ECLI:NL:RBLIM:2026:4103

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
12137962 \ CV EXPL 26-1077
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:2 BWArt. 6:119 BWArt. 3 lid 1 IVRKArt. 237 lid 4 RvArt. 555 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning na beëindiging huurovereenkomst Leegstandswet met ruimere termijn wegens minderjarige

Eisers zijn eigenaar van een woning die sinds 1 september 2025 op basis van de Leegstandswet wordt verhuurd aan gedaagden. De huurovereenkomst eindigde op 28 februari 2026, waarna eisers de woning op 4 november 2025 hebben opgezegd. Gedaagden zijn echter blijven wonen zonder recht of titel. Eisers vorderen ontruiming, betaling van contractuele boetes, gebruiksvergoeding en proceskosten.

Gedaagden zijn niet verschenen en verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat eisers een spoedeisend belang hebben bij ontruiming, omdat zij sinds het einde van de huurovereenkomst geen genot van hun eigendom hebben. De gevorderde contractuele boetes worden niet toegewezen omdat hiervoor nader feitenonderzoek nodig is en er geen spoedeisend belang bestaat. Eisers hebben bovendien al een deel van de schade gecompenseerd.

Er is een minderjarige van zeventien jaar in de woning aanwezig, wat aanleiding geeft tot een ruimere ontruimingstermijn van vier weken in plaats van de gebruikelijke twee weken. De gebruiksvergoeding wordt toegewezen voor de periode na 28 februari 2026 tot ontruiming. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot ontruiming, betaling van gebruiksvergoeding, proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming binnen vier weken en betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten, contractuele boetes worden niet toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12137962 \ CV EXPL 26-1077
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Verhagen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026,
- het tegen [gedaagden] verleende verstek.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] .
2.2.
[gedaagden] huren deze woning sinds 1 september 2025 op basis van de Leegstandswet waarvoor een vergunning is verleend. De overeengekomen einddatum van de huurovereenkomst is 28 februari 2026.
2.3.
[eisers] hebben met [gedaagde 2] een koopovereenkomst gesloten voor de woning aan [adres] . Doordat [gedaagden] na verkoop van hun eigen woning de gemaakte afspraken met [eisers] niet zijn nagekomen heeft er geen levering van voornoemde woning plaatsgevonden en is de koopovereenkomst tussen partijen ontbonden.
2.4.
[eisers] hebben op 4 november 2025 de huurovereenkomst per brief opgezegd zodat deze op 28 februari 2026 is geëindigd.
2.5.
De gemachtigde van [eisers] heeft per brief van 3 maart 2026 [gedaagden] gesommeerd om uiterlijk 11 maart 2026 de woning te ontruimen en de sleutels te overhandigen.
2.6.
[gedaagden] hebben voornoemde woning tot het moment van de mondelinge behandeling nog niet verlaten.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter samengevat- [gedaagden] :
  • veroordeelt om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen en te verlaten onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] ,
  • hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een contractuele boete van € 12.000,00 (tot en met 12 maart 2026), vermeerderd met € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagden] na 12 maart 2026 onbevoegd gebruik maken van de woning,
  • hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs voor iedere maand dat [gedaagden] na 28 februari 2026 in de woning verblijven,
  • hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] stellen dat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. [gedaagden] hebben bij het aangaan van de huurovereenkomst uitdrukkelijk het tijdelijke karakter daarvan aanvaard. Daarnaast handelen [gedaagden] in strijd met artikel 19 van Pro de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen door de woning niet tijdig op te leveren. [gedaagden] zijn op grond van artikel 11.1 sub c van de huurovereenkomst een direct opeisbare boete verschuldigd van € 1.000,00 per dag voor iedere dag dat de overtreding langer duurt. Zolang [gedaagden] in de woning verblijven, kunnen [eisers] de woning niet verkopen. Hierdoor lijden [eisers] schade. [eisers] vorderen daarom de ontruiming op een zo kort mogelijke termijn toe te wijzen.
3.3.
[gedaagden] zijn niet verschenen en hebben aldus geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Verstekverlening
4.1.
[gedaagden] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van de dagvaarding is gebleken dat [gedaagden] correct en tijdig zijn opgeroepen voor de zitting van 16 april 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [gedaagden] .
Spoedeisend belang ontruimingsvordering en contractuele boetes
4.2.
[eisers] hebben bij hun dagvaarding voldoende aannemelijk gemaakt dat een ontruiming naar haar aard voldoende is om een spoedeisend belang aan te nemen. De huurovereenkomst is namelijk door [eisers] opgezegd en daarmee geëindigd op 28 februari 2026. Sindsdien verblijven [gedaagden] zonder recht of titel in de woning, terwijl [eisers] belang hebben bij het vrije genot van hun eigendom. Er kan niet in alle redelijkheid van [eisers] worden verlangd om hierin een bodemprocedure af te wachten. Daarmee staat voor de kantonrechter genoegzaam vast dat [eisers] een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde ontruiming.
4.3.
Voor de gevorderde contractuele boetes geldt dat daarvoor geen spoedeisend belang aanwezig is. Een dergelijke contractuele boete heeft vooral als doel om afschrikwekkend te werken. Voor de beoordeling van deze contractuele boete is nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig en daarvoor leent een behandeling in kort geding zich niet. Dit dient te worden voorbehouden aan de bodemrechter. Daar komt nog bij dat [eisers] tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard dat zij, nu de koopovereenkomst voor de woning niet is doorgegaan, de direct opeisbare boete van tien procent van de koopsom van [gedaagden] hebben ontvangen. Daarmee zijn [eisers] vooralsnog voldoende gecompenseerd in hun schade. Dit maakt dat de kantonrechter vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang niet oordeelt over de contractuele boetes.
Ontruiming van het gehuurde
4.4.
[eisers] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat [gedaagden] de woning nog niet hebben verlaten en dat zij dus nog steeds zonder recht of titel in de woning verblijven. Er is [eisers] gebleken dat er één meerderjarig en één minderjarig kind van thans zeventien jaar oud in de woning bij [gedaagden] verblijft.
4.5.
[eisers] vorderen ontruiming, omdat [gedaagden] zonder recht of titel in de woning verblijven. Artikel 5:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de eigenaar van een zaak bevoegd is haar van een ieder die haar zonder recht of titel houdt, op te eisen.
4.6.
Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.7.
Voorts merkt de kantonrechter op dat in een procedure tot ontruiming van een woning tot de relevante omstandigheden van het geval behoort of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt artikel 3 lid 1 IVRK Pro (Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind) mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht. Dit betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen. De belangen van in het gehuurde wonende kinderen moeten als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. [1]
4.8.
Vaststaat dat [eisers] als eigenaar van de woning een huurovereenkomst in het kader van de Leegstandswet met [gedaagden] hebben gesloten met als einddatum 28 februari 2026. Ook staat als onweersproken vast dat [eisers] de huurovereenkomst per brief van 4 november 2025 en dus tijdig hebben opgezegd. [gedaagden] verblijven dan ook zonder recht of titel in de woning. Nu het een huurovereenkomst betreft in het kader van de Leegstandswet genieten [gedaagden] geen huurbescherming. [gedaagden] wisten dat het verblijf in de huurwoning slechts tijdelijk zou zijn en door het ontbreken van de huurbescherming zij op zoek hadden moeten gaan naar andere woonruimte. [gedaagden] zijn niet verschenen ter zitting waardoor er geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat de kantonrechter daar in zijn oordeel rekening mee kan houden. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot ontruiming van de woning worden toegewezen. Het verblijf van een minderjarige in de woning die binnen afzienbare tijd de meerderjarige leeftijd bereikt, maakt dit oordeel van de kantonrechter niet anders. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om, in afwijking van de gebruikelijke twee weken, een ruimere ontruimingstermijn te bepalen. De ontruimingstermijn zal worden vastgesteld op vier weken na betekening van dit vonnis.
Gebruiksvergoeding
4.9.
[gedaagden] vorderen een gebruiksvergoeding voor de periode dat [gedaagden] na 28 februari 2026 langer in de woning verblijven. Nu de vordering tot ontruiming wordt toegewezen, zal ook de gevorderde gebruiksvergoeding worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[gedaagden] worden in de proceskosten veroordeeld
4.10.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
154,10
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
Totaal
976,10
4.11.
Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat ook een veroordeling tot betaling van de nakosten (artikel 237 lid 4 Rv Pro). Onder die nakosten vallen ook de kosten die gepaard gaan met een gedwongen ontruiming (geregeld in onder meer de artikelen 555 Rv e.v. jo 3:297 BW). De kostenveroordeling als bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv Pro levert dus voor alle kosten een executoriale titel op. Een afzonderlijke veroordeling en/of vermelding van de (eventuele) ontruimingskosten in het dictum is daarmee niet nodig. Omdat de ontruimingskosten niet op voorhand zijn te begroten, vallen zij onder artikel 237 lid 4 Rv Pro, waarvoor zo nodig van de rechter die het ontruimingsvonnis heeft gewezen een bevelschrift kan worden verkregen.
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Hoofdelijke veroordeling
4.13.
De veroordeling wordt ten aanzien van de toe te wijzen te betalen bedragen hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het bedrag) niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en de woning onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eisers] te stellen,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan [eisers] van een
gebruiksvergoeding gelijk aan de laatst geldende huurprijs voor iedere maand, of gedeelte daarvan, dat [gedaagden] na 28 februari 2026 in de woning verblijven, tot aan de dag der algehele ontruiming, waarbij de reeds ingegane maand gerekend wordt voor een hele maand,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 976,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2025: 1799.