ECLI:NL:RBLIM:2026:332

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/03/340439 / HA ZA 25-133
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 1 BWArt. 3:319 lid 1 BWArt. 3:319 lid 2 BWArt. 3:323 lid 3 BWArt. 7:900 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring en zorgplicht bij hypothecaire lening met levenhypotheek afgewezen

Eiseres en haar overleden echtgenoot sloten in 2001 een hypothecaire geldlening bij de bank, bestaande uit een aflossingsvrij deel en een levenhypotheek. De bank verpandde een levensverzekering als zekerheid, maar later bleek dat het een overlijdensrisicoverzekering betrof zonder opbouwwaarde. Eiseres klaagde over de foutieve informatie en de bank erkende de situatie, waarna een klachtprocedure bij het Kifid leidde tot een vaststellingsovereenkomst in 2015.

Eiseres vorderde primair dat de vordering van de bank tot opeisbaarheid van lening 2 was verjaard en dat zij onverschuldigde rente terugbetaald zou krijgen. Subsidiair vorderde zij kwijtschelding van de lening wegens schending van de zorgplicht door de bank. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt voor hypothecaire zekerheden en dat de verjaring door diverse handelingen is gestuit, waardoor de vordering niet verjaard is.

De subsidiaire vordering werd afgewezen omdat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen het geschil definitief had beëindigd. De rechtbank vond het handelen van de bank weliswaar slordig, maar niet onrechtmatig. De meer subsidiaire vordering had geen rechtsgrond. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340439 / HA ZA 25-133
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van:
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts,
tegen:
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. H. Scholten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 november 2025,
- de pleitnota van [eiseres] ,
- de spreekaantekeningen van de bank.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 29 oktober 2001 is [eiseres] met haar inmiddels overleden echtgenoot (hierna samen te noemen: [eisers] ) een hypothecaire geldlening van € 190.588,- bij de bank aangegaan ter (her)financiering van hun woning. Deze hypothecaire geldlening bestond uit twee delen: (i) een aflossingsvrij deel van € 136.134,- met een looptijd van 30 jaar (hierna: lening 1) en (ii) een levendeel of levenhypotheek van € 54.454,- met een looptijd van 15 jaar (hierna: lening 2). Onderdeel van de afspraken was dat [eisers] een al bij DSB Verzekeringen lopende gemengde levensverzekering zouden verpanden aan de bank. Bij het einde van de looptijd van lening 2 zou het opgebouwde kapitaal in de levensverzekering (deels) worden aangewend ter aflossing van lening 2. De vorderingen en rechten voortvloeiend uit een levensverzekering met polisnummer [polisnummer] zijn in dat kader aan de bank verpand bij akte van 27 oktober 2001 (ondertekend op 29 oktober 2001).
2.2.
Bij faxbericht van 16 december 2009 heeft DSB Verzekeringen de bank geïnformeerd dat de ‘overlijdensrisicoverzekering, polisnummer [polisnummer] ’ is geroyeerd in verband met een achterstand in de betaling van 12 maandtermijnen. Daarmee werd ook duidelijk dat deze aan de bank verpande polis geen gemengde levensverzekering betrof, maar een overlijdensrisicoverzekering waarbinnen geen bij leven uit te keren waarde werd opgebouwd.
2.3.
In deze periode bleek ook dat een door [eisers] daarnaast bij DSB afgesloten gemengde verzekering in 2002 was afgekocht en uitgekeerd aan [eisers]
2.4.
De bank heeft [eisers] aangeboden de woning te taxeren op haar kosten (vanwege de verpanding in het verleden van de verkeerde polis), zodat onderzocht kon worden of de hypotheek kon worden omgezet naar een volledig aflossingsvrije hypotheek. Op 9 maart 2010 is een taxatie op kosten van de bank uitgevoerd en is de executiewaarde van de woning op € 178.000,- bepaald. Gelet op het openstaande hypotheekbedrag moesten [eisers] een bedrag van € 12.588,- aflossen om de hypotheek volledig aflossingsvrij te maken. Dat hebben [eisers] niet gedaan.
2.5.
Bij brief van 5 oktober 2010 schrijft de bank [eisers] aan in verband met een “sinds enige tijd” bestaande achterstand van € 965,50 in de betalingsverplichtingen op de hypothecaire lening.
2.6.
Bij brief van 27 oktober 2010 dienen [eisers] een klacht in bij de bank. Zij schrijven hierin onder meer:
[…] bij het passeren van onze hypothecaire akte […] is destijds niet adequate aandacht geschonken aan een zeer belangrijk feit. Als gevolg hiervan kon ik niet van de opbouwwaarde in die polis, [kenmerk 2] kapitaalpolis, gebruik maken. In plaats hiervan werd gehandeld als was deze zijnde een overlijdensrisicoverzekering onder polisnummer [polisnummer] . De bedoeling echter was altijd geweest deze waarde als extra aflossing op de hypotheek te zullen inzetten. Door deze verkeerde gang van zaken kon ik deze laatst genoemde verzekering die niet uitkeert in leven niet als zodoende gebruiken om extra af te lossen. […]
2.7.
Bij brief van 1 november 2010 wijst de bank de klacht van [eisers] af.
2.8.
Bij brief van 21 november 2010 heeft [eiseres] wederom bij de bank geklaagd over de gang van zaken omtrent de levensverzekering.
2.9.
Bij brief van 2 december 2010 schrijft de bank [eisers] aan in verband met een “sinds enige tijd” bestaande achterstand van € 1.938,74 in de betalingsverplichtingen op de hypothecaire lening.
2.10.
Bij e-mailbericht van 5 januari 2011 bevestigt de bank een afspraak met [eiseres] over inlossing van een achterstand in het betalen van de hypotheek.
2.11.
Bij brief van 7 januari 2011 heeft de bank aan [eiseres] onder meer geschreven:
[…]
Op 6 augustus 1999 heeft u een verzekering bij de DSB Leven N.V. afgesloten, welke u in verband met een hypothecaire geldlening verpand had aan Gouwe VSB. Door oversluiting van uw hypothecaire geldlening naar ABN AMRO Bank N.V. op 29-10-2001 werd de betreffende polis, na vrijgave door Gouwe VSB, verpand aan onze instelling. Volgens de informatie die wij van u bij de hypotheekaanvraag hadden ontvangen betrof deze polis, bekend onder polisnummer [polisnummer] , een gemengde verzekering. Dit heeft u zowel op de door u geaccepteerde offerte als op de door u ondertekende verpandingsakte verklaard. Een verzekering waarbij in één polis zowel het overlijdensrisico afgedekt wordt als ook vermogen opgebouwd wordt. Dit houdt in dat het overeengekomen kapitaal wordt uitgekeerd bij het in leven zijn van de verzekerde op de einddatum van de verzekering, dan wel onmiddellijk bij overlijden van de verzekerde voor de einddatum. Nadat wij op 16-12-2009 door DSB Verzekeringen N.V. werden geïnformeerd dat polisnummer [polisnummer] door hun geroyeerd was in verband met een betalingsachterstand van 12 maandtermijnen, bleek dat u bij de DSB Leven N.V. een overlijdensrisicoverzekering had afgesloten met annuïtair dalend kapitaal. Een polis die dus alleen zou uitkeren bij uw overlijden voor de einddatum van de polis, 27-08-2014.
Bij het passeren van uw hypothecaire geldlening waren wij nog niet in het bezit gesteld van de betreffende polis, aangezien deze nog verpand was aan een andere financiële instelling. Wij zijn dan ook van uw verklaringen uitgegaan dat het om een gemengde verzekering ging. In onze zekerhedenadministratie is toen aangetekend dat polisnummer [polisnummer] nog ontvangen en verpand moest worden. Uiteindelijk hebben wij de polis in januari 2002 ontvangen, waarna deze is verpand aan de bank. […]
Alhoewel ik uw teleurstelling begrijp, ben ik van mening dat de bank niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het feit dat zij de “foutieve” polis na ontvangst niet hebben vastgesteld. […]
Hiermee is de klachtenprocedure binnen de bank doorlopen. Als u het niet eens bent met de uitkomst van mijn onderzoek, kunt u uw klacht binnen drie maanden na dagtekening voorleggen aan het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFiD). […]
2.12.
Op 18 november 2014 dient [eiseres] een klacht tegen de bank in bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid). In het klachtenformulier is onder meer opgenomen:
De Bank ABN-AMRO heeft onze toen nog bestaande levensverzekering (incl. belegging) geaccepteerd, bij het afsluiten van onze hypotheek……. Echter heeft geen controle uitgevoerd bij passeren van de Hypothecaire akte […] De Bank heeft geen schuld aan het gebrek hier van maar wel aan het gebrek van controle en de mogelijkheid een geldende levensverzekering aan ons aanbieden hier van! Het voornaamste namelijk uitkeren in “leven” hebben we moeten missen. […]
Bij brief van 5 december 2014 heeft het Kifid deze klacht doorgestuurd naar de bank en heeft daarbij het kenmerk ‘ [kenmerk 1] / [lettercombinatie 1] ’ opgenomen.
2.13.
Er is in november 2015 tussen de bank en de door [eisers] ingeschakelde rechtsbijstandverlener ARAG gecorrespondeerd over een schikking. De bank heeft in dit verband een aanbod gedaan om (i) consumptieve schulden (waaronder een Flexibel Hypotheek Krediet en andere achterstanden) onder te brengen in een zogenaamde Servicelening met gunstiger voorwaarden en (ii) een compensatie (kwijtschelding) van een bedrag van € 5.000,- voor betaalde rente en kosten in mindering te brengen op de Servicelening. Dit aanbod van de bank gold onder de voorwaarde dat de klacht bij het Kifid werd ingetrokken en diende “mede ter definitieve beëindiging van het geschil”. ARAG heeft namens [eisers] ingestemd met dit aanbod.
2.14.
Bij brief van 10 december 2015 schrijft ARAG namens [eiseres] aan het Kifid onder meer met vermelding van ‘
uw kenmerk[kenmerk 1] ’:
[…]
Hierbij bericht ik u dat partijen onderling tot een vergelijk zijn gekomen. De klacht bij het KiFiD wordt derhalve ingetrokken. U kunt het dossier sluiten.
[…]
2.15.
Bij brief van 14 december 2015 schrijft het Kifid aan de bank onder meer met vermelding van het kenmerk ‘ [kenmerk 1] / [lettercombinatie 2] ’:
Betreft:Klacht van mevrouw [eiseres]
[…]
Bij brief d.d. 10 december 2015 heeft […] mij geïnformeerd dat hij in overleg met u tot een oplossing van zijn klacht is gekomen. Middels bijgesloten brief heb ik derhalve vastgesteld dat een onderling (bemiddel)resultaat is bereikt.
Onder dankzegging voor uw medewerking en uw bereidheid de consument in deze tegemoet te komen, ga ik thans over tot sluiting van het dossier.
[…]
2.16.
Op 29 april 2016 schrijft de bank in een brief aan [eisers] onder meer ten aanzien van lening 2:
[…]
Op 1 november 2016 eindigt de looptijd van dit leningdeel. U betaalt dit leningdeel helemaal of zoveel mogelijk aan ons terug met de uitkering van uw verzekering(en). Hieronder ziet u welke verzekering(en).
Verzekeringsmaatschappij Polisnummer
DSB Leven [polisnummer]
[…]
2.17.
Op 3 oktober 2017 is de echtgenoot van [eiseres] overleden.
2.18.
Op 23 september 2019 stuurt [eiseres] een brief naar de bank met het verzoek om lening 2 tot nader bericht te verlengen, waarbij het volgens [eiseres] gaat om “deel leven DSB Leven [polisnummer] ”.
2.19.
Bij brief van 24 maart 2022 schrijft de bank in een brief aan [eiseres] onder meer dat lening 2 was afgelopen op 1 december 2019, dat [eiseres] de restschuld van € 54.435,10 moet terugbetalen en dat de bank de einddatum van de hypotheek nog één laatste keer zal aanpassen naar 1 juni 2023 indien de bank niets van [eiseres] hoort vóór 22 april 2022.
2.20.
Op 16 juni 2022, 20 maart 2023 en 26 april 2023 stuurt de bank brieven aan [eiseres] met het bericht dat lening 2 op 1 juni 2023 afloopt. In de brief van 26 april 2023 is opgenomen dat [eiseres] de bank heeft laten weten dat zij het (openstaande) bedrag van lening 2 (€ 54.416,95) gaat terugbetalen met eigen geld. Dat heeft [eiseres] vervolgens niet gedaan, waarna de bank [eiseres] bij brief van 27 oktober 2023 vraagt om tot betaling over te gaan.
2.21.
De bank heeft het dossier vervolgens overgedragen aan incassobureau Flanderijn. Flanderijn heeft bij brieven van 11 december 2023, 14 december 2023, 11 januari 2024 en 25 januari 2024 contact gezocht met [eiseres] . [eiseres] heeft daar niet op gereageerd. Daarna stuurt Flanderijn op 19 maart 2024 een brief naar [eiseres] met onder meer het bericht dat de woning van [eiseres] moet worden verkocht om het openstaande bedrag van lening 2 te kunnen voldoen.
2.22.
In november 2024 is [eiseres] in contact gekomen met een hypotheekadviseur van de bank om te onderzoeken of lening 2 kan worden verlengd. De afspraak om te komen tot een verlenging van lening 2 is meerdere keren verzet. [eiseres] heeft (tot op heden) niet de gevraagde informatie over haar financiële positie aangeleverd die nodig is om een beoordeling te kunnen maken.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, om:
 primair (i) voor recht te verklaren dat de vordering tot opeisbaarheid van lening 2 van € 54.454,- is verjaard en (ii) de bank te veroordelen aan [eiseres] tegen correct overzicht en berekening en behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de door eiseres onverschuldigd betaalde rente op voornoemde lening vanaf 29 oktober 2016, althans de dag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
 subsidiair de bank te veroordelen tot betaling van de schade van eiseres in de vorm van kwijtschelding van lening 2 van € 54.454,-;
 meer subsidiair voor recht te verklaren dat de bank gehouden is om lening 2 van € 54.454,- tegen dezelfde condities en voorwaarden en looptijd te handhaven als lening 1, zoals omschreven in de akte van 29 oktober 2001;
 zowel primair, subsidiair als meer subsidiair de bank te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten voor zover betekening van het vonnis noodzakelijk blijkt voor de nakoming aan het vonnis.
3.2.
De bank voert verweer. De bank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en (eventuele) wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De primaire vordering
4.1.
[eiseres] heeft gesteld dat de vordering van de bank op grond van lening 2 is verjaard. In de dagvaarding heeft [eiseres] daartoe aangevoerd dat de verjaringstermijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW Pro van toepassing is, deze verjaringstermijn is aangevangen op het moment dat lening 2 opeisbaar werd (29 oktober 2016) en is verstreken zonder dat de verjaring is gestuit. De door [eiseres] betaalde rente op lening 2 is daardoor onverschuldigd betaald, aldus [eiseres] .
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het (aanvankelijke) betoog van [eiseres] niet kan worden gevolgd. De bank heeft terecht aangevoerd dat – zoals [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling ook lijkt te erkennen – de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot zekerheid waarvoor een hypotheek strekt, niet verjaart voordat 20 jaar zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden (zie artikel 3:323 lid 3 BW Pro). Het recht van hypotheek is gevestigd op 29 oktober 2001, zodat de vordering van de bank op zijn vroegst verjaard kan zijn op 30 oktober 2021.
4.3.
Echter, door verschillende handelingen vóór laatstgenoemde datum (waaronder sommaties over achterstanden en mededelingen omtrent het recht van hypotheek van de bank alsmede betalingen van rente door [eiseres] in 2022) is de verjaringstermijn van 20 jaar gestuit. Daarbij geldt dat iedere stuitingshandeling een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar doet starten (volgens artikel 3:319 lid 1 en Pro 2 BW). Daardoor is de rechtsvordering tot opeising van lening 2 tot op heden niet verjaard en dient de gevorderde verklaring voor recht te worden afgewezen.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] de door haar (vanaf 29 oktober 2016) betaalde rente op lening 2 niet onverschuldigd betaald. Ook dit deel van de primaire vordering dient dan ook te worden afgewezen.
De subsidiaire vordering
4.5.
Ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering heeft [eiseres] gesteld dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de bank op meerdere vlakken haar zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden. [eiseres] is steeds in de veronderstelling gebleven dat de aflossing van lening 2 afgedekt was door (een opbouwaarde uit) een levensverzekering. Deze veronderstelling heeft de bank zelf in leven gehouden door haar foutieve en verwarrende brieven (zoals die van 29 april 2016), waarin wordt gesproken over een levenhypotheek en een aflossing met een opgebouwde waarde in de levensverzekering. [eiseres] lijdt schade als gevolg van de schending van de zorgvuldigheidsnorm door de bank en heeft aldus recht en belang bij haar vordering de bank te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding in de vorm van kwijtschelding van lening 2, zo stelt zij.
4.6.
Zoals uit de hiervoor onder 2.12 tot en met 2.15 weergegeven feiten blijkt, is (ook) met betrekking tot de klacht over de (eventuele) schending van de zorgplicht door de bank bij het verpanden van de (verkeerde) polis een regeling getroffen. De eind 2014 door [eiseres] bij het Kifid ingediende klacht had onmiskenbaar ook betrekking op de kwestie rondom lening 2 (zie de omschrijving van de klacht hiervoor onder 2.12). De regeling die getroffen is, had betrekking op de klacht van [eiseres] (met het kenmerk [kenmerk 1] ) en was bedoeld ter definitieve beëindiging van het geschil, waaronder dus de discussie omtrent lening 2. [eiseres] werd destijds bijgestaan door een rechtsbijstandverlener en moet zeker gelet daarop geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de reikwijdte van de regeling. De bank en [eiseres] hebben in 2015 dus beoogd om (ook) het geschil over lening 2 tegen finale kwijting te beëindigen, althans daar mocht de bank gerechtvaardigd op vertrouwen. Voornoemde regeling tussen [eiseres] en de bank kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro, waardoor [eiseres] gebonden is aan de daarin neergelegde vaststelling dat het geschil over de verpande levensverzekering is beëindigd (waartegenover de bank een andere openstaande schuld tegen gunstiger voorwaarden heeft geherfinancierd en een compensatie heeft betaald). Daarmee zijn eventuele rechten van [eiseres] op een schadevergoeding als er geen vaststellingsovereenkomst zou zijn gesloten, komen te vervallen.
4.7.
Het is slordig en onhandig dat de bank in haar (standaard)brief van 29 april 2016 refereert aan de verzekering met polisnummer [polisnummer] en een (mogelijk) daarin opgebouwde waarde. Dit terwijl de bank al in december 2009 op de hoogte was van het feit dat deze verzekering door DSB Verzekeringen was geroyeerd en de bank gelet op de voorgeschiedenis (en de klachten van [eiseres] ) wist dat in deze verzekering geen waarde was opgebouwd ter (gedeeltelijke) aflossing van lening 2. Omdat [eiseres] echter geacht moet worden er (inmiddels) van op de hoogte te zijn geweest dat de verpande verzekering was geroyeerd en geen waarde vertegenwoordigde en zij door de mededelingen in de brief als zodanig geen schade heeft geleden, kan dit handelen van de bank echter niet als zodanig onzorgvuldig worden geduid dat het als onrechtmatig kan worden beschouwd.
4.8.
Het voorgaande brengt met zich dat de subsidiaire vordering moet worden afgewezen.
De meer subsidiaire vordering
4.9.
Ten aanzien van de meer subsidiaire vordering geldt dat deze geen rechtsbasis heeft, omdat [eiseres] niet heeft toegelicht op welke rechtsgrond deze vordering toewijsbaar zou kunnen zijn en die rechtsgrond ook niet kan worden aangevuld aan de hand van de door [eiseres] aan haar standpunt ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.
De conclusie
4.10.
De vorderingen van [eiseres] worden reeds gelet op het voorgaande afgewezen. De rechtbank zal daarom niet ingaan op andere verweren van de bank, zoals een beroep op rechtsverwerking en verjaring.
De proceskosten
4.11.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bank worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.601,00
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de bank van € 5.601,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.