Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15,
2.De feiten
uw kenmerk[kenmerk 1] ’:
Rechtbank Limburg
Eiseres en haar overleden echtgenoot sloten in 2001 een hypothecaire geldlening bij de bank, bestaande uit een aflossingsvrij deel en een levenhypotheek. De bank verpandde een levensverzekering als zekerheid, maar later bleek dat het een overlijdensrisicoverzekering betrof zonder opbouwwaarde. Eiseres klaagde over de foutieve informatie en de bank erkende de situatie, waarna een klachtprocedure bij het Kifid leidde tot een vaststellingsovereenkomst in 2015.
Eiseres vorderde primair dat de vordering van de bank tot opeisbaarheid van lening 2 was verjaard en dat zij onverschuldigde rente terugbetaald zou krijgen. Subsidiair vorderde zij kwijtschelding van de lening wegens schending van de zorgplicht door de bank. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van 20 jaar geldt voor hypothecaire zekerheden en dat de verjaring door diverse handelingen is gestuit, waardoor de vordering niet verjaard is.
De subsidiaire vordering werd afgewezen omdat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen het geschil definitief had beëindigd. De rechtbank vond het handelen van de bank weliswaar slordig, maar niet onrechtmatig. De meer subsidiaire vordering had geen rechtsgrond. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten.