ECLI:NL:RBLIM:2026:3526

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
12015594 \ CV EXPL 25-5670
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting zorgpremie ondanks administratieve fout budgetbeheerder

Gedaagde is een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan met CZ en is verplicht maandelijks premie te betalen. Zij heeft de premie over februari en juni 2024 niet voldaan. Ondanks een betalingsregeling per januari 2025, is deze niet nagekomen, waarna CZ een procedure startte.

Gedaagde erkent de openstaande premie, maar voert aan dat een administratieve fout van Kredietbank Limburg, haar budgetbeheerder, de oorzaak is van de niet-betaling. De rechtbank oordeelt dat dit geen reden is om de betalingsverplichting te ontlopen. De verantwoordelijkheid blijft bij gedaagde.

CZ vordert betaling van € 265,60 plus proceskosten. De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van de premie en de proceskosten van € 496,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige premie en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12015594 \ CV EXPL 25-5670
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek met producties 1 en 2,
- de conclusie van dupliek met productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst aangegaan, uit hoofde waarvan [gedaagde] iedere maand premie moet betalen aan CZ.
2.2.
[gedaagde] heeft de premie over de perioden februari en juni 2024 niet voldaan.
2.3.
Op 9 januari 2025 is er een betalingsregeling getroffen met CZ. Hierin is afgesproken dat [gedaagde] steeds uiterlijk de vijfentwintigste van de maand € 50,00 aan CZ moet betalen. Deze regeling is door [gedaagde] niet nagekomen, waarna de regeling is komen te vervallen en zij is gedagvaard.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 265,60, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
CZ legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] met CZ een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan en dat zij op grond van die overeenkomst aan haar periodiek premie verschuldigd is. [gedaagde] heeft een bedrag van in totaal € 265,60 aan premie over de maanden februari en juni 2024 niet betaald.
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering van CZ, maar voert aan dat het onbetaald laten van de premie niet aan haar te wijten is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het bedrag van € 265,60 aan premie over de maanden februari en juni 2024 niet aan CZ heeft betaald. [gedaagde] stelt echter dat de niet-betaling het gevolg is geweest van een administratieve fout door Kredietbank Limburg, die [gedaagde] heeft ingeschakeld als budgetbeheer voor haar financiën, waaronder ook de maandelijkse betalingen van de premie aan CZ.
4.2.
De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden leveren, naar het oordeel van de kantonrechter, geen reden op om de vordering van CZ af te wijzen. Dat [gedaagde] haar financiën heeft uitbesteed aan een derde ontslaat haar niet van haar betalingsverplichting uit hoofde van de zorgverzekeringsovereenkomst. Ook in het geval de niet-betaling van de premie te wijten is aan een administratieve fout aan de zijde van Kredietbank Limburg, dan komt dat voor rekening van [gedaagde] . Zij zal dan ook de premie van € 265,60 over de maanden februari en juni 2024 alsnog moeten betalen. De financiële en persoonlijke situatie van [gedaagde] , hoe vervelend deze ook zijn, maken dat niet anders.
4.3.
Verder heeft [gedaagde] verzocht om de buitengerechtelijke incassokosten en de rente af te wijzen of te verminderen, maar deze kosten zijn door CZ niet gevorderd, waardoor dit verzoek verder buiten beschouwing wordt gelaten.
4.4.
Gelet op het voorgaande zal het door CZ gevorderde bedrag van € 265,60 worden toegewezen.
Proces- en nakosten
4.5.
[gedaagde] heeft ook verzocht om de proceskosten te compenseren en te matigen en te bepalen dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. De kantonrechter overweegt dat het niet betalen van de premie over de maanden februari en juni 2024 de reden is geweest voor het starten van deze procedure. CZ heeft daarvoor kosten moeten maken. In dat verband heeft CZ gesteld dat een betalingsregeling is getroffen waarmee [gedaagde] een gang naar de rechter kon voorkomen. Desondanks heeft [gedaagde] niet aan deze betalingsverplichting voldaan. Op grond van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten veroordeeld. Op deze regel bestaan een aantal uitzonderingen, echter doen deze zich in onderhavige zaak niet voor.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
43,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
496,97

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 265,60,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 496,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.