12.1.De omwonende heeft al in 2018 om handhaving verzocht en stelt dat hij al jaren last heeft van geluid afkomstig van de tennis- en padelbanen. Onderhavig dwangsombesluit is het eerste daadwerkelijke handhavingsbesluit dat het college heeft genomen. Gelet op de situering van de woning van de omwonende ten opzichte van de padelbanen heeft de omwonende belang bij naleving van de geluidsnormen en gezien de lange duur van het handhavingstraject kan dit belang urgent genoemd worden. Het dwangsombesluit leidt er in ieder geval toe dat de omwonende in de avonduren minder geluidsoverlast zal ervaren.
13. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een belangenafweging niet tot de conclusie leidt dat het belang van verzoekster zwaarder moet wegen dan het belang van de omwonende. De gevolgen van het dwangsombesluit voor verzoekster zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo verstrekkend dat zij de beslissing op haar bezwaar niet kan afwachten.
Is het dwangsombesluit evident onrechtmatig?
14. Gelet op de onder 9 en 10 vermelde beperkte intensiteit van de toetsing en gelet op de onder 13 getrokken conclusie over de betrokken belangen, beperkt de voorzieningenrechter zich tot de toets of het dwangsombesluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het dwangsombesluit in bezwaar in stand kan blijven. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.
15. Het college gaat ervan uit dat het oude recht (waaronder het Abm) nog van toepassing is op basis van het overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het dwangsombesluit (van 24 februari 2026, verzonden 3 maart 2026) een besluit is op het verzoek om handhaving van de omwonende van 24 september 2018.Dat blijkt ook uit de tekst waarmee het dwangsombesluit begint. Dit zou betekenen dat in plaats van een beslistermijn van normaal gesproken acht wekenhet college een beslistermijn heeft genomen van bijna acht jaar. De voorzieningenrechter vraagt zich gezien dat tijdsverloop ernstig af het aanmerken van het dwangsombesluit als een besluit op aanvraag in plaats van als een ambtshalve genomen besluit niet een veel te vergaande oprekking van het overgangsrecht is, nu als hoofdregel het geldende recht moet worden toegepast en overgangsrecht daarop een uitzondering vormt (die dus restrictief moet worden uitgelegd). Nu het betreffende recht, naar voorlopig oordeel, inhoudelijk niet in relevante zin is gewijzigd, vormt dit echter geen reden om het dwangsombesluit evident onrechtmatig te achten – bovendien is bij het besluit op bezwaar herstel mogelijk – maar de voorzieningenrechter geeft het college wel mee dit aspect te betrekken bij de heroverweging in bezwaar.
16. Wat betreft de vraag of sprake is van een overtreding, stelt de voorzieningenrechter voorop dat het college heeft mogen aannemen dat door de opsteller van de rapporten, Antea Group, adequaat onderzoek is gedaan naar de vraag of verzoekster aan de geluidsnormen voldoet c.q. kan voldoen. De bezwaargronden van verzoekster geven op voorhand geen aanwijzingen voor het gerechtvaardigde vermoeden dat Antea Group niet terzake deskundig zou zijn en evenmin voor de veronderstelling dat het onderzoek zodanige gebreken zou vertonen dat het college daarop niet mocht afgaan. Ook in de bevindingen van de deskundige die door verzoekster voorafgaand aan de zitting zijn ingebracht, ziet de voorzieningenrechter geen grond om op voorhand aan te nemen dat het deskundigenonderzoek van Antea Group niet deugdelijk is en dat het college zich daarop niet mocht baseren. De omstandigheid dat tussen twee deskundigen verschil van inzicht bestaat over de opzet en de resultaten van het uitgevoerde geluidsonderzoek, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om op voorhand die conclusie te trekken. Onderhavige procedure leent zich niet voor een grondige beoordeling van dit geschilpunt. Het is aan het college om in bezwaar hierop gemotiveerd in te gaan. Indien het besluit op bezwaar vervolgens aan de rechtbank zal worden voorgelegd en gemotiveerd wordt betwist op dit onderdeel, kan de rechtbank ertoe besluiten zijn eigen deskundige (de Stichting Advisering bestuursrechtspraak) om advies te vragen. De voorzieningenrechter laat gelet op het voorgaande ook in het midden of het akoestisch onderzoek voldoende is als constatering van overtredingen. De conclusie uit het voorgaande is dat de voorzieningenrechter in hetgeen is aangevoerd door verzoekster geen aanleiding ziet voor het oordeel dat sprake is van evidente onrechtmatigheid.
17. De voorzieningenrechter geeft het college verder mee om bij de heroverweging in bezwaar – indien het college daarbij vasthoudt aan handhavend optreden (op de gekozen wijze) – de formulering van de in de last genoemde concrete herstelmaatregel tegen het licht te houden. De voorzieningenrechter doelt hiermee op de zin “
Concreet betekent dit dat het spelen van padel na 20:48 uur niet langer is toegestaan (…)”. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter begrepen dat andere opties om de overtreding te beëindigen niet uitgesloten zijn. Het college lijkt – enkel toegespitst op dit deel van de last – met voornoemde zin eerder een nieuwe norm te stellen – wat in een last onder dwangsom niet kan – dan handhavend op te treden tegen overtreding van een bestaande norm, nu de formulering niet is dat overtreding kan worden voorkomen of beëindigd door na 20:48 uur geen padel meer te spelen, maar dat padel spelen na dat tijdstip niet langer is toegestaan.
18. Tot slot geeft de voorzieningenrechter alle partijen mee dat de bezwaarfase bij uitstek kan worden gebruikt om in onderling overleg een oplossing te bereiken waar alle partijen iets aan hebben.
19. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.