Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[persoon 1] ,
2.
[persoon 2],
3.
[B.V. 1] B.V.,
1.De procedure
2.De feiten in het incident
Dan John in de winkel in [plaats] .
3.Het geschil
[B.V. 1] c.s. betwisten allereerst dat er sprake is van een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Verder is er volgens hen zowel naar Nederlands recht als naar Italiaans recht geen sprake van een non-concurrentiebeding. Na ontbinding van een overeenkomst werkt naar Italiaans recht een non-concurrentiebeding niet meer, tenzij dit nadrukkelijk schriftelijk is bepaald. In de MoU wordt de non-concurrentie primair gekoppeld aan de exclusiviteitsperiode. Deze is voortijdig ten einde gekomen met de onmiddellijke opzegging van de Overeenkomst door IRD. Indien er wel sprake zou zijn van een non-concurrentiebeding dat na beëindiging van de Overeenkomst zijn werking behoudt, dan dient volgens [B.V. 1] c.s. te gelden dat dit nietig is. In artikel 7:290 lid 2 BW Pro staat dat een beding dat een franchisenemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de franchiseovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, slechts geldig is als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden betreft de bescherming van de overgedragen knowhow. IRD heeft nagelaten te concretiseren en te onderbouwen welke knowhow van IRD misbruikt zou worden. Ook wordt niet gesteld waarom het noodzakelijk is deze knowhow te beschermen. [B.V. 1] c.s., betwisten dat IRD geheime, wezenlijke en geïdentificeerde informatie heeft verschaft die voldoet aan de eisen. Subsidiair stellen [B.V. 1] c.s. dat er tegenstrijdigheden bestaan tussen de MoU en de Overeenkomst, waarbij de Overeenkomst prevaleert. In de Overeenkomst is geen non-concurrentiebeding voor twaalf maanden na beëindiging van de overeenkomst opgenomen, hetgeen ook de bedoeling is geweest van partijen. Meer subsidiair stellen [B.V. 1] c.s. dat alle primaire verplichtingen uit de Overeenkomst zijn komen te vervallen, nu IRD zelf tot ontbinding is overgegaan. Een postcontractueel non-concurrentiebeding is niet vanzelfsprekend een overlevende bepaling. Uiterst subsidiair voeren [B.V. 1] c.s. aan dat de ontbinding van de overeenkomst uiterst discutabel is, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel misbruik van recht oplevert, dat IRD zich op bescherming uit hoofde van de Overeenkomst beroept.
4.De beoordeling
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in dictum)
5.De beslissing
€ 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als IRD niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet IRD € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
22 april 2026voor conclusie van antwoord in reconventie alsmede opgave verhinderdata aan de zijde van beide partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juli tot en met december 2026,