Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3638

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/584
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.17 Activiteitenbesluit MilieubeheerArt. 8:81 AwbArt. 7:10 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen dwangsombesluit geluid padelbaan Valkenburg

Tennis Padel Geuldal te Valkenburg verzocht om een voorlopige voorziening tegen een dwangsombesluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul. Dit dwangsombesluit betrof een last onder dwangsom vanwege overschrijding van geluidsnormen door padelactiviteiten in de avonduren.

De voorzieningenrechter overwoog dat het geschil over het akoestisch onderzoek niet geschikt is voor beoordeling in deze voorlopige voorzieningprocedure. De belangenafweging tussen het belang van verzoekster om padel te kunnen spelen en het belang van de omwonende bij naleving van geluidsnormen leidde tot afwijzing van het verzoek. Verzoekster had onvoldoende onderbouwd dat het dwangsombesluit haar voortbestaan bedreigt.

De rechter achtte het college bevoegd en het onderzoek van Antea Group voldoende betrouwbaar. Er was geen sprake van evidente onrechtmatigheid van het dwangsombesluit. De voorzieningenrechter gaf het college mee om bij bezwaar de formulering van de herstelmaatregel te heroverwegen en benadrukte het belang van overleg tussen partijen voor een structurele oplossing.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het dwangsombesluit geluid padelbaan wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/584

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 in de zaak tussen

Tennis Padel Geuldal, uit Valkenburg, verzoekster

(gemachtigde: mr. M. van Aken),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul
(gemachtigden: mr. N.C.M. van Bijnen en R. Pellegrom).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] , uit Valkenburg

(gemachtigde: mr. L.M.A. Schrieder).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2026 (hierna: het dwangsombesluit) heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overschrijding van de geluidsnormen door verzoekster.
Verzoekster heeft op 11 maart 2026 tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij zijn [naam] en [naam] namens verzoekster verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en [naam] . Het college en de derde-partij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding
1. Verzoekster is gevestigd aan de [adres] in Valkenburg (Houthem - St. Gerlach). Op die locatie zijn vijf tennisbanen en twee padelbanen gerealiseerd op basis van een op 30 juni 2017 aan verzoekster verleende omgevingsvergunning.
2. De derde-partij woont aan de [adres] in Valkenburg, nabij het sportpark, en wordt hierna aangeduid als: de omwonende. Op 24 september 2018 heeft de omwonende een handhavingsverzoek bij het college ingediend vanwege onder meer geluidsoverlast van de tennis- en padelactiviteiten.

Het dwangsombesluit

3. Na overleggen met verzoekster en uitgevoerde onderzoeken naar de gestelde geluidsoverlast heeft het college op 7 mei 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt aan verzoekster. Het college heeft aan dat voornemen onder meer een geluidsonderzoek ten grondslag gelegd, uitgevoerd door Antea Group, naar de gestelde geluidsoverlast bij de woning van de omwonende. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 januari 2024. Het college heeft zich in het voornemen, onder verwijzing naar dat rapport, op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van de geluidsnormen uit artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer (hierna: het Abm). Het college heeft daarbij geconcludeerd dat de overschrijding van de geluidsnormen bij de woning van de omwonende specifiek ziet op het geluid dat afkomstig is van het padelspel in de avondperiode (19:00 – 23:00 uur). Ook heeft het college uit het geluidsonderzoek geconcludeerd dat bij volledige benutting van de faciliteiten van de sportlocatie van verzoekster, tennis en padel, niet wordt voldaan aan geluidsnormen voor de avondperiode. Het college heeft vervolgens, in overleg met de omwonende en in afwachting van een permanente oplossing voor de geluidsoverlast, geen gevolg gegeven aan het voornemen om een last onder dwangsom aan verzoekster op te leggen.
4. Op 15 april 2025 heeft het college, op verzoek van de omwonende, het handhavingstraject hervat en een nieuw voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt aan verzoekster. Daaraan heeft het college, op grond van dezelfde constateringen en hetzelfde geluidsrapport van Antea Group van 25 januari 2024, ten grondslag gelegd dat sprake is van een overtreding van de geluidsnormen uit artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Abm in de avondperiode (19:00 – 23:00 uur) als gevolg van de tennis- en padelactiviteiten bij verzoekster. Tegen dit voornemen heeft verzoekster op
15 mei 2025 zienswijzen ingediend.
5. Bij het dwangsombesluit heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege overschrijding van de geluidsnormen van artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Abm. Daarbij heeft het college verzoekster gelast om vóór 12 maart 2026 de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden onder oplegging van een dwangsom van 2.500 euro per keer dat de overtreding wordt geconstateerd met een maximum van 7.500 euro. Het college heeft in het dwangsombesluit opgenomen dat verzoekster aan de last kan voldoen door er zorg voor te (laten) dragen dat op het sportcomplex geen padel meer wordt gespeeld buiten de tijden waarin wordt voldaan aan de geluidsnormen van artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Abm. Daarbij heeft het college vermeld dat dit concreet betekent dat het spelen van padel na 20:48 uur niet lager is toegestaan, omdat de bedrijfsduurcorrectie slechts tot dit tijdstip ruimte biedt om aan de wettelijke geluidsnormen te voldoen.
6. In de zienswijzenprocedure heeft verzoekster een deskundigenrapport overgelegd, opgesteld door Spider Monkey Consultancy, van 22 mei 2025. Het college heeft bij het dwangsombesluit een nadere reactie daarop overgelegd van Antea Group van 2 december 2025.

Het verzoek om voorlopige voorziening

7. Verzoekster heeft op 11 maart 2026 tegen het dwangsombesluit bezwaar gemaakt en tevens aan de voorzieningenrechter verzocht om het dwangsombesluit te schorsen tot zes weken na bekenmaking van het besluit op het bezwaar. Verzoekster stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden en (subsidiair) dat het college vanwege bijzondere omstandigheden van handhavend optreden had moeten afzien. Verzoekster bestrijdt dat sprake is van een overtreding en bestrijdt in dat verband ook het akoestisch onderzoek van Antea Group dat aan het dwangsombesluit ten grondslag ligt. Verder voert verzoekster aan dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij wijst er in dat verband op dat de padelbanen vergund zijn en dat daarvoor ook een milieumelding is geaccepteerd. Dit maakt volgens verzoekster dat handhavend optreden onevenredig is. Verzoekster wijst daarbij ook op overleg dat plaatsvindt tussen partijen over een structurele oplossing en op het maatschappelijk belang dat de sportvereniging dient, waarmee het college volgens verzoekster onvoldoende rekening heeft gehouden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Uitgangspunten bij de beoordeling
8. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure slechts is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van (in dit geval) de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. In dat verband verricht de voorzieningenrechter een afweging tussen het belang van verzoekster bij schorsing van het dwangsombesluit (en dus bij het ook in de avonduren padel kunnen spelen) en het belang van in dit geval met name de omwonende bij het dwangsombesluit (en dus bij het uitblijven van geluid van padel in de avonduren).
9. Voor het antwoord op de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen is verder van belang of het dwangsombesluit naar verwachting bij het besluit op bezwaar in stand kan blijven. Indien dit niet het geval is, weegt dit mee in voornoemde belangenafweging: gebreken in het dwangsombesluit en de aard en ernst daarvan bepalen mede het gewicht dat aan de belangen van partijen toekomt. Eventuele gebreken leiden echter niet automatisch tot het treffen van een voorlopige voorziening, bijvoorbeeld wanneer deze gebreken bij het besluit op bezwaar kunnen worden hersteld.
10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich, gelet op de inhoudelijke geschilpunten over het uitgevoerde onderzoek van Antea Group, in dit geval niet voor een vergaande inhoudelijke beoordeling. Dat geldt des te meer omdat eerst het college nog aan zet is om in bezwaar op basis van de bezwaargronden een heroverweging te maken.
Belangenafweging
11. Over het belang van verzoekster overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
11.1.
De begunstigingstermijn van het dwangsombesluit is op 18 maart 2026 geëindigd (twee weken na verzending van de last op 3 maart 2026). Het college heeft op 13 maart 2026 ingestemd met uitstel van het uitvoeren van controles tot (na) de uitspraak van de voorzieningenrechter.
11.2.
De opgelegde last, zoals concreet geformuleerd door het college, heeft voor verzoekster tot gevolg dat het gebruik van de padelbanen in de avonduren, tussen 20:48 en 23:00 uur, moet worden gestaakt althans zodanig moet worden teruggebracht dat hiermee aan de geluidsnormen wordt voldaan. Dit betreft dus ongeveer de laatste twee speeluren per dag. De voorzieningenrechter mag ervan uitgaan dat het college binnen de daarvoor geldende wettelijke termijnen op het bezwaar van verzoekster beslist. In dit geval loopt de uiterlijke termijn voor het college om een besluit op bezwaar te nemen af op 12 augustus 2026. [1] Als het dwangsombesluit niet wordt geschorst moet verzoekster (in ieder geval) tot die tijd, om aan de opgelegde last te kunnen voldoen, het gebruik van de padelbanen in de avonduren na 20:48 uur zodanig beperken dat daarmee aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Op elk ander moment in de week, tijdens de openingstijden, mag wel padel worden gespeeld en tennis mag onbeperkt worden gespeeld. Daar komt bij dat ter zitting is gebleken dat het gebruik van de padelbanen na 20:48 uur, zoals opgenomen in de last, niet per definitie betekent dat daarmee ook sprake is van een overtreding van de geluidsnorm. Ter zitting is namelijk gebleken dat andere opties voor verzoekster om aan de geluidsnormen te kunnen voldoen – daargelaten de formulering van de last op dit onderdeel waarop de voorzieningenrechter onder 17 nader ingaat – niet zijn uitgesloten.
Verzoekster heeft verder in ieder geval sinds het voornemen van 7 mei 2024 ook al ruim de tijd gehad om te overleggen met de gemeente over mogelijke oplossingen om aan de geluidsnormen te voldoen of om maatregelen te treffen ter voorkoming van (de overigens wel betwiste) overschrijding van de geluidsnormen.
11.3.
Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft verzoekster gesteld dat indien het dwangsombesluit niet wordt geschorst en verzoekster nu al aan de last zou moeten voldoen, het voortbestaan van de vereniging in gevaar komt door het vertrekken van leden. Pas ter zitting heeft verzoekster dit nader geconcretiseerd door haar stelling dat dit leidt tot een verwachte vermindering van het ledenaantal met 40 %. Verzoekster heeft dit echter niet met gegevens of bijvoorbeeld verklaringen onderbouwd. Ook heeft verzoekster niet onderbouwd dat het niet mogelijk is om de competitie die nu blijkbaar in de avonduren plaatsvindt, te verplaatsen naar bijvoorbeeld overdag in het weekend. Verzoekster heeft daarnaast ook geen andere feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat het verbeuren van dwangsommen voor verzoekster onomkeerbare (financiële) gevolgen heeft.
11.4.
Zonder de onder 11.3 bedoelde nadere onderbouwing acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat door de onder 11.2 genoemde beperking (geen padel na 20:48 uur tot het besluit op bezwaar) leidt tot het in gevaar komen van het voortbestaan van de vereniging. Dat betekent niet dat de voorzieningenrechter niet het belang van verzoekster ziet, maar wel dat de voorzieningenrechter niet kan uitgaan van de door verzoekster gestelde zwaarte daarvan.
12. Over het belang van de omwonende (en daarmee indirect van verweerder) overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
12.1.
De omwonende heeft al in 2018 om handhaving verzocht en stelt dat hij al jaren last heeft van geluid afkomstig van de tennis- en padelbanen. Onderhavig dwangsombesluit is het eerste daadwerkelijke handhavingsbesluit dat het college heeft genomen. Gelet op de situering van de woning van de omwonende ten opzichte van de padelbanen heeft de omwonende belang bij naleving van de geluidsnormen en gezien de lange duur van het handhavingstraject kan dit belang urgent genoemd worden. Het dwangsombesluit leidt er in ieder geval toe dat de omwonende in de avonduren minder geluidsoverlast zal ervaren.
13. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een belangenafweging niet tot de conclusie leidt dat het belang van verzoekster zwaarder moet wegen dan het belang van de omwonende. De gevolgen van het dwangsombesluit voor verzoekster zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo verstrekkend dat zij de beslissing op haar bezwaar niet kan afwachten.
Is het dwangsombesluit evident onrechtmatig?
14. Gelet op de onder 9 en 10 vermelde beperkte intensiteit van de toetsing en gelet op de onder 13 getrokken conclusie over de betrokken belangen, beperkt de voorzieningenrechter zich tot de toets of het dwangsombesluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het dwangsombesluit in bezwaar in stand kan blijven. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.
15. Het college gaat ervan uit dat het oude recht (waaronder het Abm) nog van toepassing is op basis van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het dwangsombesluit (van 24 februari 2026, verzonden 3 maart 2026) een besluit is op het verzoek om handhaving van de omwonende van 24 september 2018. [2] Dat blijkt ook uit de tekst waarmee het dwangsombesluit begint. Dit zou betekenen dat in plaats van een beslistermijn van normaal gesproken acht weken [3] het college een beslistermijn heeft genomen van bijna acht jaar. De voorzieningenrechter vraagt zich gezien dat tijdsverloop ernstig af het aanmerken van het dwangsombesluit als een besluit op aanvraag in plaats van als een ambtshalve genomen besluit niet een veel te vergaande oprekking van het overgangsrecht is, nu als hoofdregel het geldende recht moet worden toegepast en overgangsrecht daarop een uitzondering vormt (die dus restrictief moet worden uitgelegd). Nu het betreffende recht, naar voorlopig oordeel, inhoudelijk niet in relevante zin is gewijzigd, vormt dit echter geen reden om het dwangsombesluit evident onrechtmatig te achten – bovendien is bij het besluit op bezwaar herstel mogelijk – maar de voorzieningenrechter geeft het college wel mee dit aspect te betrekken bij de heroverweging in bezwaar.
16. Wat betreft de vraag of sprake is van een overtreding, stelt de voorzieningenrechter voorop dat het college heeft mogen aannemen dat door de opsteller van de rapporten, Antea Group, adequaat onderzoek is gedaan naar de vraag of verzoekster aan de geluidsnormen voldoet c.q. kan voldoen. De bezwaargronden van verzoekster geven op voorhand geen aanwijzingen voor het gerechtvaardigde vermoeden dat Antea Group niet terzake deskundig zou zijn en evenmin voor de veronderstelling dat het onderzoek zodanige gebreken zou vertonen dat het college daarop niet mocht afgaan. Ook in de bevindingen van de deskundige die door verzoekster voorafgaand aan de zitting zijn ingebracht, ziet de voorzieningenrechter geen grond om op voorhand aan te nemen dat het deskundigenonderzoek van Antea Group niet deugdelijk is en dat het college zich daarop niet mocht baseren. De omstandigheid dat tussen twee deskundigen verschil van inzicht bestaat over de opzet en de resultaten van het uitgevoerde geluidsonderzoek, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om op voorhand die conclusie te trekken. Onderhavige procedure leent zich niet voor een grondige beoordeling van dit geschilpunt. Het is aan het college om in bezwaar hierop gemotiveerd in te gaan. Indien het besluit op bezwaar vervolgens aan de rechtbank zal worden voorgelegd en gemotiveerd wordt betwist op dit onderdeel, kan de rechtbank ertoe besluiten zijn eigen deskundige (de Stichting Advisering bestuursrechtspraak) om advies te vragen. De voorzieningenrechter laat gelet op het voorgaande ook in het midden of het akoestisch onderzoek voldoende is als constatering van overtredingen. De conclusie uit het voorgaande is dat de voorzieningenrechter in hetgeen is aangevoerd door verzoekster geen aanleiding ziet voor het oordeel dat sprake is van evidente onrechtmatigheid.
17. De voorzieningenrechter geeft het college verder mee om bij de heroverweging in bezwaar – indien het college daarbij vasthoudt aan handhavend optreden (op de gekozen wijze) – de formulering van de in de last genoemde concrete herstelmaatregel tegen het licht te houden. De voorzieningenrechter doelt hiermee op de zin “
Concreet betekent dit dat het spelen van padel na 20:48 uur niet langer is toegestaan (…)”. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter begrepen dat andere opties om de overtreding te beëindigen niet uitgesloten zijn. Het college lijkt – enkel toegespitst op dit deel van de last – met voornoemde zin eerder een nieuwe norm te stellen – wat in een last onder dwangsom niet kan – dan handhavend op te treden tegen overtreding van een bestaande norm, nu de formulering niet is dat overtreding kan worden voorkomen of beëindigd door na 20:48 uur geen padel meer te spelen, maar dat padel spelen na dat tijdstip niet langer is toegestaan.
18. Tot slot geeft de voorzieningenrechter alle partijen mee dat de bezwaarfase bij uitstek kan worden gebruikt om in onderling overleg een oplossing te bereiken waar alle partijen iets aan hebben.
Conclusie
19. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
de griffier is verhinderd
voorzieningenrechter
Deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 april 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7.10, eerste lid en derde van de Awb beslist het bestuursorgaan binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, en kan die termijn voor ten hoogte zes weken worden verdaagd.
2.Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
3.Artikel 4:13 van Pro de Awb.