie weergegeven onder rechtsoverweging 2.1.). Het ontbreken van een dergelijke omschrijving bij de overige betalingen wijst eerder op het bestaan van een geldlening.
4.10.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] hun stelling dat sprake is van een schenking niet deugdelijk hebben onderbouwd zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat. Dit betekent dat het volledige bedrag van € 4.790,00 als geldlening aan [gedaagden] is verstrekt en door hen aan [eiser] dient te worden terugbetaald.
Kwijtschelding?
4.11.
[gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [eiser] bij een videogesprek op 18 juni 2025 de resterende schuld heeft kwijtgescholden. Dit beroep op kwijtschelding is aan te merken als een bevrijdend verweer, zodat de bewijslast daarvan ook op [gedaagden] rust.
4.12.
[gedaagden] hebben ter onderbouwing van hun stelling gewezen op de langere relatie tussen partijen, de goede verstandhouding en het ontbreken van concrete afspraken over terugbetaling. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] de schuld heeft willen kwijtschelden. Dit klemt te meer nu uit een door [gedaagden] verrichte overboeking van 29 juli 2025 blijkt dat zij juist zijn uitgegaan van het bestaan van een terugbetalingsverplichting. Bij die betaling is als omschrijving opgenomen:
“ [gedaagde 1] , 50 euro termijn 1 x maanden afgesproken je heb mij beloofd”.De kantonrechter leidt hieruit ook af dat [gedaagden] uitgaan van een tussen partijen gemaakte betalingsregeling van € 50,00 per maand. Ook blijkt uit een whatsapp-bericht van 11 augustus 2025 dat [gedaagde 1] schrijft:
“Kan ik je spreken? Voor oplossing aub.vorige maand heb ik 50 euro betaald. We hebben afgesproken per maand.”De omschrijving op de overboeking van 29 juli 2025 en het whatsapp-bericht van 11 augustus 2025 duiden op het voortbestaan van een betalingsverplichting en zijn moeilijk verenigbaar met de door [gedaagden] gestelde eerdere kwijtschelding op
18 juni 2025.
4.13.
Gelet op het voorgaande hebben [gedaagden] hun beroep op kwijtschelding onvoldoende onderbouwd. Niet is komen vast te staan dat [eiser] de schuld heeft kwijtgescholden. Het beroep op kwijtschelding wordt daarom verworpen.
Conclusie
4.14.
De vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4.857,72 (hoofdsom ad
€ 4.790,00 plus wettelijke rente ad € 67,72).
Buitengerechtelijke incassokosten
4.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De door [eiser] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voldoet niet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen, nu een hoger bedrag wordt gevorderd dan op grond van het Besluit is toegestaan. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden gematigd tot het toegestane tarief van € 604,00. [eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw (€ 126,84). Daarom zal een bedrag van € 730,84 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
Proceskosten
4.16.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,81
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.268,81
4.17.
Voor zover [eiser] aanspraak maakt op vergoeding van btw over het salaris van de gemachtigde, de nakosten en het griffierecht, wordt dit afgewezen. Het salaris van de gemachtigde en de nakosten betreffen een forfaitaire vergoeding en zijn niet aan te merken als een met btw belaste dienst. [1] Over het griffierecht is geen btw verschuldigd.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.857,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 4.790,00, met ingang van 6 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 730,84 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.268,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.liquidatietarief-rechtbanken-en-gerechtshoven-per-1-februari-2026