ECLI:NL:RBLIM:2026:4118

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
12058956 \ AZ VERZ 26-7
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 lid 1 BWArt. 7:672 lid 8 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onderdeel a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven en onregelmatig

De werknemer was sinds september 2023 in dienst als keukenhulp bij de werkgever. Er ontstond een persoonlijke en seksueel getinte WhatsApp-correspondentie tussen de werknemer en haar leidinggevende, wat leidde tot spanningen binnen het bedrijf. De werkgever sprak op 9 november 2025 via WhatsApp over het zoeken van een andere baan, maar gaf het ontslag op staande voet pas formeel aan op 20 november 2025.

De kantonrechter stelde vast dat het ontslag niet onverwijld was gegeven, zoals vereist volgens artikel 7:677 lid 1 BW Pro, omdat er een aanzienlijke tijdsverloop zat tussen het ontstaan van de dringende reden en de mededeling van het ontslag. Hierdoor is het ontslag op staande voet ongeldig verklaard. De werknemer trok haar primaire verzoek tot vernietiging in, maar handhaafde haar subsidiaire vorderingen.

De rechter kende de werknemer een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe, gebaseerd op een opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever, een transitievergoeding, een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, achterstallig loon over november 2025, pro rato vakantiegeld, betaling van overuren en een bruto/netto specificatie. Tevens werden de proceskosten aan de werkgever opgelegd.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de wettelijke rente wordt toegewezen over de vergoedingen en kosten vanaf de respectievelijke data.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven en ongeldig, waardoor de werknemer recht heeft op diverse vergoedingen en achterstallig loon.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12058956 \ AZ VERZ 26-7
Beschikking van 6 mei 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: Boskamp & Willems Advocaten,
tegen
[verwerende partij] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de mondelinge behandeling op 9 maart 2026
- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 22 april 2026
- de spreekaantekeningen van [verzoekende partij] .
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekende partij] , geboren [geboortedag] 1999, is sinds 1 september 2023 in dienst bij [verwerende partij] . De functie van [verzoekende partij] is keukenhulp met een loon van € 2.306,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. De cao voor het Horeca- en Aanverwante bedrijf is van toepassing.
2.2.
[verzoekende partij] had met haar leidinggevende, de heer [leidinggevende] , regelmatig contact per Whatsapp. Na verloop van tijd is de aard van de contacten persoonlijker geworden en zijn er seksueel getinte berichten uitgewisseld.
2.3.
De partner van [leidinggevende] is hiervan op de hoogte gekomen en heeft [verzoekende partij] per Whatsapp benaderd. De inhoud van dit bericht was voor van [verzoekende partij] aanleiding dit bij [leidinggevende] te melden. De reactie van [leidinggevende] op deze mededeling was vervolgens voor [verzoekende partij] aanleiding om het voorafgaande berichtenverkeer tussen [leidinggevende] en [verzoekende partij] te delen met twee van haar collega’s. Dit is [leidinggevende] ter ore gekomen.
2.4.
[leidinggevende] bericht op 9 november 2025 [verzoekende partij] via whatsapp. Hij schrijft onder meer het volgende:
“Neem aan dat je begrijpt dat je een andere baan mag zoeken”;
“Ik zie je ontslag brief wel verschijnen in mijn mail”;
“Je mag in je ontslag brief zetten dat we per 9 november met wederzijds goedkeuren het contract hebben ontbonden”.
2.5.
[verzoekende partij] heeft zich op 11 november ziek gemeld.
2.6.
De gemachtigde van [verzoekende partij] heeft [verwerende partij] op 20 november 2025 een brief gestuurd en de gelegenheid geboden om het dienstverband met wederzijds goedvinden te beëindigen. [verwerende partij] reageert op 20 november 2024 per e-mail en schrijft het volgende:

[verzoekende partij] is op staande voet ontslagen wegens smaad en indiscreet gedrag naar mij en haar (minderjarige) collega’s toe. Ze is niet ziek, maar heeft geen zin meer om te komen werken, omdat noch ik noch haar mannelijke collega’s op haar avances zijn ingegaan.
Als ze een man zoekt moet ze gebruik maken van een datingsite en niet een dienstbetrekking aangaan met het doel de baas proberen te versieren.
Mijn partner heeft haar op 9 november jl. nog een app gestuurd waarin ze haar grensoverschrijdend gedrag verwijt en haar erop aanspreekt onze relatie kapot te willen maken.
Ik stel [verzoekende partij] aansprakelijk voor alle schade in de ruimste zin van het woord door alle handelingen die ze heeft verricht en nog wil verrichten jegens mij.
Bijgaand een voorbeeld om bovenstaande te onderbouwen. Een foto die [verzoekende partij] mij recent en ongevraagd toestuurde van haar slaapplek. Uit niets blijkt dat zij zich niet veilig zou voelen binnen mijn bedrijf, in tegenstelling zelfs. Buiten dat weigert [verzoekende partij] ieder verzoek van mij om haar sleutel die toegang geeft tot het bedrijfspand maar tevens ook privé-verblijf in te leveren, zodat ze zich ongewenst nog toegang kan verschaffen, wat ik zeer ongewenst vind.”
2.7.
[verwerende partij] heeft vanaf 1 november 2025 geen loon meer betaald aan [verzoekende partij] .
2.8.
Vanaf 1 februari 2026 heeft [verzoekende partij] een nieuwe baan.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt de kantonrechter primair het ontslag op staande voet te vernietigen en [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van het loon inclusief het gemiddelde aantal overuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente
Subsidiair, als het ontslag in stand blijft, maakt [verzoekende partij] aanspraak op het volgende:
  • de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging ad € 27.029,25 bruto;
  • de transitievergoeding ad € 2.884,66 bruto;
  • de billijke vergoeding ad € 27.029,25 bruto;
  • het achterstallig loon over november 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • het pro rato opgebouwd vakantiegeld tot aan de datum dat het dienstverband eindigt, en betaling van eventueel openstaande maar niet genoten verlofdagen.
Zowel primair als subsidiair verzoekt [verzoekende partij] betaling van 279,97 overuren, te vermeerderen met de wettelijke rente en om verstrekking van bruto/netto specificaties op straffe van een dwangsom. Tot slot verzoekt [verzoekende partij] om veroordeling van [verwerende partij] in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [verzoekende partij] aan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Er is geen sprake van een dringende reden en het ontslag is ook niet onverwijld gegeven.

4.De beoordeling

Vooraf
4.1.
Op 9 maart 2026 zou de mondelinge behandeling van deze zaak hebben plaatsgevonden. [verwerende partij] heeft echter kort voor die mondelinge behandeling per e-mail verzocht om uitstel omdat hij bij nader inzien niet zelf verweer wilde voeren maar daarvoor een advocaat wilde inschakelen. Dit verzoek is gehonoreerd en de mondelinge behandeling is aangehouden tot 22 april 2026. [verwerende partij] is echter niet verschenen en heeft overigens ook geen inhoudelijk verweer meer ingediend.
[verzoekende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar primaire verzoek tot het vernietigen van het ontslag op staande voet ingetrokken, onder handhaving van haar subsidiaire verzoeken, zodat zij aanspraak maakt op de gevorderde vergoedingen, het loon over november 2025 en de betaling van de overuren.
Is het ontslag op staande voet terecht gegeven?
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet reeds niet rechtsgeldig is omdat dit niet onverwijld is gegeven. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
4.3.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
4.4.
Uit vaste rechtspraak [1] volgt dat de eis van onverwijldheid een rol speelt vanaf het moment dat bij de tot ontslag bevoegde functionaris het vermoeden van een dringende reden is ontstaan. De vraag wanneer van een vermoeden van een dringende reden kan worden gesproken, moet aan de hand van subjectieve criteria beantwoord worden. Dit betekent dat het moment waarop de betreffende persoon daadwerkelijk kennis had van de dringende reden beslissend is. [2] Bij de beoordeling hoeveel tijd mag verstrijken vanaf het ontstaan van het vermoeden van een dringende reden tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, zijn de omstandigheden van het geval beslissend. [3] In dat verband moet met name worden gelet op de mate van onderzoek die vereist is, hetgeen afhankelijk is van de complexiteit van de verdenking. De werkgever moet niet overhaast, maar wel steeds voortvarend te werk gaan. De stelplicht en de bewijslast dat een ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, liggen bij de partij die de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. [4]
4.5.
De vraag is wanneer het ontslag op staande voet is gegeven. Uit de aangehaalde whatsappberichten (r.o. 2.4) blijkt dat [verwerende partij] aan [verzoekende partij] meldt dat ze een ander baan mag zoeken en dat ze een ontslagbrief moet indienen met daarin de mededeling dat de arbeidsovereenkomst op 9 november is beëindigd met wederzijds goedvinden. Dat is geen mededeling waaruit zonder gerede twijfel volgt dat de werknemer ontslagen is op staande voet (de te ondernemen actie ter beëindiging van het dienstverband wordt zelfs bij de werkneemster gelegd) en deze kan dus ook niet dienen als mededeling van het ontslag op staande voet.
Naar aanleiding van correspondentie met de gemachtigde van [verzoekende partij] bericht [verwerende partij] bij e-mail van 20 november 2025: “ [verzoekende partij] is ontslagen op staande voet omdat …..”. Dit is de eerste keer dat [verwerende partij] bericht dat [verzoekende partij] is ontslagen op staande voet. Omdat in dit bericht ook geen verwijzing naar een andere datum is opgenomen gaat de kantonrechter er van uit dat het hier de aanzegging van het ontslag op staande voet betreft en wel per de datum van dit schrijven, 20 november 2025. Daarmee is dit de ontslagdatum op grond waarvan de onverwijldheid moet worden beoordeeld.
4.6.
In deze zaak is [verwerende partij] op 9 november 2025 ervan op de hoogte gekomen dat [verzoekende partij] de inhoud van het berichtenverkeer heeft gedeeld met twee collega’s. De mededeling van het ontslag op staande voet is echter van 20 november 2025. Gelet op het tijdsverloop tussen deze twee data en de (aard van de) aangevoerde ontslaggrond komt, zonder een nadere toelichting die ontbreekt, niet vast te staan dat het ontslag op staande voet voldoende snel is gegeven. De conclusie luidt daarom dat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de onverwijldheidseis en reeds om deze reden ongeldig is.
4.7.
Nu [verzoekende partij] het verzoek tot vernietiging van het ontslag heeft ingetrokken blijft het in stand. Het is echter wel onregelmatig zodat [verzoekende partij] recht heeft op de hierna te bespreken vergoedingen.
Gefixeerde schadevergoeding door de onregelmatige opzegging
4.8.
De partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. [5] Die vergoeding is gelijk aan het loon dat verschuldigd zou zijn bij het in acht nemen van een rechtsgeldige opzegtermijn.
4.9.
In dit geval is sprake van een overeenkomst voor bepaalde tijd. Daarin is in artikel 2 de Pro mogelijkheid van tussentijdse opzegging met een termijn van twee maanden opgenomen. Er staat niet bij voor wie deze termijn geldt zodat ze op beide partijen van toepassing is. [verzoekende partij] betoogt dat deze termijn niet geldig is nu ze niet differentieert tussen de werkgeefster en de werkneemster (artikel 7:672 lid 8 BW Pro. Indien een afwijkende opzegtermijn wordt overeengekomen is die voor de werkgever twee keer zolang als voor de werknemer). Het gevolg is dat tussentijdse opzegging (alsnog) niet mogelijk is. Loon is verschuldigd tot het einde van de overeenkomst voor bepaalde tijd en de gefixeerde schadevergoeding moet ook op dat bedrag gesteld worden.
4.10.
Anders dan [verzoekende partij] is de kantonrechter van oordeel dat het opnemen van een onjuiste opzegtermijn niet tot gevolg heeft dat opzegging niet mogelijk is. De sanctie op het opnemen van een onjuiste opzegtermijn is vernietigbaarheid van die termijn door de werknemer. [6] Dan geldt de wettelijke opzegtermijn. Dat is echter niet wat werkneemster in dit geval beoogt. De gedachte achter de wettelijke regeling van artikel 7:672 lid 8 BW Pro is de werkgever er van te doordringen dat het verlengen van de opzegtermijn voor de werknemer ook voor hem gevolgen heeft, een verdubbeling van die termijn, zodat daartoe niet te gemakkelijk wordt besloten. Die gedachte komt tot zijn recht door de opzegtermijn voor de werkgever in dit geval te converteren naar een termijn van vier maanden, het dubbele van de termijn die voor werkneemster geldt.
4.11.
Bij een regelmatige opzegging zou het dienstverband dus geëindigd zijn per 30 maart 2026. De gefixeerde schadevergoeding zal daarom worden vastgesteld op een bedrag van € 12.596,34 bruto. Bij de berekening is uitgegaan van een maandloon van € 2.884,66 (inclusief vakantiegeld en gemiddeld aantal overuren, waarover hierna meer). Daarom heeft [verzoekende partij] recht op 11/30 van € 2.884,66 = € 1.057,70 en 4 x € 2.884,66 = € 11.538,63. Dit levert een totaalbedrag van € 12.596,34 bruto op. [verwerende partij] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
De transitievergoeding
4.12.
Het verzoek tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Er is geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekende partij] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [7] [verwerende partij] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 2.484,01 bruto bedraagt. Daarbij geldt dat bij de berekening van dat bedrag moet worden uitgegaan van een duur van het dienstverband dat zou hebben gegolden bij een regelmatig ontslag door [verwerende partij] . De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 21 december 2025.
De billijke vergoeding
Het verzoek van [verzoekende partij] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [8] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt zodat aan het vereiste voor het toekennen van een billijke vergoeding is voldaan. [9]
4.13.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [10] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
Tenslotte moet ook gelet worden op “inkomsten” die de werknemer verworven heeft die hij/zij niet ontvangen zou hebben als de dienstbetrekking gewoon had voortgeduurd. Daarbij moet onder andere gedacht worden aan de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, uitkering en elders verdiend loon.
4.14.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 2.000,00. Gelet op de duur van het dienstverband (iets meer dan 2 jaar) en de overige toegekende vergoedingen is de grond daarvoor voornamelijk gelegen in de wens [verwerende partij] te doordringen van het feit dat haar handelen geen pas geeft en de hoop in voorkomende gevallen soortgelijk gedrag te voorkomen.
4.15.
[verwerende partij] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Het achterstallig loon
4.16.
[verzoekende partij] heeft recht op loon, omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekende partij] tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen tot en met 20 november 2025. Bij de berekening van het loon is uitgegaan van het brutoloon van € 2.306,00 bruto per maand en het gemiddeld aantal overuren waarvan niet is betwist dat deze zijn gemaakt. Dit resulteert in een brutoloon van € 2.670,98.
Horeca [leidinggevende] heeft het loon vanaf 1 november 2025 niet meer betaald. [verzoekende partij] heeft zich op 11 november 2025 ziek gemeld. Volgens de cao is er bij ziekte eerst een wachtdag, terwijl het salaris c.q. ziekengeld daarna volgens artikel 7.2. 95% bedraagt. Van 1 tot 10 november 2025 is het te betalen loon € 890,30 (10 x € 89,03), over 11 november 2025 is geen loon verschuldigd en over de periode van 12 tot 20 november 2025 € 676,65 bruto (€ 89,03 x 8 x 0,95%). Aan achterstallig loon wordt daarom € 1.566,95 bruto toegewezen.
De gevorderde wettelijke verhoging zal ook worden toegewezen, omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald.
Pro rato vakantiegeld en niet genoten verlofdagen tot 20 november 2025
4.17.
[verzoekende partij] heeft recht op uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld tot aan het einde van het dienstverband en de opgebouwde maar niet genoten verlofdagen. Het verzoek dat hierop ziet wordt daarom toegewezen. Daarbij dient uitgegaan te worden van een brutoloon van € 2.670,98 per maand.
Bruto/netto specificaties
4.18.
De betaling van alle hiervoor genoemde bedragen dient vergezeld te gaan van een bruto/netto specificatie. Dit verzoek wordt daarom ook toegewezen. Aan de gevorderde dwangsom wordt een maximum verbonden van € 10.000,00.
Vergoeding voor overuren
4.19.
[verzoekende partij] stelt dat zij recht heeft op betaling van 279,97 overuren. [verwerende partij] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat in deze procedure wordt uitgegaan van het aantal overuren zoals door [verzoekende partij] is gesteld. Ook dit verzoek wordt daarom toegewezen, waarbij het bruto maandloon van € 2.670,98 als uitgangspunt geldt.
Over het te betalen bedrag is [verwerende partij] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van betaling.
[leidinggevende] Horca betaalt de proceskosten
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,000 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 12.596,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 20 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] een transitievergoeding te betalen van € 2.484,01 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] een billijke vergoeding te betalen van € 2.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [verwerende partij] om aan [verzoekende partij] te betalen een bedrag van € 1.566,95 bruto aan achterstallig loon vanaf 1 november 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van betaling,
5.5.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] van het opgebouwde pro rato vakantiegeld tot 20 november 2025 en van eventueel opgebouwde maar niet genoten verlofdagen tot 20 november 2025,
5.6.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende partij] van een bedrag overeenkomend met 278,97 overuren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van betaling,
5.7.
veroordeelt [verwerende partij] tot verstrekking aan [verzoekende partij] van deugdelijke bruto/netto specificatie, waarin de in 5.1., 5.2, 5.3, 5.4., 5.5 en 5.6. genoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 dat [verwerende partij] binnen een maand na vandaag in gebreke blijft hieraan te voldoen,
5.8.
veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend],
5.9.
veroordeelt [verwerende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [11] ,
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 15 februari 1980, NJ 1980/328 (GTM)
2.HR 27 april 2001, NJ 2001/421 (Wennekes Lederwaren)
3.zie HR 15 februari 1980,
4.HR 27 september 1996,
5.Artikel 7:677 lid 2 BW Pro
6.ECLI:HR:2015:1192
7.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
8.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
10.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
11.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.