Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:4028

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/497 en ROE 26/498
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning en last onder dwangsom voor dakkapel wegens strijd met redelijke eisen van welstand

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor legalisatie van een dakkapel op zijn garage, die zonder vergunning was gerealiseerd. De gemeente Roermond heeft de vergunning geweigerd vanwege strijd met de redelijke eisen van welstand, gebaseerd op een negatief advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (AOK). Tevens is een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding te beëindigen.

Eiser maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. Eiser stelde dat de last onder dwangsom onzorgvuldig was geformuleerd en dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie, mede vanwege gewekte verwachtingen over een positief welstandsadvies. De voorzieningenrechter oordeelde dat de last duidelijk en concreet was en dat de overtreding beëindigd moest worden door het verwijderen van de dakkapel of het verkrijgen van een vergunning.

De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en concludeerde dat er geen concreet zicht op legalisatie was, aangezien de vergunning terecht was geweigerd. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning en de last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummers: ROE 26/497 en ROE 26/498
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond

(gemachtigde: mr. S. Kamman en mr. N.M.N.L. Janssen).
Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[namen]uit [plaatsnaam] .

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2025 (hierna: het dwangsombesluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege een zonder omgevingsvergunning gerealiseerde dakopbouw/ dakkapel op een garage achter zijn woning aan [adres 1] in [plaatsnaam] .
Het daartegen ingediende bezwaar van eiser heeft verweerder bij besluit van 29 januari 2026 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser op 25 februari 2026 beroep ingesteld bij de rechtbank (bekend onder zaaknummer ROE 26/498) en eiser heeft aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (bekend onder zaaknummer ROE 26/497).
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partijen zijn eveneens verschenen.
Het verzoek is door de voorzieningenrechter gelijktijdig behandeld met de behandeling door de rechtbank van het beroep over de geweigerde omgevingsvergunning voor de dakkapel (zaaknummer ROE 25/2446).
Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep van eiser.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is eigenaar van de garage gelegen aan de [straatnaam] ongenummerd, kadastraal bekend sectie [kadastraal nummer] , in [plaatsnaam] . De garage is gelegen achter zijn woning aan [adres 1] in [plaatsnaam] in een hofje aan de [straatnaam] . De derde-partijen wonen op de naastgelegen adressen [adres 2] en [adres 3] .
2. Op 26 april 2024 heeft eiser een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor legalisatie van de dakkapel. De aanvraag had betrekking op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow).
3. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning bij het besluit van
30 juli 2024 geweigerd. Aan deze weigering heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de omgevingsplanactiviteit in strijd is met het omgevingsplan – welke strijd verweerder baseerde op een stedenbouwkundige afweging – en dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, onder verwijzing naar een uitgebracht negatief advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (hierna: de AOK) van 22 juli 2024. Op 2 september 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning.
4. Hangende de bezwaarprocedure tegen de geweigerde omgevingsvergunning heeft verweerder op 5 augustus 2025 een voornemen aan eiser kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom vanwege een zonder omgevingsvergunning gerealiseerde dakkapel. De aanleiding hiervoor was een ingediend handhavingsverzoek van 20 augustus 2024 van de derde-partijen en eerder uitgevoerde controles door verweerder van 27 september 2024 en 28 mei 2025. Verweerder heeft aan dat voornemen ten grondslag gelegd dat voor de gerealiseerde dakkapel een omgevingsvergunning nodig was voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Eiser heeft daartegen op 25 augustus 2025 zienswijzen ingediend.
5. Bij het dwangsombesluit heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd voor de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde dakkapel. Daarbij heeft verweerder eiser gelast om de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow te beëindigen en beëindigd te houden onder oplegging van een dwangsom ineens ter hoogte van 7.500 euro. Verweerder heeft daarvoor een begunstigingstermijn gesteld van twaalf weken, tot 25 november 2025. Verweerder heeft in de last opgenomen dat de overtredingen kunnen worden beëindigd door de dakkapel op de garage te verwijderen en verwijderd te houden én het dak te herstellen in de oorspronkelijke toestand en hersteld te houden.
6. Tegen het dwangsombesluit heeft eiser op 9 oktober 2025 bezwaar gemaakt. Op 12 november 2025 heeft eiser verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft daarop de begunstigingstermijn verlengd tot 16 maart 2026.
7. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft verweerder, naar aanleiding van de hoorzitting en na aanhouding in de bezwaarprocedure en gemaakte afspraken tussen partijen, beslist op het bezwaar van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning. Verweerder heeft daarbij het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de weigering in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Die gewijzigde motivering houdt in dat verweerder geen stedenbouwkundige afweging meer ten grondslag legt aan de weigering. De voorwaarden in het omgevingsplan zien namelijk alleen op cultuurhistorische waarden [1] en die worden niet geschaad door de dakkapel. Wel handhaaft verweerder de weigering op grond van strijd met de redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft daarbij ook aanvullend advies gevraagd bij de AOK in het kader van de vraag onder welke voorwaarden een dakkapel op de garage wel mogelijk zou zijn. Daarover is op 27 maart 2025 een e-mailbericht aan eiser verzonden, waarin eiser op de hoogte is gesteld van de voorwaarden waaronder het plan door de AOK vanuit het oogpunt van welstand aanvaardbaar kan worden geacht. Vervolgens heeft de AOK, ondanks aanpassingen in het bouwplan door eiser, op 1 september 2025 alsnog negatief geadviseerd in die zin dat een dakkapel op de garage in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft op basis van dat advies de weigering van de omgevingsvergunning bij het bestreden besluit in stand gelaten.
8. Eiser heeft tegen het besluit van 6 oktober 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op dat beroep doet de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak, separaat uitspraak.
Het bestreden besluit
9. Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen het dwangsombesluit. Verweerder heeft daarbij het bezwaar ongegrond verklaard en het dwangsombesluit ongewijzigd in stand gelaten. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank en heeft aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 26 februari 2026 heeft verweerder ingestemd met verdere opschorting van de begunstigingstermijn tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter doet in deze uitspraak, uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening en op het beroep van eiser in de handhavingszaak.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Uitgangspunten voor de beoordeling
10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat eiser niet heeft betwist dat voor de reeds gerealiseerde dakkapel een omgevingsvergunning is vereist en dat eiser daarover ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet beschikte. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat door het realiseren van de dakkapel zonder daartoe vereiste omgevingsvergunning ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
11. Op grond van vaste rechtspraak [2] geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De formulering van de last
12. Eiser stelt dat ten onrechte de last is opgelegd om elke opbouw aan de garage te verwijderen en verwijderd te houden, waardoor eiser ook geen nieuwe dakkapel mag realiseren die wel voldoet aan de eisen die verweerder heeft gesteld. Eiser vindt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door die optie niet concreet in de last op te nemen, terwijl daarvoor volgens eiser wel een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning in voorbereiding was.
13. De voorzieningenrechter volgt eiser hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
13.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. De rechtvaardiging voor het opleggen van een last onder dwangsom kan uitsluitend gelegen zijn in het feit dat sprake is van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens een wettelijk voorschrift. Dit betekent dat de last onder dwangsom uitsluitend kan zijn gericht op de beëindiging van die overtreding. Daarbij dient de overtreder een keuze te worden gelaten ten aanzien van de middelen die hij wil toepassen om aan de overtreding een einde te maken.
13.2.
Anders dan eisers stelt, ziet de last op het beëindigen en beëindigd houden van de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow vanwege het ontbreken van de vereiste omgevingsvergunning. In combinatie met de omschrijving van de overtreding in het dwangsombesluit is de last daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende duidelijk en ook niet te verstrekkend. Hoe eiser die overtreding opheft, is aan hem. In de last staat dat eiser de overtreding
kanbeëindigen door de opbouw op de garage te verwijderen én het dak in de oorspronkelijke staat te herstellen. Dit is een mogelijke herstelmaatregel, waarmee de overtreding kan worden beëindigd.
13.3.
De realisatie van een andere dakkapel zorgt overigens op zichzelf niet voor beëindiging van de overtreding. Pas als daarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend, is geen sprake meer van een overtreding. In de uitspraak over de geweigerde omgevingsvergunning (zaaknummer ROE 25/2446) oordeelt de rechtbank dat de vergunning voor de dakkapel zoals eiser die heeft aangevraagd, terecht geweigerd is. Deze uitvoering van de dakkapel is daarom terecht niet als herstelmaatregel opgenomen. De voorzieningenrechter verwijst verder naar hetgeen hierna onder ‘Zicht op legalisatie’ is opgenomen.
Zicht op legalisatie
14. Eiser vindt het onzorgvuldig dat verweerder het dwangsombesluit heeft genomen alvorens op het bezwaar van eiser te beslissen tegen de geweigerde omgevingsvergunning. Eiser stelt dat sprake is van (concreet) zicht op legalisatie.
15. De voorzieningenrechter stelt vast dat ten tijde van het dwangsombesluit, verweerder had beslist op de aangevraagde omgevingsvergunning. Dat tegen de weigering van die vergunning bezwaar was gemaakt, betekent niet dat de overtreding was opgeheven en ook niet dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. Er lag immers geen aanvraag voor die volgens het college voor verlening in aanmerking kwam. In de uitspraak over de geweigerde omgevingsvergunning oordeelt de rechtbank dat de vergunning terecht geweigerd is. Ook achteraf moet dus geconcludeerd worden dat legalisatie niet aan de orde is.
Het vertrouwensbeginsel
16. Eiser vindt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat bij hem de verwachting is gewekt dat sprake was van een vergunbare situatie. Eiser verwijst daartoe naar een e-mailbericht van 27 maart 2025 aan de gemachtigde van eiser in de procedure over de geweigerde omgevingsvergunning, waarin volgens eiser de toezegging is gedaan dat een vergunning zou kunnen worden verleend voor de dakkapel als het bouwplan voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
17. In de uitspraak over de geweigerde omgevingsvergunning (zaaknummer ROE 25/2446) oordeelt de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Kortheidshalve verwijst de voorzieningenrechter naar deze uitspraak.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
19. Omdat direct uitspraak wordt gedaan op het beroep en dat ongegrond wordt verklaard, wordt ook het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
de griffier is verhinderd deze
voorzieningenrechter
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over de beroepen. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Deze voorwaarden zijn opgenomen in de – voorheen geldende – binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van het bestemmingsplan Binnenstad Roermond dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan.
2.Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.Zie bijvoorbeeld uitspraken van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:169 en 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218,