3.3.1De zaak met parketnummer 03.225279.25
Vrijspraakoverweging feit 1
In de nacht van 27 mei 2025 is [slachtoffer 1] omstreeks 00:45 uur in haar kamer overvallen door twee mannen. Daarbij is niet alleen gedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, maar ook fors geweld gebruikt. [slachtoffer 1] is hierdoor gewond geraakt. De mannen zijn om 01:07 uur met de buit, te weten geld en sieraden, uit de kamer vertrokken. De verdachte ontkent elke betrokkenheid hierbij. Aan de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is het medeplegen van deze overval ten laste gelegd en heden door de rechtbank bewezen verklaard. De vraag die moet worden beantwoord, is of bewezen kan worden dat de verdachte ook kan worden aangemerkt als medepleger van de overval, dan wel of hij daaraan medeplichtig is geweest, door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] informatie te geven over de verblijfplaats van [slachtoffer 1] , de aanwezigheid van een hoeveelheid geld en waardevolle voorwerpen op die plaats en door de medeverdachten naar haar adres te brengen of te leiden.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de avond van de overval om 21:51 uur vanuit Groningen zijn vertrokken in de richting van Hoensbroek. Om 22:29 uur heeft [medeverdachte 1] via WhatsApp een seksafspraak met [slachtoffer 1] gemaakt. De verdachte, die aan [slachtoffer 1] een kamer verhuurde in het kader van haar werkzaamheden als sekswerker, heeft de medeverdachten vervolgens om 00:24 uur ontmoet op de Markt in Hoensbroek. De medeverdachten zijn vervolgens bij de verdachte in de auto gestapt en om 00:27 uur zijn zij samen in de richting van de woning van [slachtoffer 1] gereden. Om 00:28 uur is de verdachte om de hoek van de woning gestopt en om 00:38 uur zijn alle verdachten uit de auto gestapt. De medeverdachten zijn vervolgens weggelopen. Om 00:42 uur kwamen zij bij het appartementencomplex van [slachtoffer 1] aan. Nadat zij enige tijd naast de ingang van het gebouw hebben stilgestaan, zijn zij om 00:45 uur het appartementencomplex binnengegaan. De verdachte heeft om 00:48 uur nog rondom zijn auto gelopen en uit de telefoongegevens blijkt dat hij tot 01:06 uur in de buurt van de plaats delict is geweest. Om 01:08 uur zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens langs de auto van de verdachte gerend. De verdachte is daarna in dezelfde richting als die waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren gerend vertrokken.
De verdachte ontkent dat hij op de hoogte was van het voornemen van de medeverdachten om [slachtoffer 1] te overvallen. Hij heeft verklaard dat hij een afspraak had met de medeverdachten omdat zij een kamer van hem wilde huren in hetzelfde appartementencomplex en dat hij om die reden de omgeving heeft laten zien. Zowel het tijdstip van de afspraak als de omstandigheid dat de kamer niet, althans niet in zijn bijzijn, werd bezichtigd, is volgens de verdachte gebruikelijk in de sekswerkersbranche.
Hoewel de rechtbank de juistheid van de verklaring van de verdachte betwijfelt, kan zij op basis van voornoemde omstandigheden niet vaststellen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de door de medeverdachten gepleegde overval. De rechtbank acht daarbij van belang dat niet is gebleken wat er tussen de verdachte en de medeverdachten voorafgaand aan de overval is besproken. Dat geldt niet alleen voor wat betreft de ontmoeting op de Markt in Hoensbroek, maar uit het dossier is ook niet gebleken van enige andere vorm van onderlinge communicatie. Onderzoek aan de telefoons van alle verdachten heeft niets opgeleverd. Eerdere contacten tussen de verdachte en de medeverdachten zijn verder ook niet komen vast te staan. Daarmee is ook onduidelijk gebleven hoe de ontmoeting op de Markt in Hoensbroek tot stand is gekomen. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank de WhatsAppberichten tussen de verdachte en [slachtoffer 1] van 27 mei 2025 over een betaling, onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte de opdracht heeft gegeven aan de medeverdachten om bij [slachtoffer 1] geld te incasseren of dat hij de medeverdachten om een andere reden heeft ingeschakeld. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat de verdachte na de WhatsAppgesprekken nog naar [slachtoffer 1] is toe gegaan, waarbij zij volgens de verdachte heeft betaald en de lucht tussen beide geklaard lijkt te zijn. Bovendien heeft [medeverdachte 1] zelf contact gelegd met [slachtoffer 1] en van haar het adres ontvangen waar de seksafspraak zou plaatsvinden.
Voor een bewezenverklaring van zowel de primaire als de subsidiaire variant van feit 1 is opzet op het door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gepleegde delict vereist. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet met een voor bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van het door de medeverdachten gepleegde strafbare feit. Nu de wetenschap van de verdachte van de overval en daarmee het (voorwaardelijk) opzet daarop niet kan worden vastgesteld, spreekt de rechtbank de verdachte vrij van feit 1.
Feit 2
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, omdat uit het onderzoek is gebleken dat de aangetroffen stof geen cocaïne betreft, maar een samenstelling van versnijdingsmiddelen.
3.3.2De zaak met parketnummer 03.291412.23
Bewijsmiddelen
[slachtoffer 2]verklaarde in zijn aangifte – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
Plaats delict: [adres 2] Sittard, binnen de gemeente Sittard-Geleen.
Ik wil aangifte doen. Een en ander gebeurde op 28 september 2023.
Ik had al een tijdje via Facebook contact met ene [naam 1] . Het contact ging over een horloge, een Breitling. Dat wilde ik verkopen. We gingen akkoord met 1.600,- euro. (..)
Uiteindelijk sprak ik met [naam 1] af dat ik hem om 19.00 uur op het station in Sittard op zou halen. (..)
[naam 2] ging mee. [naam 2] zat naast mij. Ik zag dat [naam 1] naar mij toe kwam lopen. Ik ben uitgestapt en ik had het horloge vast in een doos. Ik maakte de doos open. [naam 1] keek en pakte zelf de Breitling uit de doos. [naam 1] keek naar de achterkant van het horloge, nadat hij hem eerst had omgedaan om te passen. [naam 1] had het horloge dus nog om zijn pols. Toen begon [naam 1] over de andere Breitling die ik omhad. Hij wilde de serienummers vergelijken. [naam 1] zei dat het horloge wat ik zelf droeg er wel echt uitzag. Ik liet hem nog een keer de achterkant van mijn eigen horloge zien. Toen begon [naam 1] te schelden dat ik hem zou oplichten. Ik zag en voelde dat [naam 1] mij beetpakte aan mijn T-shirt. Daardoor trok hij mijn koningsketting kapot. Ik zei toen dat hij het horloge maar terug moest geven en dat ik hier geen zin in had. [naam 1] hield allebei mijn horloges vast in zijn handen. [naam 1] wilde wegrennen, maar hij stapte met zijn linkervoet tegen de stoeprand aan en ik kon hem daardoor bij zijn jas pakken. Hij rende sneller het heuveltje af dan ik. Daardoor verloor ik grip op hem waardoor zijn tasje openging en zijn sleutels eruit vielen. [naam 1] kwam terug gerend. [naam 1] begon mij te slaan. Ik duwde [naam 1] achteruit waardoor hij struikelde. Toen pakte ik hem in de houdgreep en toen gooide [naam 1] allebei de horloges op de grond neer. Toen zag ik dat [naam 1] ineens een mes in zijn rechterhand had. Het was een keukenmes met een zwart handvat. Ik liet [naam 1] los toen ik dat mes zag en rende richting mijn auto. [naam 2] zat opeens achter het stuur. Ik ben door de auto gesprongen naar de bijrijderskant. Ineens stond [naam 1] aan de kant van [naam 2] . [naam 1] begon te schreeuwen dat we het horloge moesten geven en dat hij zou gaan schieten. Dat heeft [naam 1] een paar keer herhaald. Ik zei dat [naam 2] weg moest rijden. [naam 1] kwam over het stuur heen en trok de sleutel uit het contact. Ik stapte uit aan de bestuurderskant, over [naam 2] heen. [naam 1] had nog steeds het mes vast. Hij haalde een paar keer uit in de richting van mijn hoofd. Toen ik mij omdraaide zag ik dat [naam 1] op mij kwam afgestormd en toen rende ik weg. (..)
[naam 2] was daarna weg uit mijn auto. Ik stapte in mijn auto en wilde deze starten. Ik kreeg daar de kans niet voor aangezien [naam 1] over mij heen hing. [naam 1] pakte allebei de horloges van de bijrijdersstoel. Ik had de handen van [naam 1] vast. [naam 1] had uiteindelijk alleen het horloge vast wat ik wilde verkopen en sprong naar achteren de auto uit. Ik rende naar buiten achter [naam 1] aan, maar ik kon hem niet bijhouden. (..)
Het signalement van [naam 1] is volgens mij als volgt:
- donkere huidskleur;
- rastaharen tot ongeveer halverwege zijn rug;
- eerst had hij een petje op. Daarna niet meer, want dat petje heeft de politie gevonden;
- gouden tand, boven, rechts of links kan ik niet zeggen. Deze was groter dan normaal.
Ik ben dus mijn koningsketting en één Breitling-horloge kwijt. Het serienummer hiervan is [nummer] .
Bij de rechter-commissaris verklaarde
[slachtoffer 2]aanvullend – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
De petten lagen ongeveer twee parkeervakken naast mijn auto. De andere pet was als het goed is een zwart of donkerblauwe pet met een wit logo erop. Die pet van die jongen hield de dreadlocks uit zijn gezicht. De achterkant van de pet, had hij niet vast en daar zaten zijn haren door naar achteren toe.
Zijn er nu nog dingen die je kunt benoemen van zijn signalement?
Hij had een soort koesikje onder de kin, met kroeshaar. Hij had echt alleen een sikje onder de kin, een centimeter of 3 lang.
Ik wil nog opmerken dat ik ook mijn ketting ben kwijtgeraakt. Deze is bij de worsteling bij de auto door de dader van mijn nek afgetrokken.
[medeverdachte 2]verklaarde in zijn aangifte – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
Plaats delict: [adres 2] Sittard, binnen de gemeente Sittard-Geleen.
Pleegdatum: 28 september 2023.
Ik doe aangifte. Een en ander is vandaag gebeurd toen ik samen met mijn vriend [slachtoffer 2] meeging. [slachtoffer 2] wilde een Breitling-horloge verkopen aan iemand. Die jongen kwam naar ons toe. Na tien minuten controleren en discussiëren over de prijs had de jongen het idee dat [slachtoffer 2] hem wilde oplichten. (..)
Die jongen dreigde met schieten. Ik hoorde dat hij zei:
"ik ga schieten, ik ga schieten". (..)
Ik hield mij toen daarbuiten en ik ben de auto ingesprongen achter het stuur. Ik stond klaar om de auto te starten zodra [slachtoffer 2] een seintje zou geven. Ineens hing de koper over mij heen om de sleutel uit het contact te trekken. Ik zag dat de jongen een mes trok wat nog niet uitgetrokken was. Ik zag dat de jongen een steekbeweging naar mijn keel maakte. (..)
Ik realiseerde me dat die jongen niets te verliezen had om voor een horloge iemand neer te steken. Ik raakte helemaal in paniek. Ik sloop vervolgens weg uit de auto. (..)
Ik ging terug naar de plaats waar het gebeurde. Toen ik daar aankwam lagen daar twee petjes op de grond. Een pet van mij en een van die jongen. U vraagt mij hoe mijn pet eruit ziet, dat is een donkerblauwe Lacoste pet. De pet van die jongen was een zwarte Under Armour pet.
De jongen kan ik als volgt omschrijven:
- lange dreadlocks, rastahaar;
- gouden tand, tussen de hoek- en voortand, boven;
- klein zwart sikje;
- vrij donker getint.
Bij de rechter-commissaris verklaarde
[medeverdachte 2]aanvullend – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt:
Ik voelde op een gegeven moment dat die jongen met een soort van steekvoorwerp, een stiletto volgens mij, waarmee hij slingerde, mijn nek raakte, maar hij had het mes gelukkig niet uitgeklapt. Ik ben uit paniek weggerend. Ik ben het station ingegaan en heb de politie gebeld. Ik hoorde op een gegeven moment de auto van [slachtoffer 2] wegrijden en ik ben uit paniek terug over de hekjes van het station heen gesprongen. [slachtoffer 2] was weg, die jongen was weg en ook de auto was weg. Ik kwam op de plek aan waar we hadden gestaan en zag een stukje verderop het petje van die jongen liggen. Ik heb gezien dat die jongen dat petje ophad. Toen ik het station in was gerend had hij de pet nog op en toen ik terugkwam lag de pet op de grond en was iedereen weg. Uiteindelijk was [slachtoffer 2] een ketting kwijt en het horloge dat hij wilde verkopen.
Verbalisanten[naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] relateerden onder meer het volgende:
Op 28 september 2023 kwamen wij ter plaatse op de [adres 2] in Sittard. We zagen een pet op de grond liggen met een witte opdruk. Deze pet werd door mij veiliggesteld door middel van een DNA-kit.
Goednummer : PL2300-2023154340-1642047
Object: Hoofddeksel (Pet)
Verbalisant Zinzenrelateerde onder meer het volgende:
Door mij werd een forensisch onderzoek verricht naar biologische sporen aan onderstaande sporendrager:
Goednummer : PL2300-2023154340-1642047
SIN : AAPH2688NL
Object: Hoofddeksel (Pet)
Ik zag dat het een zwart gekleurde baseballpet betrof, met een verstelbare sluiting aan de achterzijde en op de voorzijde het wit gekleurd logo van "Under Armour".
Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AAQQ6530NL, verpakt en verzegeld.
Veiliggesteld spoor
Spoornummer : PL2300-2023154340-89918
SIN : AAQQ6530NL
Relatie met SIN : AAPH2688NL
Spoortype : Biologisch
Spooromschrijving : Epitheel
Plaats veiligstellen : Gehele draagrand binnenzijde pet inclusief sluiting
Het
TMFIrapporteerde onder meer het volgende:
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van celmateriaal
Gehele draagrand
inclusief sluiting van
binnenzijde van petje
(met SIN AAPH2688NL)
AAQQ6530NL
DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van
minimaal twee donoren, van wie zeker één man.
Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De
frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.
[verdachte]
(DNA-hoofdprofiel)
Bewijsoverweging
Op basis van de verklaringen van aangevers [slachtoffer 2] en [naam 2] stelt de rechtbank het volgende vast. Op 28 september 2023 had [slachtoffer 2] een afspraak op de [adres 2] in Sittard met het Facebook-contact “ [naam 1] ” in verband met de verkoop van een Breitling-horloge met serienummer [nummer] . Nadat [naam 1] het horloge uitvoerig had vergeleken met het horloge dat [slachtoffer 2] zelf om zijn pols droeg, beschuldigde hij [slachtoffer 2] ervan dat hij werd opgelicht. [naam 1] pakte [slachtoffer 2] vervolgens bij zijn T-shirt vast en trok zijn koningsketting van zijn nek af. [naam 1] probeerde daarna, met beide horloges nog in zijn handen, weg te rennen. [slachtoffer 2] is [naam 1] achterna gerend. Tegelijkertijd is [naam 2] aan de bestuurderszijde van de auto gaan zitten, zodat ze meteen konden wegrijden als [slachtoffer 2] daartoe een teken zou geven. [naam 1] rende uiteindelijk terug, omdat hij zijn sleutels was verloren in de schermutseling met [slachtoffer 2] die tijdens het wegrennen was ontstaan. Toen [slachtoffer 2] [naam 1] vervolgens in de houdgreep had, gooide [naam 1] beide horloges op de grond, maar op datzelfde moment trok [naam 1] een mes. [slachtoffer 2] is daarop terug gerend naar zijn auto. [naam 1] stond vervolgens aan de kant van [naam 2] en schreeuwde een aantal keren dat ze het horloge moesten geven en dat hij zou gaan schieten. [naam 1] voorkwam vervolgens dat [naam 2] weg zou rijden, door de autosleutel uit het contact te trekken. [slachtoffer 2] is vervolgens – over [naam 2] heen – aan de bestuurderskant uitgestapt. [naam 1] had toen nog steeds het mes vast en haalde een paar keer uit in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] . Vervolgens is [slachtoffer 2] , nadat [naam 1] op hem afstormde, weer weggerend. [naam 2] is daarna uit paniek uit de auto weggeslopen en naar het station gegaan. Toen [slachtoffer 2] daarna terugkwam bij zijn auto kreeg hij de kans niet om de auto te starten, omdat [naam 1] over hem heen hing. [naam 1] pakte toen beide horloges van de bijrijdersstoel. [slachtoffer 2] kon de handen van [naam 1] nog vastpakken, maar uiteindelijk heeft [naam 1] het Breitling-horloge met serienummer [nummer] en de ketting weggenomen.
Verklaringen [slachtoffer 2] en [naam 2] betrouwbaar?
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en [naam 2] niet, althans onvoldoende betrouwbaar zijn.
Uit vaste rechtspraak volgt dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring onder meer gekeken moet worden naar de consistentie, accuraatheid en de volledigheid van de verklaring. In het algemeen maakt de enkele omstandigheid dat in een verklaring op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, deze verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer 2] en [naam 2] beiden authentiek, consistent en volledig hebben verklaard. Zij hebben kort na het feit, namelijk op dezelfde avond, aangifte gedaan bij de politie en zeer gedetailleerd verklaard over wat er is gebeurd. De verklaringen van [slachtoffer 2] en [naam 2] komen daarbij op belangrijke onderdelen overeen. Bovendien zijn zij later bij de rechter-commissaris verhoord en ook die verklaringen komen in hoofdlijn met elkaar overeen, alsook met hun eerdere aangiftes. De op ondergeschikte onderdelen voorkomende verschillen in die verklaringen leiden niet tot een ander oordeel en vormen geen aanleiding te veronderstellen dat [slachtoffer 2] en [naam 2] niet naar waarheid hebben verklaard. Onderdelen van de verklaringen vinden bovendien steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin de 112-melding van [naam 2] vlak na het incident woordelijk is uitgewerkt, de bij de aangifte van [slachtoffer 2] bijgevoegde screenshots van het gesprek tussen [slachtoffer 2] en [naam 1] over de (ver)koop van het Breitling-horloge en de foto’s van het door [slachtoffer 2] opgelopen letsel.
De rechtbank heeft dus geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer 2] en [naam 2] en verwerpt om die reden het verweer van de raadsman.
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen van oordeel dat [naam 1] op 28 september 2023 op de [adres 2] in Sittard [slachtoffer 2] met geweld van zijn horloge en ketting heeft beroofd.
Is de verdachte [naam 1] ?De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of [naam 1] en de verdachte dezelfde persoon zijn.
De verdachte ontkent dat en de verdediging heeft bepleit dat zijn betrokkenheid niet kan worden vastgesteld. Daartoe is allereerst aangevoerd dat het aangetroffen DNA-hoofdprofiel geen daderspoor betreft, omdat de verdachte vaker in de buurt van de plaats delict kwam en ook wel eens petten is verloren. Bovendien was de pet bevuild en dit duidt erop dat deze er al langer heeft gelegen. Verder komt het signalement niet overeen, omdat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit twee gouden kronen had, terwijl [naam 2] en [slachtoffer 2] slechts één gouden tand hebben waargenomen. Ook het onderzoek naar het Facebookprofiel van [naam 1] (‘ [naam 1] ’) heeft geen link met de verdachte opgeleverd.
De rechtbank overweegt dat kort na de straatroof door de politie ter plaatse een zwarte pet met een wit logo van “Under Armour” is aangetroffen. Volgens [slachtoffer 2] lag deze pet ongeveer twee parkeervakken verder dan de plek waar zijn auto stond. [naam 2] heeft bij de rechter-commissaris aangegeven dat deze pet van de dader was. De pet is onderzocht op DNA en daarbij is het DNA-hoofdprofiel van de verdachte aangetroffen op de gehele draagrand, inclusief de sluiting van de binnenzijde. Anders dan door de raadsman bepleit, is de rechtbank van oordeel dat het hier om een daderspoor gaat. Zowel [slachtoffer 2] als [naam 2] hebben namelijk verklaard dat de dader een pet droeg. Volgens [naam 2] ging het om een zwarte pet van het merk “Under Armour” en [slachtoffer 2] heeft over de pet in het bijzonder opgemerkt dat de achterkant in verband met de dreadlocks van de dader niet vast zat. [naam 2] heeft bovendien verklaard dat hij heeft gezien dat de dader de pet nog op had toen hij het station in rende en dat deze pet op de grond lag toen hij daarna terugkwam op het moment dat [slachtoffer 2] en de dader weg waren. De verklaring van de verdachte dat hij een soortgelijke pet mogelijk eerder is kwijtgeraakt schuift de rechtbank aldus als niet aannemelijk geworden terzijde, nu zijn lezing wordt weerlegd door deze bewijsmiddelen. Bovendien wordt ook door de beschrijving van de beelden bevestigd dat de pet van de verdachte naast de pet van [naam 2] is aangetroffen, zodat de rechtbank het om die reden ook onaannemelijk acht dat de pet er al langer heeft gelegen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte [naam 1] is geweest.
Dat [slachtoffer 2] en [naam 2] beiden slechts één gouden tand gezien hebben, terwijl de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij in die periode twee gouden tanden heeft gehad, maakt dit niet anders. De rechtbank acht het namelijk goed voorstelbaar dat de aangevers dit detail door de hectische en stressvolle situatie verkeerd hebben waargenomen of herinnerd. Juist het gegeven dat zowel [slachtoffer 2] als [naam 2] hebben verklaard over een gouden tand, en dus een kenmerkend gegeven, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat het de verdachte is geweest die de straatroof heeft gepleegd.
Conclusie en partiële vrijspraak
De rechtbank acht op basis van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 28 september 2023 op de [adres 2] in Sittard [slachtoffer 2] van zijn horloge en ketting heeft beroofd met de ten laste gelegde (bedreiging van) geweld tegen [slachtoffer 2] en [naam 2] .
Het gedachtestreepje ‘door het horloge uit de handen van die [slachtoffer 2] weg te nemen’ kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden bewezen, zodat de verdachte van dit onderdeel partieel zal worden vrijgesproken.