Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4112

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/03/350613 / JE RK 26-492 + 350443
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Mil
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 29a lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing bij moeder in belang van minderjarigen

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], bij hun moeder. De minderjarigen verblijven momenteel bij de moeder, terwijl het gezag bij beide ouders berust. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen, vooral door de instabiele en onveilige opvoedingssituatie bij de vader.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders aanwezig. De GI was verhinderd. [Minderjarige 1] heeft haar mening kenbaar gemaakt en geeft aan graag bij de moeder te willen blijven. [Minderjarige 2] was niet aanwezig. De moeder stemt in met de verlenging, terwijl de vader verzet voert tegen de ondertoezichtstelling en de plaatsing bij de moeder, onder meer vanwege meningsverschillen over de zorg en contactmomenten.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd door de situatie bij de vader, die geen inzicht toont in de problematiek en geen medewerking verleent aan hulpverlening. De moeder maakt positieve ontwikkelingen door met intensieve thuisbegeleiding en multisysteemtherapie. De GI blijft noodzakelijk om de belangen van de kinderen te waarborgen. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden daarom verlengd voor de duur van een jaar, met onmiddellijke werking, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de moeder worden verlengd voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummers: C/03/350443 / JE RK 26-455 en C/03/350613 / JE RK 26-492
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [plaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [plaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 2] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van 6 maart 2026 inzake [minderjarige 2] (C/03/350443 / JE RK 26-455), met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026;
  • het verzoekschrift van 17 maart 2026 inzake [minderjarige 1] (C/03/350613 / JE RK 26-492), met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren van beide zaken zijn gevoegd behandeld en heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder.
De vertegenwoordiger van de GI was verhinderd wegens ziekte.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd.
[minderjarige 1] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] is niet verschenen en heeft geen mening gegeven.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 april 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 30 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 juni 2025 een machtiging verleend [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 11 juli 2025 tot 30 april 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 oktober 2025 een machtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de moeder, tot 30 april 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing heeft de GI het volgende gesteld. De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 2] woont sinds begin juli 2025 weer volledig bij moeder. [minderjarige 2] gaat de hele week naar speciaal basisonderwijs en zij wordt op dinsdag en donderdag opgehaald door Hoeve de Koalder. Daar blijft ze dan een nachtje slapen en zij brengen haar de volgende dag weer naar school. [minderjarige 2] zelf zou het liefst elke dag bij de moeder zijn, maar voor de moeder is deze ontlasting nodig.
3.3.
In september 2025 kwam de plaatsing van [minderjarige 1] bij tante onder druk te staan en sinds 7 oktober 2025 woont [minderjarige 1] ook bij de moeder. Voor [minderjarige 1] is Boxchainge ingezet, om emoties en gebeurtenissen te kunnen verwerken.
Een grote zorg blijft in de opvoedingssituatie van de vader en het contact tussen de vader en de kinderen. Dit is zowel voor de kinderen als voor de moeder moeilijk hoe hiermee om te gaan. Het is de GI tot op heden nog niet gelukt om een veilig contact tussen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de vader vorm te geven. Sinds het incident in december is met de begeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgesproken dat wordt teruggegaan naar een volledig begeleid belmoment. De vader heeft aangegeven hier niet aan mee te willen werken. De vader geeft aan dat wanneer de GI dit contact enkel begeleid wil laten plaatsvinden, hij overal mee zal stoppen en er geen contact meer tussen hen en de kinderen zal zijn. De vader schiet hierbij in de 'strijd' en uit dreigementen. De vader kan daarnaast op geen enkele manier instemmen met de plaatsing van de kinderen bij de moeder.
De GI is van mening dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] nog altijd in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging uithuisplaatsing voor een plaatsing bij de andere ouder met gezag moeten worden verlengd voor de duur van een jaar. Het komende jaar is de GI van mening dat er voor de opvoedsituatie van de moeder goed gemonitord moet blijven of er balans is tussen de draagkracht en draaglast van de moeder. Hiervoor wordt onder andere ITB opgeschaald naar MST.

4.De mening van de kinderen

4.1.
[minderjarige 1] heeft in een gesprek met de kinderrechter verklaard dat zij de ondertoezichtstelling fijn vindt en graag bij de moeder wil blijven wonen.
4.2.
[minderjarige 2] is niet verschenen en heeft daarom haar mening niet aan de kinderrechter kenbaar gemaakt.

5.De standpunten

5.1.
De moeder heeft ter zitting ingestemd met de verzoeken. De kinderen doen het goed, nu ze bij de moeder wonen. Voor de kinderen was er al ITB ingezet en sinds kort is ook de MST begonnen. MST vindt drie keer per week plaats en zal vijf maanden duren.
5.2.
De vader heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken. De vader vindt de ondertoezichtstelling maar niets. Ook is hij het er niet mee eens dat de kinderen bij de moeder wonen, omdat de moeder niet met [minderjarige 2] naar de diëtist gaat en haar chocolademelk geeft. De vader wil niet dat zijn belafspraak met de kinderen naar een andere dag gaat, want daar heeft hij geen tijd voor. De vader zegt dat de gezinsvoogd zich niets van hem aantrekt, dus trekt hij zich ook niets van de gezinsvoogd aan. De vader krijgt nergens reactie op, terwijl hij als gezagsouder recht heeft op informatie over de kinderen. Als de verzoeken worden toegewezen, gaat de vader in hoger beroep.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden nog steeds ernstig bedreigd, omdat de opvoedingssituatie van de vader nog altijd instabiel en onveilig is. Hoewel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar inmiddels niet meer verblijven, ervaren zij nog altijd de gevolgen van de traumatische gebeurtenissen van het huiselijk geweld wat zij daar hebben meegemaakt. Ook nu nog uit de vader verontrustende dreigementen naar de kinderen tijdens belmomenten. De vader toont geen enkel inzicht wat dat met de kinderen doet. Hij vindt dat de kinderen gewoon terug naar hem moeten komen. De enige problematiek die hij bij [minderjarige 2] ziet is lichamelijk, omdat hij vindt dat ze geen chocolademelk te drinken moet krijgen en naar de diëtist toe moet. De opvoedsituatie van de moeder was vroeger ook instabiel en onveilig, maar de moeder maakt een positieve ontwikkeling door met behulp van intensieve thuisbegeleiding (ITB) en multisysteemtherapie (MST).
6.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader geen probleeminzicht heeft en hulpverlening niet nodig vindt. Voor de moeder is het mede daardoor moeilijk om zonder de inzet van de GI zelfstandig de hulpverlening voor de kinderen te organiseren. Gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen. Er blijft regie nodig van de GI om de belangen van de kinderen voorop te stellen en de nodige hulp te organiseren voor de kinderen en de ouders.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
6.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de kinderen. [2] Gelet op de forse zorgen die speelden in de thuis- en opvoedsituatie van de vader is het duidelijk dat de kinderen in ieder geval op dit moment niet bij de vader kunnen wonen. De vader laat niet zien dat hij zich hierin ontwikkelt. Daarnaast geeft de vader nog altijd geen instemming voor het verblijf van de kinderen bij de moeder. Aangezien de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader is vastgesteld, maakt dat een machtiging van de kinderrechter noodzakelijk is om de kinderen bij de moeder te laten verblijven. Het is wel van belang dat de ondersteuning zicht blijft houden op de verhouding tussen de draagkracht en de draaglast van de moeder, nu deze voor de moeder fragiel blijft. De GI ziet dat de moeder het, met de ondersteuning van ITB, goed doet voor de kinderen en dat de kinderen het fijn hebben bij de moeder. Met de inzet van MST de komende maanden zal geprobeerd worden een duurzame verbetering in de opvoedsituatie te bereiken. Voortzetting van de plaatsing bij de moeder acht de kinderrechter daarom in het belang van de kinderen. Om de woonplek bij de moeder te verzekeren, zal de kinderrechter de verzoeken toewijzen en de machtigingen tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van een jaar.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, aldus bij de moeder, met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. Van Mil, rechter, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Groen-Witvliet als griffier, en op schrift gesteld op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.