ECLI:NL:RBLIM:2026:397

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11933049 CV EXPL 25-4528
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eiser niet-ontvankelijk wegens verkeerde procespartij in vordering tegen vermeende erfgenaam

Eiser exploiteert een fysiotherapiepraktijk en vordert betaling van openstaande facturen van de overleden echtgenoot van gedaagde. Gedaagde wordt aangesproken als erfgenaam, maar betwist dit en stelt dat de erfenis nog niet is afgewikkeld en dat de zorgverzekering de facturen zou betalen.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende feiten en bewijs heeft aangeleverd om aan te tonen dat gedaagde daadwerkelijk erfgenaam is. Eiser had bijvoorbeeld een uittreksel uit het centraal testamentenregister of een verklaring van erfrecht kunnen overleggen. Het niet concreet onderbouwen van de rechtsopvolging leidt tot niet-ontvankelijkheid van eiser.

Het niet-ontvankelijk verklaren betekent dat de inhoudelijke vordering niet wordt behandeld. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die vanwege afwezigheid van gedaagde op zitting op nihil worden vastgesteld. Het vonnis is gewezen door kantonrechter Piëtte en op 4 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijs dat gedaagde erfgenaam is.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11933049 \ CV EXPL 25-4528
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser], H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], ERFOPVOLGER ONDER ALGEMENE TITEL IN HET VERMOGEN VAN [persoon],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] exploiteert een onderneming die fysiotherapie aanbiedt. Zij heeft de inmiddels overleden echtgenoot van [gedaagde] behandeld. De facturen die hiervoor zijn gestuurd zijn niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.551,45 (€ 1.271,30 aan hoofdsom, € 230,75 aan incassokosten en € 49,40 aan rente), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Dit verweer houdt in dat zij geen erfgenaam is, dat de erfenis nog niet is afgewikkeld en dat de zorgverzekering de facturen zou betalen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] is aangesproken als erfgenaam (erfopvolger onder algemene titel) van haar inmiddels overleden echtgenoot. [gedaagde] voert aan dat zij geen erfgenaam is. Slaagt dit verweer dan heeft [eiser] de verkeerde procespartij gedagvaard. In dat geval wordt [eiser] niet ontvankelijk verklaard en dan hoeft de vordering zelf en het daartegen gevoerde verweer geen bespreking.
4.2.
Het is aan [eiser] als eisende partij om voldoende feiten te stellen en deze te onderbouwen op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat hij de juiste partij in rechte heeft betrokken. Dit heeft [eiser] niet gedaan. Al bij conclusie van antwoord voert [gedaagde] het verweer dat zij geen erfgenaam is. In zijn conclusie van repliek persisteert [eiser] bij zijn stelling dat [gedaagde] als rechtsopvolger onder algemene titel aansprakelijk is voor de schulden van de erflater. Zonder verder onderbouwing of toelichting, die ontbreekt, kan daarom niet vastgesteld worden dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schulden van haar inmiddels overleden echtgenoot. [eiser] had kader bijvoorbeeld een uittreksel uit het centraal testamentenregister of een verklaring van erfrecht kunnen overleggen om zo de gevraagde duidelijkheid te verschaffen.
4.3.
In haar conclusie van repliek doet [eiser] verder een niet geconcretiseerd bewijsaanbod. Dit passeert de kantonrechter. In de eerste plaats omdat dit niet specifiek is toegelicht maar ook omdat [eiser] al bij dagvaarding maar zeker in haar conclusie van repliek had kunnen aantonen dat [gedaagde] de erfgenaam van haar overleden echtgenoot is.
4.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] niet zelf op een zitting aanwezig is geweest worden de proceskosten begroot op € 0,00.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 0,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.