Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3637

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROE 26/607 en ROE 26/608
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 17.2.1 bestemmingsplanArt. 21.1.2 bestemmingsplanArt. 21.2.1.1 bestemmingsplanArt. 21.2.4 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning voor koelunits wegens onbevoegdheid college

Eiseres, beheerder van wooncomplex Castella, maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan vergunninghoudster verleende voor het plaatsen van koelunits en een transformatorstation bij een nabijgelegen woonzorgcomplex. Het college had de vergunning verleend op basis van een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan, ondanks eerdere weigering in 2023.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet bevoegd was om de omgevingsplanactiviteit voor de koelunits te vergunnen, omdat het bestemmingsplan geen maximale bouwhoogte voorschrijft en de afwijkingsbevoegdheid niet ziet op uitbreiding van het aantal bouwlagen. Het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het mocht afwijken van het bestemmingsplan voor uitbreiding van het hoofdgebouw.

De vergunning voor de trafo werd wel als rechtmatig beoordeeld, omdat deze voldoet aan de redelijke eisen van welstand en de cultuurhistorische waarde. Het beroep van eiseres werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor de koelunits. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De omgevingsvergunning voor de koelunits wordt vernietigd wegens onbevoegdheid van het college, het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/607 en 26/608
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
Vereniging van (hoofd)eigenaars wooncomplex Castella en parkeergarage Abtstraat, uit Maastricht, eiseres
(gemachtigde: mr. J. van de Wiel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college
(gemachtigde: mr. J.B.M. Bergmans).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Woningstichting Servatius uit Maastricht (vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. S. Bastiaans).

Procesverloop

1. Op 13 oktober 2025 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het plaatsen van koelunits en een transformatorstation (trafo). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] , namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, [naam] , namens het college, [naam] namens vergunninghoudster en mr. E.M.J.E. Sterk, kantoorgenoot van de gemachtigde van vergunninghoudster.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres is beheerder van het wooncomplex Castella, gelegen ter hoogte van de [adres] in Maastricht. Direct naast wooncomplex Castella, aan de Abtstraat 13, is het woonzorgcomplex Lenculenhof gelegen (hierna: het complex), waarvan vergunninghoudster eigenaar en verhuurder is
.Op 4 juni 2025 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van koelunits en een trafo op en bij het complex. In 2023 heeft vergunninghoudster hiervoor ook een aanvraag gedaan. Deze aanvraag is destijds door het college geweigerd bij besluit van 11 oktober 2023. De koelunits zijn al op het dak geplaatst en zullen voorzien worden van geluidswerende schermen zoals vergund. Vergunninghoudster heeft voorbereidende werkzaamheden gedaan voor het plaatsen van de trafo, maar heeft deze nog niet geplaatst.
2.1.
Het college heeft de aanvraag van vergunninghoudster beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de koelunits en de trafo vergund kunnen worden, al dan niet met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden van het omgevingsplan ‘gemeente Maastricht’ (het omgevingsplan) dat op het complex van toepassing is. Het college heeft de omgevingsvergunning op 13 oktober 2025 aan vergunninghoudster verleend. De omgevingsvergunning bestaat uit drie activiteiten: het bouwen van de koelunits zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet (de technische bouwactiviteit) en het plaatsen van de koelunits en de trafo gelet op de regels van het omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet vergund (de omgevingsplanactiviteit). Voor het plaatsen van de trafo is volgens het college geen vergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
2.2.
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Het college heeft haar bezwaar ongegrond verklaard met het bestreden besluit van 23 februari 2026. Eiseres is tegen dit besluit in beroep gegaan. Volgens eiseres deugt de stedenbouwkundige beoordeling die aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt niet. Ook vindt eiseres dat de koelunits en de trafo voor geluidsoverlast zullen zorgen. Omdat vergunninghoudster op 26 maart 2026 is gestart met werkzaamheden om de trafo te plaatsen, heeft eiseres om een voorlopige voorziening verzocht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Omvang van het geding
3. Op voorhand constateert de voorzieningenrechter dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de technische bouwvergunning, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, die is verleend voor het bouwen van de koelunits. Dit onderdeel van de vergunning valt buiten de omvang van dit geschil. De voorzieningenrechter zal zich daarom niet uitlaten over dit onderdeel van de vergunning.
De omgevingsplanactiviteit ten aanzien van de koelunits
4. Op grond van het bestemmingsplan ‘Centrum’ (het bestemmingsplan), onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, is de bestemming ‘centrum’ op het complex van toepassing. Voor zover relevant is daarin het volgende bepaald.
4.1.
Op grond van artikel 17.2.1, onder a, van het bestemmingsplan mag het hoofdgebouw niet worden uitgebreid. Daarnaast rust op het complex de aanduiding ‘maximum aantal bouwlagen: 4’. Volgens het college is het plaatsen van koelunits op het dak van het complex een uitbreiding van het hoofdgebouw, waardoor sprake is van strijd met voornoemd artikel van het bestemmingsplan. Het handelen in strijd met het omgevingsplan (waarvan het bestemmingsplan deel uitmaakt) zonder een daarvoor bedoelde omgevingsvergunning is verboden op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Het college heeft de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning verleend door de afwijkingsbevoegdheid in artikel 30, onder g, van het bestemmingsplan toe te passen.
4.2.
In artikel 30, onder g, van het bestemmingsplan is bepaald dat het college bij omgevingsvergunning van de regels van het bestemmingsplan kan afwijken ten aanzien van de maximale toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
5. Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte voor het complex voorschrijft, omdat maximaal vier bouwlagen zijn toegestaan ter plaatse en deze bouwlagen op grond van artikel 1.26 van het bestemmingsplan maximaal 3,5 meter hoog mogen zijn. Desgevraagd heeft het college ter zitting te kennen gegeven niet van mening te zijn dat het plaatsen van de koelunits als het bouwen van een vijfde bouwlaag kan worden beschouwd.
6. De voorzieningenrechter constateert dat in het bestemmingsplan geen maximale bouwhoogte voor het bouwen op het perceel in kwestie is opgenomen. Het bestemmingsplan bepaalt louter dat op het perceel maximaal vier bouwlagen gerealiseerd mogen worden. Dat in de definitie van bouwlaag is bepaald dat een bouwlaag maximaal 3,5 meter hoog mag zijn en dat dit indirect betekent dat niet hoger gebouwd kan worden dan 4 maal 3,5 meter, maakt dat niet anders. Artikel 30, onder g, van het bestemmingsplan is een bevoegdheid voor het college om van het bestemmingsplan en daarmee het omgevingsplan af te wijken enkel in het geval van het overschrijden van de maximale bouwhoogte op een perceel. Die afwijkingsbevoegdheid gaat niet over het uitbreiden van het aantal bouwlagen of het in afwijking van de definitie van bouwlaag in het bestemmingsplan, het hoger maken van een bouwlaag dan toegestaan.
6.1.
Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanduiding die volgens het college een belemmering vormt voor het plaatsen van de koelunits (maximaal vier bouwlagen) en de daarvoor gebruikte afwijkingsbevoegdheid (overschrijden van de maximale bouwhoogte) niet overeenkomen. Er geldt, zie hiervoor, immers geen maximale bouwhoogte en daardoor kan niet met toepassing van artikel 30, onder g, van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Het college was dan ook niet bevoegd om een vergunning te verlenen voor het afwijken van de maximale bouwhoogte.
7. Het bovenstaande neemt niet weg dat het college zich ook en vooral op het standpunt stelt dat het plaatsen van de koelunits in strijd is met artikel 17.2.1, onder a, van het bestemmingsplan, omdat het een uitbreiding van het hoofdgebouw betreft. Ter zitting heeft het college dit standpunt nogmaals bevestigd. Het college heeft echter nagelaten, in zowel het primaire als het bestreden besluit, te motiveren op grond waarvan kan worden afgeweken van deze bepaling. Artikel 30, onder g, van het bestemmingsplan kan in ieder geval geen uitkomst bieden, gelet op wat hiervoor is overwogen. Afwijken van een maximale bouwhoogte staat niet gelijk aan in afwijking van het bestemmingsplan meewerken aan uitbreiding van het hoofdgebouw.
7.1.
Wanneer de voorzieningenrechter als uitgangspunt neemt dat het plaatsen van de koelunits in strijd is met artikel 17.2.1 van het bestemmingsplan, zoals het college en eiseres voorstaan, dan geldt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat hiervoor een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Het college heeft in het bestreden besluit echter ten onrechte besloten dat de omgevingsvergunning voor dit onderdeel terecht is verleend. Immers, er wordt niet gemotiveerd langs welke weg het college meent dat de omgevingsvergunning voor uitbreiding van het hoofdgebouw door plaatsing van koelunits kan worden verleend. Er wordt enkel vastgesteld dat sprake is van strijd met het omgevingsplan. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande het bestreden besluit vernietigen.
7.2.
De voorzieningenrechter zal, naast vernietiging van het bestreden besluit, ook zelf in de zaak voorzien door de omgevingsvergunning wat betreft de voor de koelunits vergunde omgevingsplanactiviteit te herroepen. De bevoegdheid tot verlening daartoe ontbreekt immers. Het door vergunninghoudster voor het eerst op zitting aangedragen standpunt dat geen sprake is van uitbreiding van een hoofdgebouw, maar van realisatie van een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat past binnen de regels van het bestemmingsplan, zal door het college moeten worden meegenomen bij het opnieuw beoordelen van de aanvraag van vergunninghoudster als het gaat om de omgevingsplanactiviteit voor de koelunits. Zelf in de zaak voorzien door de voorzieningenrechter door de omgevingsvergunning te herroepen en vervolgens ook zelf op de aanvraag te besluiten door te bepalen dat plaatsing van de koelunits omgevingsplanvergunningsvrij is, zoals vergunninghoudster opperde, zal de voorzieningenrechter niet doen. Er is op dat vlak namelijk niet maar één uitkomst mogelijk. Immers, het college houdt vast aan haar standpunt dat sprake is van uitbreiding van het hoofdgebouw. Het primaire besluit blijft ten aanzien van de voor de koelunits vergunde technische bouwactiviteit overigens in stand, omdat dit onderdeel van de vergunning geen onderdeel van dit geschil uitmaakt.
7.3.
Nu de omgevingsvergunning ten aanzien van de omgevingsplanactiviteit van de koelunits reeds om voornoemde redenen wordt herroepen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een beoordeling van de overige door gronden die eiseres hiertegen heeft aangevoerd, zoals het geluid van de koelunits en de inpasbaarheid van de koelunits in het beschermd stadsgezicht.
De omgevingsplanactiviteit ten aanzien van de trafo
8. Het plaatsen van de trafo is rechtstreeks toegestaan op grond van artikel 17.2.4, onder d, van het bestemmingsplan. Eiseres heeft dit niet weersproken. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is desalniettemin voor de trafo een omgevingsvergunning nodig zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet, zoals door het college ook is verleend. Tegen dit onderdeel van de verleende vergunning heeft eiseres geen gronden gericht.
9. Naast de bestemming ‘Centrum’ geldt de dubbelbestemming ‘waarde – Maastrichts Erfgoed’ op de locatie. In het bijzonder is de locatie aangemerkt als ‘cultuurhistorisch attentiegebied’ zoals bedoeld in artikel 21.1.2, onder e, van het bestemmingsplan. Op grond van artikel 21.2.1.1, onder b, betekent dit dat op de locatie alleen gebouwd mag worden indien de bestaande cultuurhistorische waardestelling niet wordt aangetast. Het college is daarnaast verplicht om de aanvraag van vergunninghoudster aan de gemeentelijke welstandscommissie voor te leggen op grond van artikel 21.2.4 van het bestemmingsplan. Ook op grond van artikel 22.29 van het omgevingsplan is het college verplicht om de aanvraag te toetsen aan de redelijke eisen van welstand.
10. Het college heeft de aanvraag voorgelegd aan de gemeentelijke welstandscommissie, Cultureel Erfgoed en aan de stedenbouwkundig adviseur. Op basis van de daarvan ontvangen adviezen concludeert het college dat de aanvraag voldoet aan de redelijke eisen van welstand en de richtlijnen die zijn neergelegd in het bestemmingsplan ten aanzien van de cultuurhistorische waarde.
11. Eiseres is het echter oneens met het plaatsen van de trafo. Volgens eiseres is de trafo te prominent aanwezig en is de geluidsoverlast die door de trafo veroorzaakt zal worden onvoldoende onderzocht. Daarnaast stelt eiseres dat het college ten onrechte voorbijgaat aan het overleg dat tussen vergunninghoudster en de bewoners van wooncomplex Castella is gevoerd. Daaruit zou volgens eiseres blijken dat de trafo op andere, betere plekken geplaatst had kunnen worden. Eiseres is daarnaast van mening dat de trafo op dezelfde locatie wordt gerealiseerd als in de in 2023 afgewezen aanvraag en vindt dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft waarom van het standpunt in 2023 wordt afgeweken.
12. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het te produceren geluid en het optreden van verkeersoverlast, oordeelt de voorzieningenrechter dat dit geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende toetsingskader, omdat daarin geen ruimtelijke toets is opgenomen. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden kan de voorzieningenrechter daarom niet toekomen.
12.1.
Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat het standpunt van eiseres dat de trafo niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand en dat de trafo inbreuk maakt op de bestaande cultuurhistorische waardestelling op geen enkele manier is onderbouwd, terwijl het college zich uitgebreid heeft laten adviseren en dit ook gemotiveerd uiteen heeft gezet in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college hierin tekort is geschoten, of dat de trafo anderszins niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand of niet past in de bestaande cultuurhistorische waardestelling. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, de trafo in geschil weldegelijk afwijkt van de trafo die eerder onderwerp was van een afgewezen vergunningaanvraag. Hoewel de trafo op (vrijwel) dezelfde plaats wordt geïnstalleerd als beoogd in de vorige aanvraag, is de trafo naar haar uiterlijke verschijningsvorm anders ingericht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat juist het uiterlijk van de trafo relevant is voor de vraag of de trafo voldoet aan de redelijke eisen van welstand en de cultuurhistorische waarde die op het complex rust. Ter zitting hebben vergunninghoudster en het college duidelijk toegelicht waarom de door eiseres aangedragen alternatieve locaties voor de trafo niet mogelijk zijn, gelet onder andere op de ondergrondse parkeerplaats waarop vanwege gewichtsbeperkingen maar beperkt gebouwd kan worden.
12.2.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit ten aanzien van de trafo had mogen verlenen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit zoals onder 7.1 en 7.2 is overwogen. Het primaire besluit blijft voor het overige in stand.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bestaan deze proceskosten in beroep uit een bedrag van € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1). Omdat het primaire besluit herroepen wordt, ziet de voorzieningenrechter eveneens aanleiding om de door eiseres gevraagde proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen. Op grond van het Bpb bestaan de proceskosten in bezwaar uit een bedrag van € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt en wegingsfactor 1). In totaal bedraagt de door het college te betalen proceskostenvergoeding € 4.134,-. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat het college het door eiseres betaalde griffierecht van € 794,- aan haar vergoedt (te weten tweemaal € 397,-, eenmaal voor het beroep en eenmaal voor het verzoek om voorlopige voorziening).
13.2.
Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet op het beroep van eiseres, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit ten aanzien van de omgevingsplanactiviteit voor de koelunits;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 794,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 4.134,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 16 april 2026
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.