Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in verzet,
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
In deze verzetprocedure in kort geding vordert de bewindvoerder ontruiming van een woning die door de bewoner wordt betwist. De bewindvoerder stelt dat de bewoner zonder recht of titel in de woning verblijft en dat ontruiming noodzakelijk is om het pand te kunnen verkopen vanwege dubbele woonlasten van de rechthebbende.
De bewoner betwist het ontbreken van recht of titel en overlegt een huurovereenkomst uit 1986, alsmede bewijs van contante huurbetalingen. De kantonrechter oordeelt dat in kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering zoals getuigenverhoren, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de bewoner zonder recht of titel verblijft.
Omdat onvoldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot ontruiming zal overgaan, wordt het verzet van de bewoner toegewezen en het verstekvonnis vernietigd voor zover het hem betreft. De bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding die voor rekening van de bewoner komen.
Uitkomst: Het verzet wordt toegewezen en de vorderingen tot ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van bewoning zonder recht of titel.