ECLI:NL:RBLIM:2026:3743

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/03/342740 / HA ZA 25-267
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • dr. Kluin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:84 BWArt. 3:90 BWArt. 3:95 BWArt. 3:99 BWArt. 3:105 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over eigendom oldtimers en aandelen met afwijzing schenking en inzagevordering

In deze civiele bodemzaak staat de eigendom van diverse oldtimers en aandelen centraal tussen familieleden. [directeur B.V.] vordert afgifte van een Jaguar XK 140, een Porsche 911 en autopapieren van een Invicta oldtimer van [partner dochter] en [dochter directeur]. De gedaagden stellen dat de voertuigen door schenking eigendom zijn geworden, wat door de rechtbank wordt verworpen wegens onvoldoende bewijs en gebrekkige levering.

De rechtbank oordeelt dat de schenking van de Jaguar niet is gerealiseerd omdat de auto niet is gerestaureerd en de levering ontbreekt. Ook de Porsche is niet effectief geschonken, mede door tegenstrijdige verklaringen over de ontvanger en het ontbreken van een duidelijke leveringshandeling. Het beroep op verkrijgende verjaring faalt omdat niet kan worden vastgesteld dat [partner dochter] als bezitter kan worden aangemerkt.

De Invicta is eveneens eigendom van [directeur B.V.], ondanks de stelling van [dochter directeur] dat zij eigenaresse zou zijn. De vordering tot betaling van verzekeringspenningen en een restkoopsom aandelen worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De voorwaardelijke inzagevordering van [partner dochter] wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en gebrek aan relevantie.

De rechtbank veroordeelt [partner dochter] en [dochter directeur] tot afgifte van de Jaguar, Porsche en autopapieren Invicta aan [directeur B.V.] met een dwangsom, wijst overige vorderingen af en compenseert de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt tot afgifte van Jaguar, Porsche en autopapieren Invicta aan [directeur B.V.] en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/342740 / HA ZA 25-267
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van

1.[directeur B.V.] ,

te [plaats 1] (Portugal),
2.
[de B.V.],
te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verweerders in reconventie,
hierna (samen) te noemen: [directeur B.V.] en [de B.V.] ,
advocaat: mr. A.M. Engelen,
tegen

1.[partner dochter] ,

te [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.F.Th.M. Heutink,
2.
[dochter directeur],
te [plaats 2] , gemeente [plaats 1]
advocaat: mr. D. Dronkers,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partner dochter] en [dochter directeur] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte overlegging producties 19 en 20 van [directeur B.V.] en [de B.V.]
- de akte overlegging producties 6 tot en met 9 van [partner dochter]
- de akte overlegging producties 11 tot en met 15 van [dochter directeur]
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [directeur B.V.] en [de B.V.]
- de spreekaantekeningen van [dochter directeur]
- de spreekaantekeningen van [partner dochter] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[directeur B.V.] is de vader van [dochter directeur] . [partner dochter] was/is de partner van [dochter directeur] .
2.2.
[directeur B.V.] is de directeur van [de B.V.] . [partner dochter] is in dienst geweest van [de B.V.] . De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de kantonrechter van 24 juli 2023 ontbonden met ingang van 1 september 2023, vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.

3.Het geschil en de vorderingen van partijen

3.1.
Tussen partijen is de eigendom van de volgende (onderdelen danwel toebehoren van) voertuigen in geschil:
  • een gerestaureerde wit gespoten body van een Jaguar oldtimer, type XK 140 met chassisnummer [nummer] en diverse Jaguar XK oldtimer onderdelen waaronder deuren, motorkap, kofferklep, stoelen, voorruit;
  • een Porsche 911 met kenteken [kenteken 1] ;
  • autopapieren van een Invicta oldtimer.
3.2.
Daarnaast verschillen partijen van mening over de betaling van de koopprijs van door [dochter directeur] verkochte aandelen aan [de B.V.] en over wie rechthebbende is op de schade-uitkering (uit hoofde van een verzekering) die is gedaan vanwege schade aan een Austin Healy.
3.3.
Vanwege deze geschillen hebben partijen jegens elkaar de volgende vorderingen ingesteld:
De vorderingen van [directeur B.V.] en [de B.V.]
in conventie
3.4.
[directeur B.V.] en [de B.V.] vorderen na wijziging van eis– samengevat:
A veroordeling van [partner dochter] en [dochter directeur] om aan [directeur B.V.] en/of [de B.V.] af te geven een gerestaureerde wit gespoten body van een Jaguar oldtimer, type XK 140 met chassisnummer [nummer] en diverse Jaguar XK oldtimer delen waaronder deuren, motorkap, kofferklep, stoelen, voorruit;
B veroordeling van [partner dochter] en [dochter directeur] om aan [directeur B.V.] en/of [de B.V.] af te geven de Porsche 911 met kenteken [kenteken 1] inclusief alle toebehoren;
C veroordeling van [partner dochter] en [dochter directeur] om aan [directeur B.V.] en/of [de B.V.] af te
geven alle autopapieren behorend bij de Invicta oldtimer met kenteken [kenteken 2] ;
D voorgaande veroordelingen op straffe van een dwangsom,
E de proceskosten.
De vorderingen van [dochter directeur]
in reconventie
3.5.
[dochter directeur] vordert samengevat:
I een verklaring voor recht dat [dochter directeur] eigenaresse is van de Invicta A Type Tourer [kenteken 2] );
II. [directeur B.V.] en [de B.V.] hoofdelijk te veroordelen tot afgifte van de Invicta, op straffe van
een dwangsom,
III [directeur B.V.] en [de B.V.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € € 21.231,45 per
1 september 2025 uit hoofde van de aandelen iTech Medical Inc, vermeerderd met
4,5% rente per jaar vanaf 1 september 2025
IV [directeur B.V.] en [de B.V.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 32.000 inzake de
Austin Healey, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2017;
V [directeur B.V.] en [de B.V.] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
De voorwaardelijke vorderingen van [partner dochter]
3.6.
[partner dochter] vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat [partner dochter] zijn eigendomsrecht op de voertuigen (Porsche 911 en Jaguar XK 140) onvoldoende heeft onderbouwd wegens gebrek aan bewijsstukken, samengevat de proceskosten en:
bij wijze van incident
1. een bevel dat [directeur B.V.] , op de voet van de artikelen 194 en 198 Rv, inzage en/of
afschrift verschaft van de administratie die zich in de kluis van [de B.V.] bevindt en
die betrekking heeft op de door [partner dochter] verrichte betalingen en kosten voor de
Porsche 911 en Jaguar XK 140, waaronder in ieder geval:
- facturen, bonnetjes en betalingsbewijzen betreffende de Porsche 911 en Jaguar XK
140;
- interne boekingen en overzichten waarin deze kosten zijn verwerkt;
- correspondentie omtrent deze boekingen en de rekening-courant van [directeur B.V.] .
- privé USB sticks met foto’s van de verrichte werkzaamheden en de stand waarin de werkzaamheden zich bevonden
2. te bepalen dat indien [directeur B.V.] nalaat deze stukken volledig in het geding te brengen,
de rechtbank de gevolgtrekking maakt dat de stellingen van [directeur B.V.] niet
geloofwaardig zijn en dat de weergave van [partner dochter] omtrent eigendom en kosten
van de voertuigen als vaststaand dient te worden aangenomen;
in reconventie:
a. een verklaring voor recht dat [partner dochter] door middel van verkrijgende verjaring
(artikel 3:99 BW Pro dan wel 3:105 BW) eigenaar is geworden van de Porsche 911 met
kenteken [kenteken 1] ;
b. te verklaren voor recht dat [partner dochter] door middel van verkrijgende verjaring
(artikel 3:99 BW Pro dan wel 3:105 BW) eigenaar is geworden van de carrosserie van
de Jaguar XK.

4.De beoordeling

De rechtsmacht
4.1.
Nu [directeur B.V.] woonachtig is in Portugal heeft deze zaak een internationaal karakter. Aangezien de woonplaats van [partner dochter] en [directeur B.V.] in Nederland, te weten [plaats 1] , is gelegen is deze rechtbank bevoegd op grond van artikel 4 Verordening Pro betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken in combinatie met artikel 99 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv).
De opzet van het vonnis
4.2.
De rechtbank zal de vorderingen in conventie en reconventie voor zoveel als mogelijk gelijktijdig bespreken en beoordelen, waarbij wordt aangesloten bij het feitelijk onderwerp van de betrokken vorderingen.
4.3.
De voorwaardelijke vorderingen in reconventie van [partner dochter] zullen door de rechtbank hieronder worden beoordeeld nu de strekking van de onderstaande overwegingen is dat de daaraan verbonden voorwaarde is vervuld.
De (carrosserie en de onderdelen van de) Jaguar
4.4.
De Jaguar althans de carrosserie daarvan is onderwerp van zowel de vordering in conventie onder A als de vordering in reconventie van [partner dochter] onder b.
4.5.
Vaststaat dat [directeur B.V.] de Jaguar (dat wil zeggen: de gehele auto) in 2013 in de Verenigde Staten heeft gekocht en dat de auto aan hem is geleverd. In geschil is of de auto zijn eigendom is gebleven of dat de eigendom daarvan is overgegaan op [partner dochter] .
Vaststaat dat de Jaguar in verband met een voorgenomen restauratie uiteen is genomen in drie onderscheiden onderdelen, te weten de bodemplaat, de carrosserie en de motor. Eveneens staat vast dat de carrosserie (in de vordering aangeduid als “body”) is gespoten in België waarna deze is verplaatst naar een loods in [plaats 2] (welke loods eigendom is van [de B.V.] ). De bodemplaat is (bij [directeur B.V.] ) in België gebleven en de motor is op enig moment verplaatst naar Zwolle om daar te worden gereviseerd.
4.6.
[partner dochter] heeft gesteld dat de Jaguar door [directeur B.V.] aan hem is geschonken, wat [directeur B.V.] heeft betwist.
4.7.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de stellingen van partijen voorop dat voor eigendomsverkrijging door schenking sprake dient te zijn van een overeenkomst van schenking (artikel 7:175 BW Pro) en een levering op basis van die titel. Voor een levering van een roerende zaak zoals een auto is nodig een goederenrechtelijke overeenkomst van overdracht en een leveringshandeling, welke de vorm aan kan nemen van bezitsverschaffing (artikel 3:90 BW Pro) of een akte van levering (artikel 3:95 BW Pro).
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat [partner dochter] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht ten aanzien van de gestelde eigendomsverwerving, waarbij de rechtbank heeft geconstateerd dat zijn stellingen tekortschieten zowel waar het over de schenking als over de levering gaat. De stelling omtrent de beweerde schenking is halfslachtig in die zin dat niet ronduit is gesteld dat überhaupt sprake is van een gave schenking. Uiteindelijk (dat wil zeggen: op basis van de processtukken en de mondelinge toelichting daarop ter zitting) heeft [partner dochter] gesteld dat sprake is van een toezegging van een schenking, waarbij door [directeur B.V.] zou zijn gezegd “je mag hem restaureren en dan is hij van jou”. De rechtbank merkt hierover op dat de toezegging van een schenking niet hetzelfde is als een schenking; immers die schenking wordt aangekondigd maar de aankondiging van een (voorwaardelijk aanbod van een) schenking is niet een schenkingsovereenkomst.
4.9.
In feitelijke zin staat vast dat de Jaguar niet is gerestaureerd (weliswaar is de carrosserie gespoten, maar vaststaat dat de bovengenoemde drie delen niet meer zijn samengevoegd), zodat reeds daarom – bij gebrek aan een nadere toelichting – is aan te nemen dat de in de stelling van [partner dochter] vervatte voorwaarde niet is vervuld: schenking zou immers plaatsvinden als [partner dochter] de auto zou hebben gerestaureerd en daar is het nog niet van gekomen. Daar komt bij dat de stelling minder aannemelijk is geworden, doordat [directeur B.V.] onbetwist heeft gesteld dat hij de opdracht heeft gegeven om de carrosserie te laten spuiten en dat hij de motor in Zwolle heeft laten reviseren. Daaruit blijkt dat [directeur B.V.] tenminste een groot gedeelte van de restauratiewerkzaamheden ter hand heeft genomen, wat niet past bij de stelling van [partner dochter] : waarom zou [directeur B.V.] zelf gaan restaureren als hij dat door [partner dochter] wilde laten doen in het kader van de toegezegde schenking? Bij dit alles komt dat door [partner dochter] niet is gesteld - noch is gebleken - dat is geleverd in de zin van artikel 3:84 juncto Pro 3:90 en/of 3:95 BW.
De conclusie ten aanzien van de Jaguar
4.10.
De slotsom is dat moet worden aangenomen dat [directeur B.V.] eigenaar is gebleven van de Jaguar, omdat vaststaat dat hij in 2013 de eigendom daarvan heeft verworven en niet is komen vast te staan dat de eigendom daarvan later is overgegaan naar [partner dochter] . Nu verder vaststaat dat de carrosserie feitelijk bij [partner dochter] is, ligt het gevorderde van [directeur B.V.] in conventie onder A jegens [partner dochter] voor toewijzing gereed, terwijl deze jegens [dochter directeur] dient te worden afgewezen. [de B.V.] is nooit eigenaar geweest, zodat haar vordering zal worden afgewezen. Daarnaast ligt het door [partner dochter] in reconventie onder b. gevorderde eveneens voor afwijzing gereed.
4.11.
De door [directeur B.V.] gevorderde dwangsom acht de rechtbank toewijsbaar, zij het dat deze gemaximeerd dient te worden tot € 25.000,-. Gelet op de dwangsom, acht de rechtbank een termijn van een week na betekening van dit vonnis (in plaats van twee dagen) redelijk om aan de veroordeling te voldoen.
De Porsche
4.12.
De Porsche is onderwerp van zowel de vordering in conventie onder B als de vordering in reconventie van [partner dochter] onder a.
4.13.
Vaststaat dat [directeur B.V.] de Porsche in 2009 heeft gekocht, waarmee vaststaat dat [directeur B.V.] in ieder geval aanvankelijk eigenaar van de Porsche is geworden. Het verweer van [partner dochter] en [dochter directeur] houdt in dat [directeur B.V.] evenwel geen eigenaar is gebleven omdat de auto zou zijn geschonken in de winter van 2009/2010, wat [directeur B.V.] heeft betwist (door te stellen dat sprake was van niet meer dan ingebruikgeving).
4.14.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de stellingen van partijen voorop dat voor eigendomsverkrijging door schenking sprake dient te zijn van een overeenkomst van schenking (artikel 7:175 BW Pro) en een levering op basis van die titel. Voor een levering van een roerende zaak zoals een auto is nodig een goederenrechtelijke overeenkomst van overdracht en een leveringshandeling, welke de vorm aan kan nemen van bezitsverschaffing (artikel 3:90 BW Pro) of een akte van levering (artikel 3:95 BW Pro).
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat [partner dochter] en [dochter directeur] niet hebben voldaan aan de op hen rustende stelplicht (dan wel: de stellingen van [directeur B.V.] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist) ten aanzien van de gestelde schenking/eigendomsverwerving, waarbij de rechtbank heeft geconstateerd dat de stellingen tekortschieten zowel over de schenking als over de levering.
4.16.
[partner dochter] en [dochter directeur] hebben gesteld dat de Porsche is geschonken door [directeur B.V.] tijdens een wintersportvakantie in de winter van 2009/2010. Het is gebleven bij deze globale stelling, dat wil zeggen: nadere feiten of omstandigheden daarover zijn niet benoemd (waarbij valt te denken aan hetgeen daarbij gezegd zou zijn – zijnde het aanbod – of dat, en zo ja hoe, [partner dochter] en/of [dochter directeur] dat aanbod zouden hebben aanvaard). Dit is problematisch omdat [directeur B.V.] heeft gezegd dat hij destijds de Porsche in gebruik heeft gegeven en daarmee staat tussen partijen vast dat destijds over de auto is gesproken, maar komt het voor de stellingen van [partner dochter] en [dochter directeur] uiteraard aan op de bewoordingen van het besprokene, maar daarover is echter niets gesteld.
4.17.
[partner dochter] en [dochter directeur] hebben bovendien niet-consistent verklaard over de schenking van de Porsche: zij hebben ieder voor zich onduidelijke en/of (in de tijd) wisselende verklaringen afgelegd, maar deze stemmen ook onderling niet overeen. Deze inconsistentie heeft met name betrekking op het antwoord op de vraag aan wie het aanbod tot schenking was gericht. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank in dit verband met name het volgende overwogen.
4.17.1.
[partner dochter] heeft in deze procedure gesteld dat hij de Porsche sinds 2010 onafgebroken in bezit heeft gehad. Vaststaat evenwel dat [partner dochter] in een eerdere procedure bij de kantonrechter (rond 2022/2023) heeft gesteld dat (a) hij slechts houder was van de Porsche, (b) dat de Porsche was geschonken aan [dochter directeur] en (c) dat [dochter directeur] de bezitter is van de auto. Eerder heeft [partner dochter] in een e-mail van 18 april 2017 ook geschreven dat hij de Porsche “in gebruik” had.
4.17.2.
[dochter directeur] heeft in deze procedure verschillende dingen gesteld: in haar conclusie van 10 september 2025 heeft zij gesteld (a) dat door [directeur B.V.] aan alle drie zijn kinderen tijdens de genoemde wintersportvakantie een auto is geschonken (wat impliceert dat de Porsche is geschonken aan [dochter directeur] en niet aan [partner dochter] aangezien deze geen kind van [directeur B.V.] is), (b) dat de Porsche is toebedeeld aan [dochter directeur] en [partner dochter] gezamenlijk en (c) dat duidelijk was dat de Porsche alleen aan [partner dochter] werd geschonken. Hiermee heeft [dochter directeur] in één randnummer van de conclusie drie varianten gepresenteerd over aan wie zou zijn geschonken: aan haar, aan [partner dochter] en aan hen gezamenlijk. Ter zitting is daaraan toegevoegd dat is geschonken aan beiden, maar dat [dochter directeur] de auto feitelijk aan [partner dochter] heeft gelaten. De rechtbank is van oordeel, dat dit juridisch niet eenduidig is: niet wordt helder gesteld aan wie zou zijn geschonken, maar ook wordt impliciet de mogelijkheid opengelaten dat aan beiden is geschonken en dat [dochter directeur] haar aandeel dan weer zou hebben geschonken aan [partner dochter] , waarover dan evenwel weer niets is gesteld. Hoe dan ook: de rechtbank is van oordeel dat in ieder geval geen sprake is van een voldoende duidelijke en toetsbare stelling (zodat een getuigenverhoor bijvoorbeeld ook niet helpend kan zijn, omdat hetgeen de getuigen zouden verklaren mede nodig zou zijn om de stellingen scherp te krijgen, wat uiteraard niet de bedoeling van het getuigenverhoor kan zijn).
4.18.
[partner dochter] en [dochter directeur] hebben daarnaast ook onvoldoende gesteld ten aanzien van de (uitvoering van de overeenkomst van schenking door middel van) levering, doordat [partner dochter] daarover in het geheel niets heeft gesteld en [dochter directeur] alleen dat in 2010 de sleutels aan [partner dochter] zouden zijn overhandigd, welke handeling niet zonder meer – gelet op de stelling van [directeur B.V.] dat sprake was van ingebruikgeving – kan worden begrepen als een levering in de zin van artikel 3:84 BW Pro.
4.19.
De slotsom is dat de stellingen van [partner dochter] en [dochter directeur] tekortschieten, doordat er tegenstrijdigheden bestaan met betrekking tot de vraag aan wie zou zijn geschonken terwijl er geen althans geen voldoende duidelijke stellingen zijn betrokken ten aanzien van de levering. De stellingen van [directeur B.V.] daarentegen zijn duidelijk en consistent; vaststaat bovendien dat hij aanvankelijk eigenaar is geworden en niet is gebleken dat hij die eigendom weer zou hebben overgedragen. Aldus kan niet worden aangenomen dat de eigendom van [directeur B.V.] is overgegaan op [partner dochter] en/of [dochter directeur] .
Het subsidiair beroep op verjaring
4.20.
[partner dochter] heeft zich subsidiair beroepen op eigendomsverkrijging door verjaring. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling moet worden gepasseerd, omdat in rechte niet kan komen vast te staan dat [partner dochter] kan worden gekwalificeerd als bezitter. Dat is in de eerste plaats zo vanwege de hierboven genoemde wisselende standpunten over het zijn van houder of bezitter. Daar staat tegenover dat [directeur B.V.] heeft gesteld dat sprake is geweest van ingebruikgeving, zodat het enkele feitelijk onder zich hebben van de auto niet van grote betekenis kan zijn voor de vaststelling of sprake is van bezit. Wel van betekenis voor het zijn van bezitter – vanwege de daarvan onderdeel zijnde eigendomspretentie – is dat vaststaat dat het leeuwendeel van de kosten van de Porsche zijn gedragen door [de B.V.] en dus niet door [partner dochter] . Ter zitting is daarover zijdens [partner dochter] verklaard dat inderdaad veel kosten door [de B.V.] werden gedragen omdat de Porsche de rol vervulde van “auto van de zaak”. Dat laatste pleit eerder voor de door [directeur B.V.] gestelde ingebruikgeving dan voor het door [partner dochter] gestelde bezit: waarom zou [partner dochter] menen dat hij eigenaar was van een auto die hij zelf kwalificeert als “auto van de zaak”?
De slotsom is dat [partner dochter] – in het licht van het verweer en de vaststaande feiten – onvoldoende heeft gesteld om bezit aan te kunnen nemen, zodat het beroep op verjaring reeds daarop moet stranden.
De conclusie ten aanzien van de Porsche
4.21.
Vaststaat (als enerzijds gesteld en anderzijds erkend) dat [partner dochter] de Porsche feitelijk onder zich heeft. In het verlengde daarvan moet worden geoordeeld dat vaststaat dat [dochter directeur] niet over de Porsche beschikt, zodat de vordering tot afgifte jegens [partner dochter] voor toewijzing en jegens [dochter directeur] voor afwijzing gereed ligt. De vordering van [de B.V.] wordt afgewezen omdat zij nooit eigenaar is geweest. Bovendien volgt uit de vorenstaande overwegingen dat de vordering van [partner dochter] in reconventie onder 1 eveneens voor afwijzing gereed ligt. De gevorderde dwangsom acht de rechtbank toewijsbaar, zij het dat deze gemaximeerd dient te worden tot € 25.000,-. Gelet op de dwangsom, acht de rechtbank een termijn van een week na betekening van dit vonnis (in plaats van twee dagen) redelijk om aan de veroordeling te voldoen.
De Invicta
4.22.
De (autopapieren behorende bij de) Invicta (zijn/)is onderwerp van de vordering in conventie onder C (afgifte van de autopapieren) en van de vorderingen van [dochter directeur] in reconventie onder I en II.
4.23.
Vaststaat dat [directeur B.V.] in ieder geval aanvankelijk de eigenaar was van de Invicta nu onbetwist is gesteld dat hij de Invicta in 2016 in Engeland heeft gekocht, terwijl de desbetreffende factuur als productie in het geding is gebracht. [directeur B.V.] heeft verder gesteld dat hij [dochter directeur] op enig moment heeft gevraagd om de auto op haar naam te mogen zetten, omdat hij een Nederlands kenteken wenste voor de auto terwijl hij destijds in België woonde en zijn dochter in Nederland.
4.24.
De vorderingen van [dochter directeur] in reconventie impliceren dat zij meent eigenaresse van de Invicta te zijn. Dit heeft zij in haar conclusie van 10 september 2025 ingevuld met de stelling dat [directeur B.V.] haar eind februari 2019 de Invicta heeft geschonken als cadeau voor haar verjaardag. Ter zitting heeft zij deze stelling evenwel in grote mate ontkracht door – desgevraagd – kort samengevat te verklaren dat (a) haar vader met haar de auto op haar naam is gaan zetten, (b) dat dit kort voor haar verjaardag was en (c) dat zij om die reden aannam dat het om een verjaardagscadeau ging, hoewel (d) vader dat niet heeft gezegd. Vaststaat dat [de B.V.] altijd de lasten van de Invicta is blijven dragen. Meer of anders is door [dochter directeur] niet aangevoerd en de slotsom moet derhalve zijn dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd om een overeenkomst van schenking te kunnen aannemen terwijl over een levering in het geheel niets is gesteld.
De conclusie ten aanzien van de Invicta
4.25.
Aangenomen moet dan worden dat [directeur B.V.] eigenaar is gebleven, zodat de vordering in conventie sub C kan worden toegewezen jegens [dochter directeur] (maar niet jegens [partner dochter] nu is gesteld noch gebleken dat hij de autopapieren ooit heeft gehad), terwijl de vorderingen in reconventie van [dochter directeur] en de vordering van [de B.V.] moeten worden afgewezen.
4.26.
De gevorderde dwangsom acht de rechtbank toewijsbaar, zij het dat deze gemaximeerd dient te worden tot € 25.000,-. Gelet op de dwangsom, acht de rechtbank een termijn van een week (in plaats van twee dagen) na betekening van het vonnis redelijk om aan de veroordeling te voldoen.
De verzekeringspenningen voor de Austin
4.27.
[dochter directeur] vordert in reconventie onder IV betaling van een bedrag van
€ 32.000,- aan verzekeringspenningen die door de verzekeraar zijn uitgekeerd aan [de B.V.] / [directeur B.V.] vanwege schade aan de Austin. [dochter directeur] stelt dat zij rechthebbende is op die verzekeringspenningen omdat zij de eigenaresse van die auto zou zijn.
4.28.
[directeur B.V.] heeft dit betwist: hij heeft gesteld dat zijn dochter niet de eigenaresse van de auto is en dat het geld bovendien daadwerkelijk is aangewend voor de reparatie van de schade aan de auto.
4.29.
De rechtbank is van oordeel dat [dochter directeur] ook hier niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Redengevend daarvoor is het volgende. Gesteld noch gebleken is op welke grond de verzekeringsuitkering aan [dochter directeur] zou toekomen. Daartoe is het volgende relevant:
4.29.1. vaststaat dat [de B.V.] de verzekering had afgesloten, maar niet is gesteld of gebleken wie de begunstigde is,
4.29.2. het verweer van [directeur B.V.] dat het geld is gebruikt voor de reparatie is niet betwist, zodat – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet valt in te zien dat [dochter directeur] aanspraak zou hebben op die verzekeringsuitkering/schadevergoeding aangezien haar vermogen na schadeherstel hetzelfde zou zijn gebleven en los daarvan is gesteld noch gebleken dat zij zelf iets heeft ondernomen aangaande de reparatie van de schade wat er op duidt dat zij de schadeafwikkeling zowel in praktische als in financiële zin aan [de B.V.] heeft overgelaten,
4.29.3. [dochter directeur] heeft wel gesteld dat de auto haar eigendom is maar niet hoe zij die eigendom heeft gekregen, terwijl zij in een eerdere procedure het standpunt heeft ingenomen dat de Austin eigendom was van [partner dochter] ,
4.29.4. terwijl zij bovendien niet heeft weersproken de stelling van [directeur B.V.] dat de auto door [partner dochter] alleen op naam van [dochter directeur] is gezet om te voorkomen dat [partner dochter] alimentatie aan zijn ex-echtgenote zou moeten betalen.
4.30.
Uit de vorenstaande overwegingen volgt dat deze vordering in reconventie voor afwijzing gereed ligt.
De koopsom voor de aandelen
4.31.
[dochter directeur] vordert in reconventie onder III betaling van (een restdeel van) de koopsom voor aandelen die door haar zouden zijn verkocht aan [directeur B.V.] , maar door deze niet (volledig) zouden zijn betaald. [directeur B.V.] heeft deze stellingen betwist.
4.32.
De rechtbank is ook ten aanzien van dit onderdeel van het gevorderde van oordeel dat [dochter directeur] niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan. De redenen voor dit oordeel zijn de volgende.
4.32.1.
[dochter directeur] heeft haar vordering onduidelijk onderbouwd (in feitelijke zin), doordat zij heeft gesteld dat de aandelen zijn gekocht door [de B.V.] zonder dat daarvoor is betaald, ofschoon haar broer en zus wel zijn betaald. Deze laatste toevoeging is onbegrijpelijk, omdat gesteld noch gebleken is dat haar broer en zus überhaupt betrokken zouden zijn bij enige aandelentransactie, wat vragen oproept over wie partij waren bij de beweerde koopovereenkomst en waarop die koopovereenkomst dan betrekking had (m.a.w.: over welk aandelenpakket gaat het eigenlijk: verschillende aandelenpakketten van alle drie de kinderen van [directeur B.V.] in dezelfde en/of verschillende vennootschappen en/of één aandelenpakket toebehorende aan alle drie gezamenlijk).
4.32.2.
[dochter directeur] heeft bovendien niets gesteld over hoe en wanneer de koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen en evenmin heeft zij gesteld dat en hoe de aandelen zouden zijn geleverd; een toelichting daarop is nodig aangezien het hier gaat om aandelen in een vennootschap naar Amerikaans recht (waarbij in het midden is gelaten naar het recht van welke staat van de Verenigde Staten). De gevorderde geldsom is bovendien gebaseerd op een niet te volgen berekening, aangezien de in de conclusie gepresenteerde aftreksom evident onjuist is.
4.33.
Reeds uit deze overwegingen volgt dat de vordering van [dochter directeur] in reconventie sub III voor afwijzing gereed ligt.
De voorwaardelijk door [partner dochter] ingestelde incidentele vordering
4.34.
De door [partner dochter] ingestelde incidentele vordering moet worden afgewezen om de volgende redenen. In de eerste plaats is de voorwaarde die aan die vordering is verbonden in strijd met de goede procesorde doordat aldus de rechtbank zou worden gedwongen om getrapte beslissingen te nemen aangaande de stel- en/of bewijsfase. Immers, de voorwaarde impliceert dat de rechtbank eerst een bevel zou kunnen geven tot inzage in stukken nádat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat de eigendom van de Porsche en de Jaguar onvoldoende is onderbouwd, waarna dan kennelijk alsnog bewijsstukken in het geding zouden moeten worden gebracht waarna de rechtbank dan dezelfde beoordelingen in de stel- en/of bewijsfase zou moeten herhalen. Dit zou neerkomen op het door een partij in de procedure veroorzaken van een door de wetgever niet voorziene extra fase in de procedure en dat terwijl de wetgever als uitgangspunt juist de procedure heeft willen beperken tot een schriftelijke ronde en een daarop volgende mondelinge behandeling.
4.35.
Afgezien daarvan valt niet in te zien waarom inzage in administratieve stukken betreffende de Porsche en/of de Jaguar iets zou kunnen veranderen in de hierboven weergegeven overwegingen. Het enkele feit dat mogelijk [partner dochter] enkele facturen betreffende uitgaven aan die auto’s heeft voldaan kan immers niets afdoen aan hetgeen hierboven is overwogen over de stelplicht. Bewijsstukken veranderen in beginsel niets aan gebreken ten aanzien van de stelplicht en in die zin beschikt [partner dochter] ook niet over een toereikend processueel belang bij het incidenteel gevorderde.
De proceskosten
4.36.
Partijen zijn familie van elkaar. Gelet daarop zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, zowel in conventie als in reconventie als in het in reconventie ingestelde incident.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt [partner dochter] om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [directeur B.V.] af te geven een gerestaureerde wit gespoten body van een Jaguar oldtimer, type XK 140 met [nummer] en diverse Jaguar XK oldtimer delen waaronder deuren, motorkap, kofferklep, stoelen vooruit, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan dat [partner dochter] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-,
5.2.
veroordeelt [partner dochter] om binnen een week na betekening van dit vonnis aan [directeur B.V.] af te geven de Porsche 911 met kenteken [kenteken 1] inclusief alle toebehoren, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan dat [partner dochter] in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-,
5.3.
veroordeelt [dochter directeur] om binnen een week na betekening van dit vonnis om aan [directeur B.V.] af te geven alle autopapieren behorend bij de Invicta oldtimer met kenteken [kenteken 2] , op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte daarvan dat [dochter directeur] in gebreke blijftom aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst af de door [dochter directeur] en [partner dochter] ingestelde (incidentele) vorderingen,
in conventie, in reconventie en in incident
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.1 tot en met 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.