ECLI:NL:RBLIM:2026:3590

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/03/350222 / KG ZA 26-87
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Rulkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop en levering woning tijdens voorlopige hechtenis

Partijen hadden een affectieve relatie en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning. Na beëindiging van hun relatie is gedaagde in voorlopige hechtenis geplaatst wegens verdenking van poging doodslag of huiselijk geweld jegens eiser. Sindsdien draagt eiser alleen de lasten van de woning, wat financieel onhoudbaar is.

Eiser vordert dat gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, omdat gedaagde niet meewerkt en geen zicht is op zijn invrijheidstelling. Gedaagde wil de woning na zijn vrijlating overnemen, maar kan dit financieel niet aannemelijk maken.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij verkoop vanwege de financiële situatie en de langdurige voorlopige hechtenis van gedaagde. De belangen van eiser wegen zwaarder dan die van gedaagde. Daarom wordt gedaagde veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering, met een minimale verkoopprijs van € 430.000,00. Het vonnis treedt in de plaats van benodigde wilsverklaringen als gedaagde niet meewerkt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen eigen kosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en levering van de woning met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/350222 / KG ZA 26-87
Vonnis in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.A. van Enckevort,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R. Engwegen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met productie 1 tot en met 9;
  • de e-mail van mr. Engwegen met productie 1;
  • de mondelinge behandeling van 31 maart 2026;
  • de spreekaantekeningen van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, waaruit op 28 juni 2023 een dochter is geboren.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] te [plaats 1] (de woning). Ter financiering van de woning zijn partijen een hypothecaire geldlening aangegaan bij Argenta. De WOZ-waarde van de woning bedroeg per 1 januari 2025 € 4441.000,00, de aan de woning verbonden hypotheekvordering bedroeg per die datum € 326.019,22.
2.3.
De affectieve relatie tussen partijen is medio 2025 geëindigd.
2.4.
[gedaagde] is op 27 augustus 2025 aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst in verband met een verdenking van poging doodslag, dan wel huiselijk geweld jegens [eiser] . Als gevolg daarvan heeft de werkgever van [gedaagde] zijn loonbetalingen met ingang van 27 augustus 2025 stopgezet.
2.5.
Sinds [gedaagde] in voorlopige hechtenis zit, draagt [eiser] de maandelijkse vaste laste alleen, te weten:
  • € 1.130,20 aan hypotheekrente
  • € 535,26 aan aflossing hypotheek
  • € 208,00 aan gas en elektra
  • € 27,30 aan water
  • € 154,68 aan verzekeringen
  • € 1.799,28 aan kinderopvangkosten
2.6.
Bij brief van 22 dec 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat zij de woning in de verkoop wenst te zetten, omdat zij niet in staat is de financiële lasten die aan de woning zijn verbonden te voldoen.
2.7.
Bij brief van 20 jan 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven daaraan niet te willen medewerken omdat hij de woning na zijn invrijheidstelling wenst over te nemen.
2.8.
[eiser] woont momenteel alleen met de minderjarige dochter van partijen in de woning. [eiser] heeft een netto maandelijks inkomen van € 2.477,31. [eiser] ontvangt daarnaast kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag.
2.9.
Na een pro-forma zitting heeft de rechtbank op 26 februari 2026 bepaald dat de voorlopige hechtenis van [gedaagde] wordt verlengd. Op 26 mei 2026 is de volgende pro-forma zitting waarbij de voortzetting van de voorlopige hechtenis opnieuw wordt beoordeeld.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert:
1. te bevelen dat [gedaagde] binnen 7 dagen na betekening van het vonnis zijn medewerking verleent aan verkoop van de woning door in ieder geval:
a. het ondertekenen van de bemiddelingsopdracht aan een door [eiser] aan te wijzen makelaar;
b. het ondertekenen van alle overige door de makelaar noodzakelijk geachte stukken;
c. het accepteren van een door de makelaar als marktconform en gebruikelijk aangemerkte bieding, mits de koopsom minimaal € 430.000,00 bedraagt;
d. het ondertekenen van de koopovereenkomst;
2. te bepalen dat, voor het geval [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van alle voor de verkoop van de woning benodigde wilsverklaringen en handtekeningen van [gedaagde] ;
3. te bevelen dat [gedaagde] binnen 7 dagen na daartoe door de notaris te zijn opgeroepen, zijn volledige medewerking verleent aan de levering van de woning door in ieder geval:
a. het ondertekenen van de leveringsakte en alle overige door de notaris noodzakelijk geachte stukken;
b. het verstrekken van alle benodigde gegevens en informatie aan de notaris;
4. te bepalen dat, voor het geval [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de levering van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van alle voor de levering van de woning benodigde wilsverklaringen en handtekeningen van [gedaagde] ;
5. te bepalen dat de netto verkoopopbrengst van de woning – na aflossing van de hypotheekschuld en betaling van de aan de verkoop verbonden kosten – tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;
6. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor ieder dag(deel) dat hij in gebreke blijft aan de onder I en III gegeven veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 25.000,00;
7. voor het geval [gedaagde] in de woning verblijft of zich daar laat inschrijven:
a. [gedaagde] te veroordelen om de woning uiterlijk op de datum van levering te ontruimen en ontruimd, met medeneming van alle spullen, en de sleutels aan [eiser] /de notaris/de makelaar af te geven;
b. te bepalen dat, als [gedaagde] niet tijdig aan de ontruimingsverplichting voldoet, de vrouw de woning met behulp van de sterke arm van politie en justitie mag doen bewerkstelligen;
c. [gedaagde] te veroordelen zich binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen op het adres van de woning;
8. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] zit in voorlopige hechtenis en heeft sinds 27 augustus 2025 geen inkomen meer. [eiser] is financieel niet in staat om de lasten van de woning nog langer te dragen. Haar inkomen is daarvoor onvoldoende. De woning dient daarom zo snel mogelijk aan een derde te worden verkocht. [gedaagde] werkt daar niet aan mee. Op dit moment is het onzeker wanneer hij vrijkomt en de verwachting is dat dat minstens maanden kan duren. Of hij daarna in de woning zou mogen terugkeren is ook niet duidelijk, nu niet is uitgesloten dat [gedaagde] een straat- en/of contactverbod krijgt opgelegd. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij een veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de verkoop van de woning.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat zij vordering 5 en 7 intrekt. De voorzieningenrechter zal deze vorderingen daarom niet verder behandelen.
Spoedeisend belang
4.2.
De voorzieningenrechter is, anders dan [gedaagde] , van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Vast staat dat partijen ten aanzien van de woning in onverdeeldheid verkeren, [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheekschuld en [gedaagde] niet bijdraagt in de lasten. Als uitgangspunt in situaties als deze geldt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Daar komt bij dat [gedaagde] sinds 27 augustus 2025 in voorlopige hechtenis verblijft en – nu niet is gebleken van een eventuele schorsing – in ieder geval nog tot 26 mei 2026 in voorlopige hechtenis zal blijven. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat haar inkomen ontoereikend is om de aan de woning verbonden lasten te kunnen betalen en in het levensonderhoud van haarzelf en haar dochter te voorzien. Dat betekent dat de financiële problemen van [eiser] gedurende de tijd dat [gedaagde] in voorlopige hechtenis zit, alsmaar groter worden. Hoe lang [gedaagde] nog in voorlopige hechtenis zit, is onzeker. Van [eiser] kan gelet hierop niet worden gevergd dat zij voor de verdeling van de woning de bodemprocedure afwacht.
Inhoudelijke beoordeling
4.3.
De vraagt ligt voor of [gedaagde] moet worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt als volgt.
4.4.
[gedaagde] zit sinds 27 augustus 2025 in voorlopige hechtenis. Nu [gedaagde] wordt verdacht van ernstige strafbare feiten, de volgende pro-forma zitting op 26 mei 2026 plaatsvindt en nergens een eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis uit blijkt, acht de voorzieningenrechter het voorshands niet aannemelijk dat [gedaagde] op korte termijn in vrijheid zal worden gesteld. [eiser] heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat haar inkomen ontoereikend is om de aan de woning verbonden hypotheek en de overige vaste lasten nog langer te voldoen en zij hiervoor geld moest lenen van haar ouders. Het enkele feit dat zij kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag ontvangt, maakt dat niet anders. Dit is namelijk een tegemoetkoming in de kosten. Niet is gebleken dat [eiser] hiermee de kosten kan dragen. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat ook niet van de ouders van [eiser] kan worden verwacht dat zij – zoals zij dat in het verleden sinds de voorlopige hechtenis van [gedaagde] hebben gedaan – financieel blijven bijspringen.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat op de gezamenlijke rekening van partijen geen saldo meer aanwezig is om de lasten te betalen. Ook is niet gebleken dat er andere gemeenschappelijke goederen een dusdanige waarde vertegenwoordigen dat met de verkoop van die goederen de financiële lasten kunnen worden voldaan. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter met [eiser] van oordeel dat de woning zo spoedig mogelijk dient te worden verkocht. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven de woning te willen overnemen, maar heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat dit financieel gezien mogelijk is, terwijl dit door [eiser] wordt betwist. Dat [gedaagde] na zijn invrijheidstelling weer aan het werk kan bij zijn werkgever – zoals hij zelf stelt – blijkt ook nergens uit. [gedaagde] heeft momenteel geen inkomen en heeft geen (concreet) zicht op invrijheidstelling, zodat de kans dat hij in staat is om de woning over te nemen zeer gering wordt ingeschat.
4.6.
Voor zover [gedaagde] nog heeft aangevoerd dat zijn belang bij het behoud van de woning dient te prevaleren boven het belang van [eiser] om tot snelle verkoop van de woning over te gaan, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ook hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Het is begrijpelijk dat [gedaagde] vreest dat hij dakloos raakt wanneer hij uit voorlopige hechtenis komt. De vrees van [eiser] dat de bank zal overgaan tot openbare verkoop van de woning indien de hypotheek niet wordt betaald, is ook reëel. Het is daarnaast ook in het belang van [gedaagde] dat een executieverkoop wordt voorkomen, nu een dergelijke verkoop doorgaans minder oplevert. In het geval van een executieverkoop heeft hij hoe dan ook geen woonruimte meer. Tegen deze achtergrond weegt het belang van [eiser] om de woning zo spoedig mogelijk te kunnen verkopen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook zwaarder dan het belang van [gedaagde] om de huidige situatie in stand te laten. Daarbij weegt de voorzieningenrechter ook mee dat hij er zelf voor heeft gekozen gedurende de afgelopen zeven maanden niet bij te dragen in de kosten, terwijl hij ter mondelinge behandeling heeft aangevoerd hiertoe wel in staat te zijn.
4.7.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan niet van [eiser] worden verwacht dat zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypotheekschuld en zij haar financiële problemen verder laat oplopen. De voorzieningenrechter acht het dan ook aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat tot verdeling moet worden overgegaan.
4.8.
Vooruitlopend op een verdeling door de bodemrechter, kan in kort geding een veroordeling worden uitgesproken van een deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot de gemeenschap behorend goed aan een derde. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter begrijpt de vorderingen van [eiser] aldus dat onder de medewerking tot verkoop van de woning mede wordt verstaan het (samen met [eiser] ) verstrekken van een verkoopopdracht aan een makelaar. [eiser] zal binnen een week na dit vonnis daarvoor drie makelaars voordragen, waaruit [gedaagde] binnen een week een verkoopmakelaar zal moeten kiezen. Indien [gedaagde] niet tijdig zijn keuze bekendmaakt aan [eiser] , zal de makelaar van de keuze van [eiser] als verkoopmakelaar optreden. De verkoopmakelaar zal partijen bindend adviseren met betrekking tot de vraagprijs van de woning. Partijen zullen een door de makelaar als marktconform en gebruikelijk aangemerkte bieding accepteren, mits de koopsom ten minste € 430.000,00 bedraagt. Voor zover de woning verkoopklaar moet worden gemaakt en de spullen van [gedaagde] moeten worden opgeslagen, heeft [eiser] toegezegd dat zij (samen met de vader van [gedaagde] ) bereid is om dat voor haar rekening te nemen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [eiser] zich aan deze toezeggingen houdt en [gedaagde] informeert over de opslag van zijn spullen.
4.9.
[eiser] vordert voorts te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot verkoop van de woning alsmede van de leveringsakte. [gedaagde] verzet zich hiertegen, omdat nergens uit zou blijken dat hij geen medewerking zal verlenen. De voorzieningenrechter overweegt dat de detentie van [gedaagde] een vertragende factor kan vormen bij de communicatie met hem. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat partijen alles zoveel mogelijk in goed overleg bespreken en regelen. Voor zover [gedaagde] niet binnen de in de beslissing genoemde termijnen zijn medewerking verleent, heeft [eiser] er evenwel belang bij dat het vonnis in de plaats zal treden van de vereiste wilsverklaringen van [gedaagde] voor de verkoop en levering van de woning. Vorderingen 2 en 4 zullen daarom worden toegewezen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] bij haar vordering tot het opleggen van een dwangsom als medewerking van [gedaagde] uitblijft, geen belang meer heeft. Als medewerking van [gedaagde] uitblijft, treedt het vonnis immers in de plaats van zijn benodigde wilsverklaringen en handtekeningen. De gevorderde dwangsom wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
4.10.
In de familierechtelijke aard van dit geschil wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.11.
[gedaagde] verzoekt de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen, omdat een eventueel appel – bij een toewijzing van deze vordering en hieruit voortvloeiende verkoop van de woning – anders geen zin meer heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van [eiser] bij spoedige verkoop van de woning zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij het achterwege laten van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt daarom toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
binnen drie weken nadat dit vonnis is uitgesproken samen met [eiser] een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met de makelaar van zijn keuze conform randnummer 4.8, dan wel – bij gebreke daarvan – de makelaar van de keuze van [eiser] , onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;
de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [eiser] zal opvolgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, met dien verstande dat de minimale laatprijs minstens € 430.000,00 k.k. zal bedragen;
dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen vijf werkdagen nadat hij de schriftelijke koopovereenkomst heeft ontvangen, indien en voor zover:
o de makelaar de verkoopprijs als marktconform en gebruikelijk aanmerkt en ten minste € 430.000,00 bedraagt, en waarbij
o een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal vier weken na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en
o de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;
50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de overwaarde;
5.2.
bepaalt dat, indien [gedaagde] man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a, c en d, dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst en/of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s);
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.