Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3614

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROE 25/310
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 4.1 bestemmingsplanArt. 4.2 bestemmingsplanArt. 4.3 bestemmingsplanArt. 5.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor zorgboerderij wegens strijd met bestemmingsplan en belangenafweging

Eisers vroegen een omgevingsvergunning aan voor het wijzigen van een ketelhuis en het uitdiepen van kassen ten behoeve van een zorgboerderij op hun perceel met agrarische bestemming. Verweerder weigerde de vergunning omdat de zorgboerderij niet als agrarisch gebruik kan worden aangemerkt en niet onder het overgangsrecht valt.

De rechtbank stelt vast dat de zorgboerderij gericht is op zorgverlening met paarden en niet op het voortbrengen van producten, waardoor het niet voldoet aan de definitie van een agrarisch volwaardig bedrijf in het bestemmingsplan. Ook de gebouwen en het overdekt terras passen niet binnen de agrarische bestemming.

Eisers konden niet aantonen dat de in 2016 verleende vergunning voor een natuurgeneeskundige praktijk de zorgboerderij legaliseert. De belangenafweging van verweerder, waarbij het algemeen belang en ruimtelijke ontwikkelingen zwaarder wegen dan het belang van eisers, is niet onevenredig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning mag worden geweigerd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor de zorgboerderij wegens strijd met het bestemmingsplan en een rechtmatige belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25 / 310

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A.A. van den Brand),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aangevraagde omgevingsvergunning voor het wijzigen van het bestaande ketelhuis in een opslagruimte, een pantry en een technische ruimte en het uitdiepen van kassen voor een rijbak ten behoeve van een zorgboerderij op het perceel van eisers. Zij zijn het niet eens met die weigering en de ongegrondverklaring van hun bezwaar daartegen bij het bestreden besluit. Eisers hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij voeren daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit rechtmatig is.
1.1.
De rechtbank vindt dat de aangevraagde (buitenplanse) omgevings-planactiviteit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, omdat de zorgboerderij niet is aan te merken als ‘agrarisch’ maar als ‘maatschappelijk’ gebruik en niet onder het overgangsrecht valt of anderszins is vergund. Volgens de rechtbank heeft verweerder gelet op de belangafweging deze omgevingsplanactiviteit mogen weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en hun beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot oordeel is gekomen en wat de gevolgen hiervan zijn.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 10 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het bestaande ketelhuis in een opslagruimte, een pantry en een technische ruimte en het uitdiepen van de kassen voor een rijbak ten behoeve van een zorgboerderij op het perceel, kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer] , plaatselijk bekend als [straatnaam] te [woonplaats] (hierna: het perceel).
2.1.
Bij besluit van 25 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Verweerder heeft op 23 december 2024 (het bestreden besluit) het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
2.3.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en eisers hebben nog aanvullende stukken overgelegd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [naam architect] als architect namens eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eisers zijn eigenaar van het perceel. Zij zijn vanaf 1994 op het perceel paarden gaan houden en hebben in 2010 de exploitatie van glastuinbouw beëindigd. Vanaf 2010 kreeg de paardenhouderij steeds meer een zorgcomponent. Momenteel bedrijven eisers een zorgboerderij, bekend onder de naam ‘ [naam] ’. Op de zorgboerderij wordt voor zorgbehoevenden dagbesteding en begeleiding geboden met behulp van paarden. Voor de zorgboerderij worden momenteel 6 paarden ingezet waarbij groei naar eventueel 12 paarden mogelijk is. [naam] heeft tussen de 25 en 30 cliënten en kan uitgroeien tot maximaal 50 cliënten.
3.1.
Op 6 februari 2024 heeft er op het perceel een controle plaatsgevonden. Naar aanleiding van die controle heeft een medewerker van de afdeling Team Toezicht en Handhaving op 21 februari 2024 een gesprek gehad met eisers. In dat gesprek werd door de medewerker duidelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel en de bebouwing als zorgboerderij in strijd is met het bestemmingsplan en een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd. Ook voor het voormalige ketelhuis op het perceel dat is omgebouwd naar een schuur, alsmede het gebruik van de tuinkas als rijbak is onterecht geen omgevingsvergunning aangevraagd.
3.2.
Eisers hebben op 10 juni 2024 de onder 2 vermelde aanvraag ingediend.
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel volgens het geldende bestemmingsplan - zie ook onder 7 - de bestemmingen ‘Agrarisch’ (op de afbeelding met donkergroene kleur) en ‘Agrarisch – onbebouwd’ (op de afbeelding met lichtgroene kleur) heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.4.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat de omgevingsplanactiviteit niet in overeenstemming is met de op het perceel aangewezen bestemming(en) en het bouwplan tevens niet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voldoet.
3.5.
Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt, omdat zij vinden dat het gebruik als zorg middels paarden al was vergund en deze zorg ook niet wordt uitgesloten in artikel 5.3 van het bestemmingsplan. Tevens draagt de nu gevoerde exploitatie aldus eisers juist bij aan de omgeving.
3.6.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de aanvraag ziet op gebruik, en daartoe bedoelde bouw- en aanlegactiviteiten, die geen verband houden met een agrarische bedrijfsvoering, zodat het gebruik strijdig is met de bestemming. De op 4 juli 2016 van rechtswege verleende vergunning ziet, aldus verweerder, op een natuurgenees-kundige praktijk aan huis in een bestaand gebouw, hetgeen een ondergeschikte functie betreft. Volgens verweerder kan de omgevingsvergunning niet verleend worden, omdat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de fysieke leefomgeving.
3.7.
Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben daarom beroep ingesteld.
Standpunten van partijen
4. Eisers stellen zich primair op het standpunt dat de paardenhouderij is toegestaan onder de huidige bestemming, omdat de paardenhouderij is aan te merken als agrarisch gebruik. Mocht hiervan geen sprake zijn, dan stellen zij dat de paardenhouderij op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Verweerder was aldus eisers op de hoogte van de paardenhouderij, omdat verweerder op 27 maart 2012 een vergunning heeft verleend voor het plaatsen van twee containers ten behoeve van de paardenhouderij. De rijbak had daarom volgens eisers al vergund kunnen worden. Eisers stellen dat door de jaren heen het houden van paarden steeds meer een zorgfunctie kreeg en verweerder hiervan op de hoogte was, doordat verweerder zelf zorgbehoevenden doorverwees naar eisers. Eisers wijzen erop dat in 2016 een aanvraag is ingediend voor een natuurgeneeskundige praktijk en deze van rechtswege is vergund, hetgeen onlosmakelijk verband houdt met de paardenhouderij. Eisers achten het afdak bij het ketelhuis vergunningsvrij.
4.1.
Eisers zijn van mening dat zij uit het contact met de betreffende toezichthouder/ handhaver het gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat verweerder medewerking zou geven aan het verlenen van de omgevingsvergunning om zo de bestaande zorg met het houden van paarden planologisch in te bedden.
4.2.
Volgens eisers worden er geen relevante beschermde gemeentelijke belangen, zoals natuur- of landschapsbelangen, geschaad omdat de voorgenomen activiteiten vrijwel allemaal inpandig plaatsvinden met uitzondering van het afdak bij het bestaande ketelhuis. Aldus eisers heeft verweerder niet adequaat onderbouwd dat het huidige gebruik meer belastend is voor deze belangen dan het exploiteren van glastuinbouw. Verder heeft verweerder volgens eisers ten onrechte in zijn belangenafweging rekening gehouden met andere omgevingsplannen dan wel voorgenomen projecten (zoals dijkversterking, aanleg plezierhaven en woningbouw). Het omzetten van glastuinbouw naar een paardenhouderij met zorg geeft verweerder juist meer planologische mogelijkheden.
5. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat een zorgboerderij, waarbij de activiteiten zijn gericht op een zorgfunctie en niet op het voortbrengen van producten (zoals een paardenfokkerij), niet kan worden gezien als een agrarische activiteit. Volgens verweerder blijkt uit de brief van 27 maart 2012 dat de twee aangevraagde containers vergunningsvrij waren. Het overgangsrecht vindt volgens verweerder geen toepassing, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de zorgboerderij reeds bestond. De in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het hebben van een natuurgeneeskundige praktijk brengt aldus verweerder geen uitbreiding van de bestaande bebouwing met zich mee en zag enkel op een gedeelte ervan. Een natuurgeneeskundige praktijk staat volgens verweerder niet gelijk aan het exploiteren van een zorgboerderij en heeft geen legaliserend effect. Met betrekking tot het afdak bij het ketelhuis is verweerder van mening dat dit overdekt terras gelet op de uitvoering ervan kan worden gekwalificeerd als gebouw, hetgeen wat betreft het gebruik in ieder geval niet passend is binnen de bestemming(en). Mocht het al als bouwwerk, geen gebouw zijnde, kunnen worden beschouwd dan wordt de toegestane hoogte van 2,50 meter overschreden. Verweerder stelt voorop dat het weigeren van de vergunning niet zegt dat het niet zou zijn toegestaan om een paardenhouderij te hebben die gezien kan worden als een productie gebonden agrarisch bedrijf. Ook het uitdiepen van de kas ten behoeve van een dergelijk agrarisch bedrijf stuit aldus verweerder niet op weerstand.
5.1.
Volgens verweerder kan uit het contact met de toezichthouder/handhaver niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden aangenomen dat de omgevingsvergunning zou worden verleend.
5.2.
Verweerder ziet in de ontwikkelingen in de ruimtelijke herstructureringen relevante algemene belangen die zijn betrokken bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
Omvang van het geschil
6. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aangevraagde omgevings-vergunning mocht weigeren. Die beoordeling doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden in het licht van de wettelijke bepalingen die gelden voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
6.1.
Tussen partijen is (met name) in geschil of de zorgboerderij is aan te merken als ‘agrarisch gebruik’ en daarmee volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Als dat niet zo is, is voorts in geschil of verweerder al dan niet een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit had moeten verlenen. [1]
Juridisch kader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (hierna: de Ow) in werking getreden. Die is hier van toepassing. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Venlo’ (hierna: het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. [2] Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Océ en omgeving’ [3] (hierna: het bestemmingsplan) - de rechtbank verwijst ook naar 3.3 - van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Venlo.
7.1.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
7.2.
Blijkens artikel 4.1 van het bestemmingsplan zijn de op de plankaart voor ‘Agrarisch – onbebouwd’ aangewezen gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik, agrarische bedrijfsuitoefening, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.
7.3.
Uit artikel 4.2 van het bestemmingsplan blijkt dat op grond van de bestemming ‘Agrarisch – onbebouwd’ uitsluitend schuilgelegenheden voor dieren mogen worden gebouwd onder bepaalde voorwaarden.
7.4.
In artikel 4.3 van het bestemmingsplan is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte niet meer dan 2,5 meter en de oppervlakte niet meer dan 6 m2 mag bedragen.
7.5.
Uit artikel 5.1 van het bestemmingsplan volgt dat de op de plankaart voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsuitoefening en de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een glastuinbouwbedrijf, indien de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding ‘glastuinbouwbedrijf’.
7.6.
In artikel 1.8 van het bestemmingsplan is ‘agrarisch volwaardig bedrijf’ als volgt omschreven: een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren.
7.7.
Ingevolge artikel 5.2.1, sub a, van het bestemmingsplan mogen er uitsluitend gebouwen worden gebouwd ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven.
7.8.
Blijkens artikel 5.2.2, onder c, van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat, behoudens silo’s en erf- en terreinafscheidingen, de hoogte van een bouwwerk niet meer dan 2,5 meter mag bedragen.
7.9.
Uit artikel 35.3 van het bestemmingsplan blijkt dat het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan, mogen worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van het gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen van dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.
7.10.
In artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Beoordeling
Is de omgevingsplanactiviteit in strijd met het bestemmingsplan?
8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld - zie onder 6.1. - of de zorgboerderij van eisers op het perceel al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan.
8.1.
Op het perceel liggen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch – ongebouwd’. Op grond van artikel 4.1, sub a, van het bestemmingsplan is het perceel bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening. Op grond van artikel 5.1, sub a, van het bestemmingsplan is het perceel tevens bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Volgens eisers is sprake van het houden van paarden met zorg. Tussen partijen is in geschil of dit als agrarisch gebruik kan worden aangemerkt. In het bestemmingsplan is agrarisch gebruik niet letterlijk gedefinieerd. Wel is het begrip ‘agrarisch volwaardig bedrijf’ gedefinieerd in artikel 1.8 van het bestemmingsplan. Daaruit volgt dat in ieder geval een vereiste is dat het bedrijf gericht moet zijn op het voortbrengen van producten en/of dieren.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de zorgboerderij van eisers hieraan niet voldoet. Dit bedrijf is niet gericht op het voortbrengen van producten, maar - zie ook onder 3 - op het leveren van zorg met paarden. De omvang van de zorg toont dit ook aan. Eisers hebben aangegeven dat de zorgboerderij op het moment tussen de 25 tot 30 cliënten heeft en er 6 fte werk is. De activiteiten die op het perceel plaatsvinden zien op dagbesteding, verzorging en onderhoud van de locatie en paardeninterventie. Er worden voor de zorgboerderij 6 paarden ingezet en er staan 2 paarden privé.
8.3.
Blijkens de aanvraag is de opslag, de pantry, de technische ruimte en de rijbak in de kassen bedoeld ten behoeve van de zorgboerderij, zodat dit volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan.
8.4.
Met betrekking tot het overdekt terras en de gang tussen het ketelhuis en de opslagruimte overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 1 van Pro het bestemmingsplan is bepaald dat onder gebouw wordt verstaan: ‘elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt’. De rechtbank is van oordeel dat het overdekt terras en de gang als een ‘gebouw’ kunnen worden aangemerkt, omdat het terras overdekt is en aan twee zijdes een wand heeft en de gang eveneens overdekt is en met wanden omkleed. Ingevolge artikel 4.2 van het bestemmingsplan kan er alleen een gebouw worden gebouwd dat een schuilgelegenheid voor dieren betreft. Daar is in onderhavig geval geen sprake van. Ingevolge artikel 5.2.1, onder a, van het bestemmingsplan mogen er alleen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven. Zoals hiervoor overwogen is hier geen sprake van.
8.5.
Gelet op het voorgaande kunnen eisers geen geslaagd beroep doen op het overgangsrecht van artikel 35.3 van het bestemmingsplan, omdat de zorgboerderij niet als paardenhouderij kan worden aangemerkt. Tevens vonden de eerste activiteiten met een zorgcomponent pas vanaf 2010 plaats terwijl het bestemmingsplan is vastgesteld op
17 december 2008.
8.6.
Eisers hebben zich ter zitting nog op het standpunt gesteld dat het gedeelte tussen het ketelhuis en de opslag/werkruimte al overdekt was voordat het perceel werd gekocht en slechts vernieuwd is in het kader van sanering. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat uit de bouwtekeningen blijkt dat het eerst niet overdekt was. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht uitgaan van de bouwtekeningen die eisers zelf bij de aanvraag hebben aangeleverd.
8.7.
In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het overdekt terras en de gang tussen het ketelhuis en de opslag/werkruimte ook vanwege de hoogte en de oppervlakte ingevolge de artikelen 4.3 en 5.2.2, onder c, van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan.
8.8.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat zowel het gebruik als zorgboerderij alsook de voormelde gebouwen niet zijn toegestaan op grond van het bestemmingsplan. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder (ter zitting) dat de zorgboerderij van eisers als maatschappelijk en niet als een agrarisch gebruik dient te worden aangemerkt. De desbetreffende beroepsgronden slagen niet. De rechtbank vindt met verweerder dat een rijbak in het kader van een paardenhouderij wel is toegestaan.
Kunnen eisers een beroep doen op de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning?
9. Eisers vinden dat met de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de natuurgeneeskunde praktijk ook de zorgboerderij is toegestaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dat niet zo is.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat uit de in 2016 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor een natuurgeneeskundige praktijk niet blijkt dat de huidige zorg(verlening) met paarden is vergund. De rechtbank is het met verweerder eens dat een natuurgeneeskundige praktijk niet gelijk staat aan het hebben van een zorgboerderij met paarden zoals die door eisers plaatsvindt. Daarmee heeft de omgevingsvergunning uit 2016 dus geen legaliserend effect in dit verband
.Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten verlenen?
10. Eisers vinden dat verweerder de omgevingsvergunning had moeten verlenen. Verweerder vindt dat hij de omgevingsvergunning mocht weigeren.
10.1.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt een omgevings-vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
10.2.
Het bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevings-vergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het voldoende is gemotiveerd. Daarbij kan aan de orde komen en of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Vertrouwensbeginsel
11. Eisers hebben in dit verband naar voren gebracht dat verweerders gemeente in de afgelopen jaren juist zelf zorgbehoevenden naar hen heeft doorverwezen. Zij stellen zich op het standpunt dat zij op basis van met de handhaver/toezichthouder gevoerde correspondentie het gerechtvaardigd vertrouwen mochten ontlenen dat de gemeente zou meewerken aan het verlenen van de omgevingsvergunning.
11.1.
De rechtbank heeft kennis genomen van deze correspondentie en kan daaruit niet de conclusie trekken dat er een toezegging (namens het bevoegd gezag) aan eisers is gedaan. Dat hebben zij ter zitting ook erkend. [4] Anders dan eisers vinden, betrekt de rechtbank dit dus niet in de beoordeling van de door verweerder gemaakte belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
12. Volgens eisers is het onredelijk dat verweerder andere belangen zwaarder heeft laten wegen dan hun belang.
12.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat voor de belangenafweging de door eisers gemaakte vergelijking tussen het exploiteren van glastuinbouw en het hebben van een zorgboerderij niet opgaat, omdat op het perceel, zoals ter zitting vastgesteld, volgens het bestemmingsplan geen aanduiding glastuinbouw ligt. De rechtbank gaat daarom verder niet in op het standpunt van eisers dat de huidige activiteiten minder belastend zijn dan het exploiteren van glastuinbouw.
12.2.
Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat een maatschappelijke functie op het perceel niet in overeenstemming is met de agrarische bestemming die op het perceel rust en niet past in de gemeentelijke structuurvisie en omgevingsvisie. Ook gelet op de ruimtelijke ontwikkelingen van onder andere de doorontwikkeling van het Canonterrein, het realiseren van woningbouw in Venlo-Noord en het project Vierwaarden acht verweerder een maatschappelijke functie op het perceel (vooralsnog) niet wenselijk.
12.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging de vergelijking tussen een agrarische en maatschappelijke functie mocht maken. Op het perceel rust namelijk een agrarische bestemming en de activiteiten rondom de zorgboerderij hebben een maatschappelijke functie. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de aangevraagde activiteiten vrijwel allemaal inpandige activiteiten betreffen en er dus geen sprake is van meer massa aan gebouwen. Wat daarvan zij, dat doet niet af aan het maatschappelijke gebruik van de zorgboerderij en dat past niet in het bestemmingsplan en sluit, zoals (ter zitting) ook niet is weersproken door eisers, niet aan bij de gemeentelijke structuurvisie en omgevingsvisie. Gelet op het feit dat het dus om een wezenlijk andere functie gaat, mocht verweerder volgens de rechtbank hier meer gewicht aan toekennen dan aan het belang van eisers.
12.4.
In dit verband overweegt de rechtbank nog dat het niet van (doorslaggevend) belang is dat er nog onduidelijkheid bestaat over de precieze ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Het is volgens de rechtbank voldoende, mede gelet op de voormelde visies, dat verweerder vanwege de daarin opgenomen ruimtelijke uitgangspunten/voorgenomen ontwikkelingen niet met het initiatief van eisers meegaat, ook al weet verweerder nog niet zeker hoe de ruimtelijke ontwikkelingen er uiteindelijk precies zullen uitzien.
12.5.
Uit het voorgaande volgt dat de weigering van de gevraagde omgevings-vergunning gelet op de door verweerder gemaakte belangenafweging niet onevenredig is. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren en het bestreden besluit daarom in stand kan blijven.
Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.J.M. Thelen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
rechter
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat hier niet de technische bouwactiviteit aan de orde is.
2.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Ow.
3.Vastgesteld op 17 december 2008.
4.Aan de vervolgstappen in dit verband - zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 - komt de rechtbank dus niet toe.