Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:3505

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11778013 CV EXPL 25-2980
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering werknemer op bonusbetaling en buitengerechtelijke kosten afgewezen behalve vergoeding incassokosten

Werknemer trad in 2014 in dienst als commercieel directeur bij werkgever zonder toepasselijke cao. De arbeidsovereenkomst bevatte een discretionaire bonusregeling van maximaal 18% van het bruto jaarsalaris, uitbetaald in april volgend op het betreffende jaar. Over 2024 werd vanwege tegenvallende bedrijfsresultaten slechts 9% bonus toegekend. Werknemer was vanaf mei 2024 ziek en ontving in mei en juli 2025 betalingen die samen het volledige bonusbedrag inclusief rente dekken.

Werknemer vorderde na wijziging van eis alleen nog de wettelijke verhoging over de bonus, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Werkgever betwistte de wettelijke verhoging en wilde dat partijen hun eigen kosten dragen. De kantonrechter oordeelde dat de bonus volledig was betaald, maar dat werknemer recht had op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €1.084,35.

De wettelijke verhoging werd gematigd tot nihil vanwege de aard van de bonus en het feit dat werkgever de wettelijke rente reeds had betaald. Proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Werkgever moet buitengerechtelijke incassokosten betalen, wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil, proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11778013 \ CV EXPL 25-2980
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[werknemer],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.M.A.M.N. van der Meulen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[werkgever] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. J.A. Macken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 24 november 2025;
- de pleitnota van de zijde van [werknemer] ;
- de akte houdende nadere informatie van de zijde van [werkgever] ;
- de akte van antwoord tevens houdende verandering van eis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 17 maart 2014 krachtens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [werkgever] in de functie van commercieel directeur. Op de arbeidsovereenkomst is geen cao van toepassing.
2.2.
Artikel 4 van Pro de arbeidsovereenkomst bepaalt – vertaald door [werkgever] onder randnummer 9. van de conclusie van antwoord –:
‘Naar eigen discretionaire bevoegdheid van de Werkgever komt de Werknemer in aanmerking voor het verkrijgen van een jaarlijkse bonus gebaseerd op SMART-doelstellingen, welke afhankelijk is van het bedrijfsresultaat van de Werkgever, het behalen van de individuele doelstellingen van de Werknemer en de algemene prestaties van de Werknemer. De bruto totale jaarlijkse bonus bedraagt maximaal 18% van het bruto jaarlijkse vaste inkomen.
De jaarlijkse bonus wordt uitbetaald samen met de betaling van het inkomen voor april in het jaar volgend op het jaar waarop de jaarlijkse bonus betrekking heeft.’
2.3.
[werknemer] heeft in april 2022, april 2023 en april 2024 over de daaraan voorafgaande periode een prestatiebonus van 18% van zijn bruto jaarsalaris ontvangen.
2.4.
De bonus wordt steeds berekend door het maandsalaris te vermenigvuldigen met 14, zijnde 12 maandsalarissen en vakantietoeslag ter hoogte van 2 maandsalarissen.
2.5.
Het door [werknemer] genoten bruto jaarsalaris over 2024 bedroeg € 134.621,76.
2.6.
De bedrijfsresultaten over 2024 hebben ertoe geleid dat [werkgever] heeft besloten om geen volledige bonus aan haar werknemers uit te keren. De bonus over 2024 is vastgesteld op 9% van het bruto jaarsalaris.
2.7.
[werkgever] heeft haar werknemers in de tweede helft van 2024 geïnformeerd dat de omzetdoelstelling niet haalbaar was en deze bijgesteld, zodat de werknemers alsnog in aanmerking zouden kunnen komen voor een deel van de bonus. Bij e-mail van 28 april 2025 heeft [werkgever] aan haar werknemers bericht dat zij in aanmerking komen voor maximaal 50% van het maximale bonuspercentage. [werknemer] heeft deze berichten niet gezien.
2.8.
[werknemer] heeft zich op 29 mei 2024 ziekgemeld. Op het moment van de mondelinge behandeling was er nog steeds sprake van volledige arbeidsongeschiktheid.
2.9.
[werkgever] was in eerste instantie niet bereid om de bonus over 2024 aan [werknemer] uit te keren, nu [werknemer] in 2024 geen bijdrage had geleverd aan de bedrijfsresultaten.
2.10.
Op 14 mei 2025 is een bedrag van € 2.549,41 bijgeschreven op de rekening van [werknemer] . Dit bedrag is gelijk aan 9% van het bruto jaarsalaris teruggerekend naar de vijf maanden die [werknemer] in 2024 aan het werk was. Het uitgekeerde (netto) bedrag correspondeert met € 5.048,32 bruto.
2.11.
Op 7 juli 2025 heeft [werkgever] een bedrag van € 7.067,63 netto overgemaakt op de rekening van [werknemer] . Nu per abuis het resterende brutobedrag netto aan [werknemer] is uitgekeerd, heeft [werkgever] in november 2025 het verschil verrekend met het maandsalaris van [werknemer] .
2.12.
[werknemer] had over 2024 recht op een bonus van € 12.115,96 bruto. Met de betalingen in mei en juli heeft [werkgever] aan haar verplichtingen ten aanzien van de prestatiebonus (inclusief rente) voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert – na wijziging van eis – om [werkgever] te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van
  • de buitengerechtelijke kosten conform het Besluit voor vergoeding buitengerechtelijke incassokosten van 1 oktober 2024;
  • de kosten van deze procedure, onder welke kosten uitdrukkelijk het salaris van de gemachtigde van [werknemer] is begrepen;
  • de op grond van 7:625 BW verschuldigde wettelijke verhoging over € 12.115,95 bruto, ten deze vast te stellen op 50% dan wel een andere verhoging.
3.2.
[werkgever] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de gevorderde wettelijke verhoging en proceskostenveroordeling en verzoekt om ieder der partijen de eigen proceskosten te laten dragen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat [werkgever] de bonus van € 12.115,95 aan [werknemer] heeft uitgekeerd. Na wijziging van eis vordert [werknemer] thans enkel nog een veroordeling van [werkgever] tot betaling van buitengerechtelijke kosten, wettelijke verhoging en proceskosten.
buitengerechtelijke kosten
4.2.
[werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [werknemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze werkzaamheden waren kennelijk nodig voor [werkgever] om tot betaling over te gaan. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
4.3.
[werknemer] bleek recht te hebben op betaling van een bedrag van € 12.115,95 bruto. Daarbij hoort volgens het Besluit een bedrag van € 1.084,35 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag zal dan ook aan [werknemer] worden toegewezen.
wettelijke verhoging
4.4.
De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding om tot matiging van de wettelijke verhoging over te gaan. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een fors bonusbedrag dat jaarlijks wordt uitbetaald. Ook acht de kantonrechter relevant dat de wettelijke (vertragings)rente over de bonus op eigen initiatief van [werkgever] reeds met de betaling van het laatste deel van de bonus is uitgekeerd. De kantonrechter komt daarom in redelijkheid tot een matiging tot nihil.
proceskosten
4.5.
Gelet op de uitkomst van de procedure, waarbij partijen over en weer het gelijk deels aan hun zijde bleken te hebben, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 1.084,35,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.