Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3837

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/03/349207 / HA RK 26-14
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer, rechter in de rechtbank Limburg, naar aanleiding van een mondelinge behandeling in een civiele zaak. Verzoeker stelde dat de rechter hem ongelijk behandelde, zijn recht om gehoord te worden beperkte, bewijsmateriaal selectief toetste en beschuldigingen zonder toetsing liet passeren.

De rechter reageerde schriftelijk en berustte niet in de wraking. De meervoudige wrakingskamer behandelde het verzoek op 19 maart 2026 en concludeerde dat de rechter grote vrijheid heeft in de wijze van zaakbehandeling en dat het recht om gehoord te worden niet onbeperkt is. De wrakingskamer vond geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

De kamer oordeelde dat de door verzoeker aangevoerde gedragingen en procesbeslissingen niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Ook het vermeende verschil in non-verbaal gedrag en de suggestie dat verzoeker artikel 21 Rv Pro zou hebben geschonden, konden niet worden geobjectiveerd.

De wrakingskamer wees het verzoek tot wraking af en bevestigde daarmee de onpartijdigheid van de rechter in deze zaak.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/349207 / HA RK 26-14
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 28 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in de zaak met nummer C/03/335767/24-489, met verzoeker als eisende partij en [naam] (hierna: [naam] ) als gedaagde partij. Naar aanleiding van die behandeling heeft verzoeker een schriftelijk verzoek tot wraking van de rechter gedaan, ingekomen bij de rechtbank op 2 februari 2026.
De rechter heeft op 5 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek en laten weten niet te berusten in de wraking.
De meervoudige kamer heeft het verzoek vervolgens op 19 maart 2026 ter terechtzitting behandeld. Namens verzoeker is [belanghebbende] verschenen, die het wrakingsverzoek nader heeft toegelicht.
De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2.De gronden van het verzoek

Verzoeker heeft aangevoerd dat de rechter verzoeker tijdens de behandeling structureel ongelijk heeft behandeld door:
- verzoeker te beperken in zijn recht gehoord te worden;
- het bewijsmateriaal selectief te toetsen en beschuldigingen van belaging door [naam] , gericht aan verzoeker, zonder toetsing te laten passeren, in het bijzijn van de aanwezige pers, en daarbij de mogelijkheid van strafvervolging te bespreken;
- verzoeker te verwijten artikel 21 Rv Pro te hebben geschonden en zo te suggereren dat verzoeker heeft gelogen;
- een incidentele vordering zonder toelichting af te wijzen;
- vragen te stellen waardoor de rechter blijk gaf onbekend te zijn met een juridisch fenomeen, dan wel blijk gaf de juridische positie van verzoeker niet te willen begrijpen;
- non-verbaal te laten zien onderscheid te maken tussen de vertegenwoordiger [belanghebbende] van verzoeker en de vertegenwoordigers van [naam] .

3.Standpunt van de rechter

De rechter heeft in haar reactie aangevoerd dat geen objectieve vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid kan worden afgeleid uit de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling. De rechter is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.De beoordeling

Juridisch kader
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking geldt dat een rechter uit hoofde van haar of zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaar-wegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend.
Het oordeel van de wrakingskamer
De wrakingskamer stelt vast dat tijdens de mondelinge behandeling van de zaak (procesrechtelijke) punten aan de orde zijn gekomen, waarvan bespreking door de rechter noodzakelijk werd gevonden. De wrakingskamer merkt op dat de relevantie van de gestelde vragen en de selectie van bespreekpunten niet aan haar oordeel zijn onderworpen, tenzij daarin zwaarwegende aanwijzingen besloten liggen dat de rechter vooringenomen is jegens verzoeker en dat zijn vrees daaromtrent (dus) objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is.
Aan de rechter komt immers grote vrijheid toe in de wijze waarop zij een zaak behandelt en de wrakingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat de rechter een eenzijdige, voor verzoeker nadelige, keuze heeft gemaakt in bespreekpunten.
Voorts is het recht om gehoord te worden niet onbeperkt. Niet gebleken is dat verzoeker ontoelaatbaar beperkt is in zijn recht gehoord te worden. De advocaat van verzoeker en directeur/eigenaar [belanghebbende] zijn immers bij herhaling in de gelegenheid gesteld te reageren op door [naam] ingenomen stellingen en [belanghebbende] heeft het laatste woord gehad in de behandeling. Tijdens dat laatste woord is [belanghebbende] , zoals hij ter zitting van de wrakingskamer van 19 maart 2026 desgevraagd heeft aangegeven, op geen enkel moment onderbroken door de rechter of op enigerlei wijze beperkt in hetgeen hij naar voren wilde brengen.
De wrakingskamer kan (objectief gerechtvaardigde) vrees vooringenomenheid evenmin aannemen vanwege de door verzoeker aangevoerde afwijzende procesbeslissing. Dat verzoeker die niet of onvoldoende gemotiveerd acht, maakt niet dat er sprake is geweest van vooringenomenheid. Dat geldt eveneens voor het door verzoeker beleefde gebrek aan juridische kennis van de rechter.
Dat [naam] [belanghebbende] gedragingen verwijt, die aan de orde zijn gesteld tijdens de openbare behandeling en waarvan de rechter de civielrechtelijke relevantie heeft onderzocht en beoordeeld, is een omstandigheid die weliswaar vervelend is voor verzoeker, maar die niet zonder meer een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter vooringenomenheid koesterde of daarvoor gevreesd mocht worden. Evenmin gebleken is dat de rechter de beschuldiging zonder toetsing heeft laten passeren, nu zij uiteindelijk geconcludeerd heeft dat zij er - in haar woorden – civielrechtelijk niets mee kon.
Het verwijt dat de rechter geconcludeerd heeft dat artikel 21 Rv Pro was geschonden en zo gesuggereerd heeft dat verzoeker gelogen heeft, kan de wrakingskamer niet objectiveren. De wrakingskamer kan slechts vaststellen dat de rechter discrepanties heeft besproken die volgens [naam] een dergelijke schending op zouden leveren. Dat is wat anders dan vaststellen dat artikel 21 Rv Pro is geschonden door verzoeker.
Het verwijt van onwil om de juridische positie te begrijpen kan de wrakingskamer evenmin objectiveren, net als het verwijt van verschil in non-verbaal gedrag jegens [belanghebbende] en de vertegenwoordigers van [naam] .
De slotsom van de wrakingskamer is dan ook dat het verzoek moet worden afgewezen.

5.De beslissing

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, mr. M.M. Beije en mr. C.G.A. Wouters, bijgestaan door mr. A.P. Jansen, als griffier en in het openbaar uitgesproken op
14 april 2026.