Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 6,
- de brief van de rechtbank van 1 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 maart 2026.
2.De feiten
De helft van de getaxeerde waarde van [adres 2] krijgt
Het door haar nader te concretiseren porselein, bestek, grote glazen kast
- De eigendom van [adres 2] krijgen;
- [adres 1] volledig houden;
- En gaat zij akkoord met zijn bod van € 5.000,- voor de auto.
[makelaar] gaat de waarde van het pand aan de [adres 2] bepalen.
[makelaar] gaat de waarde van het pand aan de [adres 1] bepalen.
[makelaar] gaat het pand aan de [adres 1] verkopen,
[makelaar] geeft binnen 2 weken de waardebepaling af. Mocht hij aangeven dat dat niet mogelijk is, worden afspraken over het eventueel oprekken van de termijn gemaakt.
Alle kosten van het onroerend goed in verband met de verdeling worden gedeeld.
De heer [partij 2] benaderd [makelaar] .
De heer [partij 2] betaald aan mevrouw [partij 1] € 5000,- voor de auto binnen één week bij de notaris.
Er wordt nu geen uitvoering gegeven aan het kortgeding vonnis. Deze afspraken komen hiervoor in de plaats.
3.Het geschil
4.De beoordeling
“alle kosten van het onroerend goed in verband met de verdeling worden gedeeld”. Die (volgens [partij 1] gemaakte) afspraak over de kosten, voor zover die al zou zijn gemaakt, impliceert echter in het geheel niet dat is afgesproken dat de opbrengst van de panden bij helfte wordt verdeeld. Verdeling van de verkoopopbrengst van de panden bij helfte is immers iets geheel anders dan de verdeling van de verkoopkosten bij helfte. In dit verband heeft [partij 1] op de mondelinge behandeling voor het eerst de stelling ingenomen dat de afspraken bij de notaris op 22 oktober 2024 zijn gemaakt als ‘opmaat’ tot de thans door [partij 1] gewenste verdeling tussen partijen, welke (nieuwe) verdeling volgens [partij 1] ook op 22 oktober 2024 is afgesproken. Die blote stelling van [partij 1] heeft [partij 2] gemotiveerd betwist. Al het vorenoverwogene – waarbij gezien het oordeel van de rechtbank het antwoord op de vraag of de door [partij 1] gestelde afspraken op 22 oktober 2024 tot stand zijn gekomen in de door haar bedoelde zin in het midden kan worden gelaten – maakt dat de primaire vordering I van [partij 1] moet worden afgewezen. De overige weren ter zake die vordering behoeven gelet hierop geen nadere beoordeling.