Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het tussenvonnis van 25 juni 2025 en de daarin genoemde stukken
- het deskundigenbericht van de rekenkundige
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
- de conclusie na deskundigenbericht van KBC.
2.De inleiding
3.De verdere beoordeling
Verschenen tot 2026 120.360
98.897 +
De rechtbank constateert dat KBC bij conclusie van antwoord als productie 5 een overzicht heeft verstrekt waaruit blijkt dat op 27 augustus 2021 in totaal al € 900.297,- was bevoorschot. Dat dekt ruimschoots de reeds verschenen schade aan verlies verdienvermogen tot en met 2025. Daarom zal hierover geen wettelijke rente meer worden toegewezen.
In rechtsoverweging 4.6 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is beslist en uitgelegd waarom deze vordering wordt afgewezen.
In rechtsoverweging 4.98 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is een overzicht gegeven van de bedragen aan schadevergoeding die voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank blijft bij haar bindende eindbeslissingen over de verschillende schadeposten en zal toewijzen:
- € 138.287,50 aan zorgbehoefte tot en met 2020
- € 40.738,00 aan reiskosten vermeerderd autogebruik tot en met 2020
- € 6.254,00 reiskosten derden tot en met 2020
- € 3.037,78 medische behandelingen tot en met 2020
- € 26.650,00 meerkosten vakantie tot en met 2020
- € 5.365,00 motor en kleding
- € 99.598,00 woonvoorziening
- € 3.934,00 daggeldopname
- € 44.115,00 hulpmiddelen tot en met 2020
- € 5.070,00 aanpassing auto.
€ 1.334.174,00 vermeerderd met rente vanaf 1 januari 2021.
In rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.8 van dit vonnis is gemotiveerd uiteengezet dat een bedrag van € 859.859,00 terzake verlies aan verdienvermogen en pensioenschade voor toewijzing in aanmerking komt, zoals door [deskundige 1] becijferd. De wettelijke rente over de toekomstig berekende schade is verschuldigd vanaf de kapitalisatiedatum, dat is 1 januari 2026. De wettelijke rente over de verschenen schade zal worden afgewezen nu die is gedekt door de bevoorschotting zoals overwogen onder rechtsoverweging 3.7 van dit vonnis.
KBC heeft in punt 65 van haar conclusie van antwoord aangegeven dat zij bereid is de gebruikelijke belasinggarantie af te geven voor het verlies arbeidsvermogen. Daarom zal deze vordering worden toegewezen.
In rechtsoverwegingen 4.91 tot en met 4.94 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is beslist en uitgelegd waarom KBC wordt veroordeeld om slechts € 50.000,00 per jaar te voldoen. In rechtsoverweging 4.94 is beslist dat de gevorderde dwangsom dient te worden afgewezen.
In rechtsoverweging 4.19 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing genomen dat deze vordering zal worden afgewezen.
In rechtsoverweging 4.71 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing genomen dat deze vordering zal worden afgewezen.
In rechtsoverweging 4.74.10 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is de bindende eindbeslissing gegeven dat een bedrag van € 150.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor vergoeding in aanmerking komt. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 3 september 2014 (datum ongeval) tot 18 maart 2016 (de datum waarop € 150.000,- aan bevoorschotting is betaald). Dit betekent dat feitelijk alleen nog een bedrag aan wettelijke rente voor deze schadepost is verschuldigd.
In het verlengde van de afwijzende beslissing op de vordering onder g en de beslissing over de immateriële schadevergoeding moet ook deze vordering worden afgewezen. De bindende eindbeslissing op dit punt is reeds gegeven in rechtsoverweging 4.74.10 van het tussenvonnis van 12 april 2023.
In rechtsoverwegingen 4.95 en 4.96 van het tussenvonnis van 12 april 2023 is reeds geoordeeld dat deze vordering moet worden afgewezen en uitgelegd waarom.
€ 189,00
4.De beslissing
€ 859.859,00, (onder aftrek van een resterend deel van de voorschotten hierop) vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 739.499,00 vanaf 1 januari 2026 tot aan de dag van volledige betaling,