Uitspraak
1.De procedure
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord,
- de conclusie van repliek met producties 3 en 4,
- de schriftelijke weergave van de mondelinge dupliek.
Rechtbank Limburg
CZ Zorgverzekeringen vordert betaling van een deel van de premie over april en augustus 2024 van gedaagde. Gedaagde heeft een deel van de premie niet betaald en stelt dat hij geen zorgverzekeringsovereenkomst met CZ heeft gesloten en geen vertrouwen heeft in het zorgsysteem.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsplicht volgens de Zorgverzekeringswet geldt, tenzij een ontheffing wegens gemoedsbezwaren is verleend, wat hier niet het geval is. Echter, CZ heeft onvoldoende bewijs geleverd dat er een zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen bestond. De enkele stelling dat gedaagde sinds 2019 zelfstandig een polis bij CZ zou hebben, is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank overweegt dat de verzekeringsplicht niet automatisch een overeenkomst creëert en dat CZ niet heeft gesteld dat gedaagde ambtshalve via het bestuursrechtelijk traject bij CZ verzekerd is. Daarom is niet komen vast te staan dat gedaagde een zorgverzekeringsovereenkomst met CZ had in 2024.
De vordering van CZ wordt afgewezen en CZ wordt veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van gedaagde worden begroot op €107,50, inclusief salaris gemachtigde en nakosten.
Uitkomst: De vordering van CZ tot betaling van zorgpremies wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een zorgverzekeringsovereenkomst.