ECLI:NL:RBLIM:2026:3718

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/03/345147/ HA ZA 25-392
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Roeffen
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkoop gezamenlijke woning en verdeling spaarpolis na echtscheiding

Partijen zijn in 2003 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd en in 2022 gescheiden. De echtscheidingsbeschikking bevatte een spoorboekje voor de verdeling van de woning, waarbij de man drie maanden kreeg om te onderzoeken of hij de woning kon overnemen tegen de getaxeerde waarde van €566.000. De man heeft deze termijn overschreden en ingestemd met verkoop aan een derde voor €575.000.

De man wilde eerst herstelwerkzaamheden uitvoeren aan de woning, wat in strijd is met het spoorboekje en de echtscheidingsbeschikking, waarin gebreken al in de taxatie waren meegenomen. De rechtbank legt partijen op om binnen zeven dagen de verkoop te starten en stelt dwangsommen in bij niet-nakoming. Tevens moet de man de actuele waarde van de aan de woning gekoppelde spaar-/beleggingspolis bij ASR aantonen en de vrouw de helft daarvan uitbetalen bij levering.

In reconventie vordert de man betaling van de helft van de eigenaars- en gebruikerslasten vanaf april 2023, maar de rechtbank wijst dit af omdat de man geen bewijs heeft geleverd en de vrouw sinds 2021 niet meer in de woning woont. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Partijen worden veroordeeld tot medewerking aan verkoop van de woning en verdeling van de spaarpolis, terwijl de regresvordering van de man wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/345147 / HA ZA 25-392
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. J.I.L. Laumans,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. K.A. Boshouwers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 18;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 en het proces-verbaal met daarin de ter
mondelinge behandeling overeengekomen deelregeling.
1.2.
Heden is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2003 te [plaats 3] , gemeente Maasgouw,
in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 2] 2022 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 1 februari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
In de beschikking is voor de verdeling van de woning een spoorboekje opgenomen, waarin het volgende - voor zover van belang - is bepaald:
[afbeelding geanonimiseerd]
2.3.
De woning is, in overleg tussen partijen, door [makelaar 1] getaxeerd op een bedrag van € 566.000,-. Het taxatierapport dateert van 13 december 2023.
2.4.
Verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen is, behoudens de inboedel, sindsdien uitgebleven.
2.5.
Ter mondelinge behandeling van 9 maart 2026 zijn partijen een deelregeling overeengekomen die ter mondelinge behandeling is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De in die regeling vervatte vorderingen zijn door partijen ingetrokken.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
Met de overeengekomen deelregeling en de intrekking van de in die regeling vervatte vorderingen is het geschil thans nog beperkt tot acht vorderingen, waarvan zes in conventie door de vrouw zijn ingesteld en twee in reconventie door de man, zoals hieronder weergegeven.
3.2.
In conventie vordert de vrouw de man te veroordelen alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan verkoop van de gezamenlijke woning en verificatoire bescheiden aan haar te doen toekomen van de actuele waarde van de aan de woning gekoppelde spaar-/beleggingspolis bij ASR waarbij de helft van deze waarde aan haar uitgekeerd wordt bij levering van de woning. De man voert verweer.
3.3.
In reconventie vordert de man de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de eigenaars- en gebruikerslasten van de gezamenlijke woning vanaf 1 april 2023 tot datum van verkoop en levering van de woning, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten, De vrouw voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
Met betrekking tot de door de vrouw in conventie ingestelde vorderingen inzake de verdeling van de woning overweegt de rechtbank als volgt.
4.2.
De vrouw vordert nakoming van de echtscheidingsbeschikking en zij legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van de echtscheidingsbeschikking hebben partijen makelaar/taxateur [makelaar 2] benaderd een taxatie verrichten. Toen [makelaar 2] de opdracht niet kon aanvaarden, hebben partijen in onderling overleg [makelaar 1] aangesteld een taxatie te verrichten. Bij de taxatie is rekening gehouden met de gebreken aan de woning en de in dat kader verrichte bouwkundige keuring door Perfectkeur B.V. Het taxatierapport van [makelaar 1] dateert van 13 december 2023 en daaruit volgt een getaxeerde waarde van de woning van € 566.000,-. Partijen zijn vervolgens een vraagprijs van
€ 575.000,- overeengekomen. De man had vanaf de datum van het taxatierapport van 13 december 2023 drie maanden de tijd te onderzoeken of hij de woning kon overnemen tegen de door [makelaar 2] (lees [makelaar 1] ) getaxeerde waarde. De man had derhalve voor 14 maart 2024 de vrouw dienen te berichten of hij al dan niet de woning zou overnemen, hetgeen hij nagelaten heeft. De vrouw heeft vervolgens conform het spoorboekje aan de man voorgesteld de woning bij [makelaar 1] in de verkoop te zetten voor het reeds overeengekomen bedrag van € 575.000,-. De man heeft bij e-mail van zijn gemachtigde van 22 april 2024 aangegeven in te stemmen met verkoop van de woning.
4.3.
Bij e-mailbericht van 23 mei 2024 stelt de man zich op het standpunt dat de woning eerst verkoopklaar gemaakt dient te worden voor deze in de verkoop kan worden gezet. Volgens de man betekent dit dat er eerst de nodige herstel- en renovatiewerkzaamheden verricht dienen te worden: vervanging van de warmtepomp, aanpakken van het vochtprobleem in de kelder, herstel vochtschade in de badkamer en reparatie aan het dak van het tuinhuis. Herstel van deze posten zou volgens de man tot een meeropbrengst van de woning leiden met een bedrag van € 200.000,- tot € 300.000,-.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat de door de rechtbank eerder gelaste wijze van verdeling als vastgesteld in de beschikking van [datum 2] 2022 opnieuw uitgangspunt dient te zijn bij het bepalen van de verdere afwikkeling. Die beschikking heeft namelijk bindende kracht tussen partijen, zodat in een nieuwe rechterlijke beslissing niet van die wijze van verdeling kan worden afgeweken. Uit die beslissing blijkt dat partijen het erover eens waren dat de man de mogelijkheid diende te krijgen om te onderzoeken of hij de overname van de woning kon financieren en hiervoor drie maanden de tijd kreeg vanaf datum taxatierapport. Deze termijn verliep op 14 maart 2024. De man heeft eerst op 22 april 2024 de vrouw bericht dat de woning aan een derde verkocht kon worden. Partijen hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de makelaar die de woning zou taxeren, de door hem vastgestelde taxatiewaarde van € 566.000,- en de verkoopprijs van € 575.000,-. De aan de woning gekoppelde spaarpolis bij ASR zal moeten worden uitbetaald. Het is zaak dat de man aan de vrouw verificatoire bescheiden overlegt waaruit de actuele waarde van de polis blijkt. Partijen hebben overeenstemming over een verkoopprijs van € 575.000,-, doch nu de taxatie in 2023 verricht is, geeft de rechtbank partijen in overweging bij de makelaar te informeren naar de actuele taxatie-/verkoopwaarde van de woning.
4.5.
Dat de man eerst de gebreken in de woning wil (laten) herstellen alvorens de woning in de verkoop te zetten, is in strijd met de inhoud van het spoorboekje. Bovendien zijn blijkens de echtscheidingsbeschikking door de makelaar de aanwezige gebreken reeds meegenomen in de getaxeerde waarde van de woning en hebben partijen er voor gekozen de woning met de aanwezige gebreken te verkopen.
4.6.
De rechtbank overweegt dat het doel van een spoorboekje is om te komen tot verdeling van de woning. De ratio daarvan is het stellen van duidelijke termijnen, zodat de voortgang van de verdeling wordt gewaarborgd. Daarmee verhoudt de aanpak van de man in weerwil van die afspraken een andere weg te kiezen zich niet.
4.7.
Dat betekent dat de vorderingen van de vrouw met betrekking tot de woning onder 1 tot en met 6 kunnen worden toegewezen zoals hierna bepaald, waarbij de rechtbank rekening houdt met hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen. Partijen hebben onder meer afgesproken dat beide partijen hun medewerking zullen verlenen aan de verkoop en zij hebben de rechtbank verzocht in het vonnis op te leggen dwangsommen wederkerig te laten zijn. De rechtbank zal derhalve beslissen zoals hierna bepaald, waarbij de rechtbank aanleiding ziet de dwangsommen te matigen en te maximeren. Daar waar de vrouw het opleggen van dwangsommen vordert met bepaling dat het vonnis in de plaats zal treden van de benodigde wilsverklaring van de man zal de rechtbank dit laatste afwijzen. Indien een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom wordt opgelegd kan niet gelijktijdig worden bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van een wilsverklaring.
In reconventie
4.8.
In reconventie ligt nog slechts voor de regresvordering van de man met betrekking tot de eigenaars- en gebruikerslasten van de woning. De rechtbank overweegt dat in beginsel lasten van een gemeenschappelijk goed op grond van artikel 3:172 BW Pro door alle deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel worden gedragen. De rechtbank ziet aanleiding hiervan af te wijken en licht dat als volgt toe.
4.9.
Allereerst overweegt de rechtbank dat de man in de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie heeft aangegeven dat hij bij afzonderlijke akte, tijdig voor de mondelinge behandeling van deze zaak, een met bewijsstukken gestaafd overzicht in het geding zal brengen van de eigenaars- en de gebruikerslasten die hij vanaf 1 augustus 2023 ten behoeve van de gemeenschappelijke woning van partijen heeft voldaan. Dit heeft de man echter nagelaten. Hij heeft geen enkel inzicht gegeven in de hoogte van genoemde lasten zodat reeds hierom de vordering ten aanzien van eigenaars- en gebruikerslasten strandt.
4.10.
Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw sinds augustus 2021 niet meer in de echtelijke woning woont. Zij heeft bij vertrek, op verzoek van de man, haar sleutels van de echtelijke woning bij de man ingeleverd. De man heeft vanaf die datum het volledige gebruik van de woning, waarbij de man de vrouw niet toestaat de woning te betreden dan wel te gebruiken. Dat de man de woning vanaf de zomer van 2023 niet meer zelf bewoont, maakt dat niet anders. De man weigerde ook toen immers nog de vrouw een sleutel te verstrekken. De man heeft nog gesteld dat de vrouw eigenaar was en in die hoedanigheid sowieso toegang had, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij. Van de vrouw mag niet verwacht worden dat zij, indien de man weigert haar een sleutel te verstrekken, zich op andere wijze (door het openbreken van ramen of deuren of anderszins) de toegang tot de woning verschaft. De gebruikerslasten dienen ook om die reden voor rekening van de man te blijven.
4.11.
Verder overweegt de rechtbank dat in de echtscheidingsbeschikking bij de berekening van de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsverplichting uitgangspunt is geweest dat de man de woonlasten voor zijn rekening zou nemen nu de vrouw geen inkomen genereerde en tijdens het huwelijk voor de kinderen zorgde. Dat blijkt uit hetgeen in de beschikking is overwogen over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en gesteld noch gebleken is dat deze beschikking op enig moment is gewijzigd. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank geen reden ziet waarom de man niet kan worden gehouden aan de regeling waaraan partijen jarenlang uitvoering hebben gegeven, en ziet daardoor geen grond voor toewijzing van de regresvordering van de man.
Proceskosten
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt partijen om alle medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij partijen onder andere:
a. binnen 7 dagen na datum vonnis de opdracht geven de verkoop van de woning ter hand te nemen, waarbij gestart wordt met een vraagprijs van € 575.000,00, waarbij de kosten van [makelaar 1] gelijkelijk voor rekening van beide partijen komen;
b. [makelaar 1] toestaan verkoopborden op het perceel bij de woning te plaatsen en die borden daar zichtbaar en onbeschadigd te handhaven;
c. [makelaar 1] en/of een door [makelaar 1] ingeschakelde fotograaf toestaan om van alle vertrekken in de woning foto’s te maken onder andere ter plaatsing op de website van [makelaar 1] en ter verwerking in een verkoopbrochure,
d. [makelaar 1] toestaan gewenste bezichtigingen met kandidaat kopers buiten hun aanwezigheid te houden en genoemde makelaar hiervoor steeds tijdig toegang tot de woning verschaffen,
e. de laatprijs alsook eventuele wijzigingen in de vraagprijs in onderling overleg vaststellen en - als partijen het hierover niet eens kunnen worden - het advies van de makelaar hierover zullen volgen,
f. zich onthouden van handelingen die volgens [makelaar 1] de verkoop kunnen belemmeren alsmede alle instructies die de makelaar geeft ten behoeve van een snelle en adequate verkoop opvolgen,
5.2.
bepaalt dat partijen na verkoop op eerste verzoek van de andere partij hun medewerking dienen te verlenen aan de juridische levering van de woning,
5.3.
bepaalt dat partijen bij de juridische levering van de woning hun medewerking verlenen aan een verdeling van de helft van de overwaarde, zodat aan partijen ieder de helft van de overwaarde van de woning zal worden uitbetaald door de notaris waar de juridische levering zal plaatsvinden,
5.4.
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het bepaalde onder 5.1 t/m 5.3 voldoet, zulks met een maximum van € 50.000,- en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het bepaalde onder 5.1 t/m 5.3 voldoet, zulks met een maximum van € 50.000,-,
5.5.
veroordeelt de man uiterlijk 14 dagen voor de juridische levering van de woning een bewijsmiddel aan de vrouw te doen toekomen van de actuele waarde van de aan de woning gekoppelde spaar-/beleggingspolis bij ASR, onder verbeurte van een dwangsom van
€ 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de man hiertoe in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 50.000,00,
5.6.
veroordeelt de man om uiterlijk op het moment van de juridische levering van de woning tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag ter hoogte van de helft van de op dat moment actuele waarde van de onder 5.5 genoemde polis,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken door mr. Lafghani op 22 april 2026.