ECLI:NL:RBLIM:2026:3314

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
C/03/321003 / HA ZA 23-348
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 2 BWArt. 4:210 BWArt. 4:214 lid 1 BWArt. 4:220 lid 1 BWArt. 4:223 lid 1 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding vaststellingsovereenkomst na overlijden erflater en gevolgen voor nalatenschap

Eisers, broers en zussen van de overleden erflater, vorderden ontbinding van een vaststellingsovereenkomst die zij met de erflater hadden gesloten. De overeenkomst betrof afspraken over de beëindiging van een maatschap en de verdeling van onroerende zaken. Na het overlijden van de erflater traden eisers en gedaagde als erfgenamen in zijn plaats.

De rechtbank oordeelde dat de ontbinding van de overeenkomst toewijsbaar is omdat de erflater toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de afspraken, met name door het niet uitvoeren van landbouwwerkzaamheden. De tijdsbepaling in de overeenkomst was inmiddels vervuld door een arbitraal vonnis dat de maatschap beëindigde.

Hoewel de eisers door het overlijden van de erflater feitelijk geen belang meer hadden bij ontbinding, wees de rechtbank de vordering toch toe om te voorkomen dat zij hoger beroep zouden instellen tegen een afwijzend vonnis, wat de afwikkeling van de nalatenschap zou vertragen. De rechtbank verklaarde dat de eisers recht hebben op terugbetaling van het betaalde voorschot van €750.000,00 en compenseerde de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst toe en verklaart dat eisers recht hebben op terugbetaling van het voorschot van €750.000,00.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/321003 / HA ZA 23-348
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats 1] (België),
hierna te noemen: [eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats 1] (België),
hierna te noemen: [eiser 2] ,
eisende partijen,
advocaat: voorheen achtereenvolgens mr. A. Kara, mr. G.A.M.F. Spera, mr. A. Kara en mr. P.M.H. Cruts,
thans zonder advocaat,
tegen

1.mr. [vereffenaar 1] en mr. [vereffenaar 2] ,

beiden in hun hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater],
(
overleden op of omstreeks [datum 1] 2023 te [plaats 3] ),
hierna te noemen: de vereffenaars,
advocaat: mr. I.P.M. Schreven,
2.
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen,
gedaagde partijen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties A t/m C en producties 1 tot en met 93,
- de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 16,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 94 en 95,
- de brief waarin is bepaald dat de mondelinge behandeling op 25 september 2024 zal worden gehouden;
- de op 14 augustus 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling van 25 september 2024 ingekomen akte van de zijde van gedaagden;
- de correspondentie en B-formulieren waaruit volgt dat de geplande mondelinge behandeling van 25 september 2024 en de daarna op 13 maart 2025 en 26 november 2025 bepaalde mondelinge behandelingen geen doorgang hebben gevonden;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] , [eiser 2] , (thans wijlen) [erflater] (gedaagde sub 1, hierna te noemen: [erflater] ) en [gedaagde] zijn broers en zussen van elkaar.
2.2.
[eiser 1] , [eiser 2] en [erflater] hebben op 8 maart 1974 de [maatschap] opgericht.
Het doel van de maatschap was de exploitatie voor gezamenlijke rekening van een landbouwbedrijf. De afspraken zijn schriftelijke vastgelegd in een onderhandse akte van 21 augustus 1996 (productie 1 bij dagvaarding). Het landbouwbedrijf was een voortzetting van het bedrijf van hun ouders.
2.3.
[eiser 1] , [eiser 2] en [erflater] hebben op 1 januari 1979 een vennootschap onder firma opgericht met als doel een landbouwmechanisatiebedrijf.
2.4.
[eiser 1] , [eiser 2] en [erflater] waren gezamenlijk eigenaar van een woning te [plaats 4] in België, waar ze ook met elkaar hebben gewoond.
2.5.
De vader van partijen is overleden op 23 december 1995. Vader had geen testament gemaakt. Op grond van de wet was de moeder voor 6/10e deel en waren [eiser 2] , [eiser 1] , [erflater] en [gedaagde] ieder voor 1/10e deel tot de nalatenschap gerechtigd. De moeder van partijen is op [datum 2] 2016 overleden. Zij had bij testament [erflater] en [gedaagde] onterfd. [eiser 2] en [eiser 1] waren de erfgenamen.
2.6.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij brief van 31 augustus 2020, welke brief per deurwaardersexploot aan [erflater] is betekend, de maatschap op grond van artikel 10 lid 2 van Pro de maatschapsovereenkomst beëindigd. Artikel 2 van Pro de maatschapsovereenkomst bepaalt dat in geval van opzegging een opzegtermijn van zes maanden in acht moet worden genomen.
2.7.
Tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [erflater] en [gedaagde] dan wel [erflater] alleen anderzijds is een groot aantal procedures aanhangig dan wel aanhangig geweest, zowel in Nederland als in België en zowel bij overheidsrechters als arbitrale colleges. De geschillen betreffen de beëindiging en afwikkeling van de maatschap alsmede de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders.
2.8.
Op 18 augustus 2022 is tijdens de mondelinge behandeling van deze rechtbank in het kort geding (met [nummer 1] ) met [eiser 1] en [eiser 2] als eisers en [erflater] als gedaagde een regeling tot stand gekomen, welke tevens voor akkoord was ondertekend door [gedaagde] , met de navolgende inhoud (productie 33 dagvaarding):
1.
[erflater] trekt zich voorlopig met onmiddellijke ingang terug uit de [maatschap] , in die zin dat hij als maat namens de [maatschap] geen rechtshandelingen of feitelijke handelingen zal verrichten, totdat het arbitrale vonnis zal zijn gewezen, onder de navolgende voorwaarden:
[erflater] zal circa negen hectaren landbouwgrond van de [maatschap] in gebruik krijgen, te weten de gronden aangeduid in productie 8 bij dagvaarding laatste pagina (taxatieblad) onder de nummer 5 tot en met 10, alsmede vanaf 15 september 2022 gebruik maken van de schuur met bos te [plaats 3] , die alsdan vrij toegankelijk zal zijn voor [erflater] ;
[erflater] zal van de [maatschap] te leen krijgen: een deugdelijke tractor (met [nummer 2] ) en andere gereedschappen, te weten een Niemeyer ploeg, een Becker vaste tand, een Roterkopeg, een spuit, een grasmaaier, een Vicon-kunstmeststrooier en een watervat van 1000 liter. [erflater] zal als goed huisvader waken over de hem ter beschikking gestelde materialen. Partijen zullen bij het afleveren aan [erflater] en retourneren aan de [maatschap] foto’s maken van de staat van de materialen;
de opbrengsten van de onder (a) genoemde landbouwgrond komen ten goede aan de [maatschap] en de (redelijke en gebruikelijke) kosten van de onder (a) genoemde landbouwgrond komen ten laste van de [maatschap] . Het positieve of negatieve resultaat komt aan partijen voor 1/3e deel toe of zullen voor 1/3e deel door partijen worden gedragen. [erflater] zal eventueel te maken kosten voorschieten en declareren bij de [maatschap] ( [eiser 2] ). Het kan voorkomen dat goederen die [erflater] nodig heeft voor het bewerken van de onder (a) genoemde landbouwgrond (onverplicht) door de [maatschap] worden aangekocht en aldaar worden geleverd. Voor de levende have geldt hetzelfde en partijen zullen als goed huisvaders voor de levende have zorgen. Partijen zullen over al het voorgaande in redelijkheid tijdig en helder met elkaar communiceren;
[erflater] zal binnen veertien dagen na heden, althans zo snel als mogelijk, als voorschot op zijn aandeel in de [maatschap] en het buitenvennootschappelijk vermogen een bedrag van € 750.000,00 ontvangen van [eiser 2] en [eiser 1] , door middel van overboeking op het bankrekeningnummer van [erflater] , welk bankrekeningnummer ommegaand door mr. Stassen aan mr. Devens zal worden doorgegeven;
[erflater] zal het pand en de bijbehorende percelen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 5] verlaten met al het zijne binnen drie maanden nadat het voorschot als genoemd onder (1d) aan hem is voldaan en, behoudens onderling overleg, daar niet terugkeren;
2.
De Nederlandse rechter, in het bijzonder de Rechtbank Limburg locatie [plaats 6] , is bevoegd om geschillen ter zake het Belgisch en Luxemburgs vermogen te beoordelen; Partijen spreken af dat op die geschillen het Nederlands recht van toepassing is;
3.
De woning te [plaats 4] (België) en de schuur ( [plaats 3] ) zullen bij wijze van bindend advies worden getaxeerd in onderhandse en leegstaande toestand in het economisch verkeer. [eiser 2] en [eiser 1] zullen binnen één maand na heden drie taxateurs voordragen, zowel voor de woning als voor de schuur, waaruit [erflater] binnen twee weken daarna een taxateur voor België en een voor Nederland zal kiezen. [erflater] , [eiser 2] en [eiser 1] zijn ieder voor 1/3e deel gerechtigd in de eigendom van de woning te [plaats 4] . [erflater] en [gedaagde] [eiser 2] zijn ieder voor 1/10e deel gerechtigd in de eigendom van de schuur, terwijl [eiser 2] voor 8/10e deel daarin gerechtigd is. [eiser 2] en [eiser 1] zullen de kosten van de taxatie van de woning te [plaats 4] voor hun rekening nemen, [erflater] en [gedaagde] [eiser 2] zullen de kosten van de taxatie van de schuur in [plaats 3] voor hun rekening nemen. Na taxatie van beide onroerende zaken zal de woning te [plaats 4] worden toebedeeld aan [eiser 2] en [eiser 1] en zal de schuur te [plaats 3] aan [erflater] worden toebedeeld, een en ander onder verrekening van de over- dan wel onderbedeling. Bij de schuur in [plaats 3] behoort ook het bij partijen genoegzaam bekende bos, circa 3200 m2 groot, welk perceel deel uitmaakt van de aanhangige civiel procedure tussen partijen aangaande de nalatenschap. Nadat de hiervoor genoemde afspraken zijn uitgevoerd, zullen partijen en [gedaagde] [eiser 2] die procedure, onder compensatie van kosten, doorhalen;
4.
Partijen verzoeken de procedure door te halen onder compensatie van kosten.
Waar hierna in dit vonnis wordt verwezen naar: de vaststellingsovereenkomst, wordt de hier weergegeven vaststellingsovereenkomst bedoeld. Waar hierna wordt verwezen naar: het kort geding, wordt bedoeld het kort geding die heeft geleid tot deze vaststellingsovereenkomst.
2.9.
Op [datum 1] 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in de zaak met [nummer 3] tussen [eiser 2] en [eiser 1] als eisers en [erflater] en [gedaagde] als gedaagden, welke procedure de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders betrof (hierna: de zaak betreffende de nalatenschap; productie B bij dagvaarding).
2.10.
De (toenmalige) gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] heeft [erflater] bij brief van 8 december 2022, voor zover hier van belang, onder meer als volgt bericht (productie 40 dagvaarding).
In opgemelde kwestie heb ik tijdens de zitting van [datum 1] jl. reeds aangekondigd dat cliënten overwogen om de minnelijke overeenkomst gesloten tijdens de zitting van 18 augustus 2022 te ontbinden wegens toerekenbare tekortkoming aan de zijde van uw cliënt. Middels dit schrijven ontbind ik namens cliënten die afspraken.
2.11.
De advocaat van [erflater] heeft in een e-mail van 23 februari 2023 op de ontbindingsverklaring van [eiser 2] en [eiser 1] gereageerd (dagvaarding, productie 76). [erflater] heeft in deze brief betwist dat hij in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst is tekortgeschoten.
2.12.
Deze rechtbank heeft in de zaak betreffende de nalatenschap bij vonnis van 1 februari 2023 in reconventie, onder meer, als volgt beslist:
2.3.
veroordeelt [eiser 2] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht en levering aan [erflater] van de schuur met ondergrond en erf, plaatselijk bekend [kadastrale gegevens 1] onder de verplichting om aan [eiser 2] uit te keren 8/10 deel van de waarde, vast te stellen door [taxateur] te [plaats 6] als bindend adviseur;
2.4.
veroordeelt [eiser 2] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht en levering aan [erflater] van het perceel bosgrond, kadastraal bekend [kadastrale gegevens 2] , onder de verplichting om aan [eiser 2] uit te keren 8/10 deel van de waarde ad
€ 2.000,00 ofwel een bedrag van € 1.600,00;
2.5.
machtigt [erflater] om, indien [eiser 2] geen of onvoldoende medewerking verleent aan de eigendomsoverdracht en levering aan [erflater] van de schuur met ondergrond en erf en het perceel bosgrond, alles te mogen doen wat hiervoor noodzakelijk is met bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de onroerende zaken, noodzakelijke toestemming en/of handtekening van [eiser 2] ,
2.13.
In het vonnis was door de rechtbank onder meer overwogen dat [eiser 2] in de procedure weliswaar had gesteld dat hij zich niet meer gebonden achtte aan de vaststellingsovereenkomst, maar dat [eiser 2] niet had gesteld dat hij ontbinding of vernietiging van de vaststellingsovereenkomst had gevorderd, zodat [erflater] op grond van de vaststellingsovereenkomst recht had op levering van de schuur. De door [eiser 2] in conventie ingestelde vordering tot levering van de schuur aan hem, zijn in het vonnis van 1 februari 2023 afgewezen. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld (zie productie 93 bij dagvaarding).
2.14.
Bij arbitraal vonnis van 5 juli 2023 (dagvaarding, productie A) heeft het scheidgerecht, onder meer, beslist dat er gronden aanwezig zijn om te concluderen dat de maatschap ten opzichte van [erflater] door uitstoting van [erflater] is geëindigd. Het scheidsgerecht heeft hieromtrent overwogen in randnummer 5.15:
“Nu arbiters van oordeel zijn dat [eiser 2] en [eiser 1] op grond van artikel 10 lid 2 konden Pro opzeggen is de maatschap ten opzichte van [erflater] geëindigd. Beide partijen hebben gesteld dat de maatschap geëindigd is op 28 februari 2021, zodat de arbiters daarvan zullen uitgaan. Partijen nemen 28 februari 2021 ook als peildatum en arbiters zullen dit daarom eveneens als peildatum nemen.”
Voorts oordelen de arbiters (randnummer 5.16) dat [eiser 2] en [eiser 1] als overblijvende vennoten automatisch de vennootschap voortzetten.
2.15.
Aan [erflater] dient de waarde van zijn aandeel in de maatschap te worden uitgekeerd. Ter voldoening aan de vaststellingsovereenkomst is hierop door [eiser 1] en [eiser 2] aan [erflater] een voorschot van € 750.000,00 betaald.
2.16.
Op [datum 1] 2023 is het levenloze lichaam van [erflater] in zijn woning aangetroffen. [erflater] was niet getrouwd, had geen afstammelingen en heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt, zodat op grond van het versterfrecht [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] zijn (enige) erfgenamen zijn.
2.17.
Bij beschikking van 11 juni 2024 van deze rechtbank zijn mr. [vereffenaar 1] en mr. [vereffenaar 2] tot vereffenaren van de nalatenschap van [erflater] benoemd (productie 18 gedaagden).
2.18.
Bij beschikking van 18 september 2024 heeft de kantonrechter de vereffenaars ex art. 4:210 BW Pro aanwijzing gegeven om een andere gemachtigde dan mr. Stassen en diens kantoorgeno(o)t(en) aan te wijzen die voor en namens de vereffenaars de nalatenschap vertegenwoordigt in alle gerechtelijke procedures waarin de nalatenschap van de erflater en [eiser 1] procespartij zijn.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
primair:
I. voor recht te verklaren dat de minnelijke regeling van 18 augustus 2022 per 8 december 2022 door hen is ontbonden ten aanzien van zowel [erflater] als [gedaagde] ,
subsidiair:
II. voor recht te verklaren dat de minnelijke regeling van 18 augustus 2022 per 8 december 2022 door hen is ontbonden ten aanzien van [erflater] , zodat hij aan die regeling in het geheel geen rechten meer kan ontlenen;
en
III. voor recht te verklaren dat de minnelijke regeling van 18 augustus 2022 per datum van het betekenen van de onderhavige dagvaarding door hen geheel is ontbonden ten aanzien van zowel [erflater] als [gedaagde] ;
meer subsidiair:
IV. de minnelijke regeling van 18 augustus 2022 bij het te wijzen vonnis te ontbinden;
primair, subidiair en meer subsidiair:
V. [erflater] te veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser 1] en [eiser 2] terug te betalen het betaalde voorschot ter hoogte van € 750.000,00;
VI. [erflater] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten en het salaris van de advocaat.
3.2.
Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In voorwaardelijke reconventie
3.3.
[erflater] vordert in voorwaardelijke reconventie dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat er tussen [erflater] , [eiser 2] en [eiser 1] ten aanzien van de saldi en/of tegoeden die door hen worden aangehouden bij Van Lanschot Bankiers, KBC Bank en BNP Paribas Fortis eenvoudige gemeenschappen hebben bestaan;
de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vaststelt op de door [erflater] bepaalde wijze en [eiser 2] veroordeelt om aan [erflater] te betalen:
- met betrekking tot de rekening bij Van Lanschot Bankiers een bedrag van € 356.418,00 dan wel € 237.612,00;
- met betrekking tot de KBC Bank een bedrag van € 561.418,00 dan wel € 374.279,00 en
- met betrekking tot BNP Paribas Fortis een bedrag van € 274.095,00;
alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. [eiser 2] in verband met een bij de ING Bank te Luxemburg aangehouden rekening veroordeelt om aan [erflater] te betalen een bedrag van € 318.538,00 dan wel € 245.910, te vermeerderen met de wettelijke rente;
III. [eiser 2] veroordeelt tot betaling van € 7.734,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. [eiser 2] veroordeelt in de kosten van de procedure in reconventie, waaronder het salaris van [erflater] .
3.3.
[eiser 2] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In reconventie
4.1.
De voorwaardelijke vorderingen in reconventie zijn ter zitting van 15 januari 2026 door de vereffenaars ingetrokken en behoeven om die reden geen bespreking.
In conventie
De tegen [gedaagde] ingestelde vorderingen
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen in conventie – kort samengevat – een verklaring voor recht dat de vaststellingsovereenkomst is ontbonden dan wel dat deze door de rechtbank wordt ontbonden. [eiser 1] en [eiser 2] voeren daartoe aan dat [erflater] is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst.
4.3.
Door [eiser 1] en [eiser 2] is niet gesteld dat [gedaagde] zou zijn tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Zij sluiten de onderbouwing van hun vordering in de dagvaarding af (dagvaarding, randnummer 178):
“Partijen hebben een regeling getroffen, welke aantoonbaar door eisers is nagekomen, maar welke (toerekenbaar) niet door [erflater] is nagekomen.”
4.4.
Daarmee is voor de beoordeling van de vorderingen dus slechts van belang of [erflater] tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft de vaststellingsovereenkomst mede ondertekend, omdat zij zich hierin heeft verbonden om haar 1/10e aandeel in de schuur te leveren aan [erflater] . Voorts heeft zij zich jegens [eiser 1] en [eiser 2] verbonden om mee te werken aan doorhaling van de procedure betreffende de nalatenschap, nadat alle afspraken in de vaststellingsovereenkomst zijn uitgevoerd. Die procedure is uiteindelijk niet doorgehaald, maar is geëindigd met het vonnis van de rechtbank van 1 februari 2023. Nu [gedaagde] aan de doorhaling geen medewerking meer kán verlenen, is deze verplichting komen te vervallen, althans kan daar geen nakoming meer worden gevorderd (HR 21 mei 1976, NJ 1977/73). Overige verplichtingen zijn [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde] anderzijds in de vaststellingsovereenkomst niet jegens elkaar aangegaan. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dan ook geen belang bij een ontbinding van de vaststellingsovereenkomst jegens [gedaagde] , zodat de jegens haar in verband hiermee ingestelde vorderingen hierna zullen worden afgewezen.
De inhoud van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken
4.5.
In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen een aantal afspraken gemaakt. Deze betreffen, samengevat, de volgende onderwerpen:
a. a) [erflater] zal zich met onmiddellijke ingang terugtrekken uit de maatschap en geen feitelijke dan wel rechtshandelingen voor de maatschap meer verrichten onder de navolgende voorwaarden:
- aan [erflater] zal 9 hectaren landbouwgrond ter beschikking worden gesteld om deze voor rekening en risico van de maatschap te bewerken, onder gelijktijdige terbeschikkingstelling van apparatuur en gereedschappen die voor die bewerking nodig zijn;
- als voorschot op zijn aandeel in de maatschap wordt aan [erflater] een bedrag van € 750.000,00 uitgekeerd;
- [erflater] zal binnen drie maanden na ontvangst van het voorschot het pand en de bijbehorende percelen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 5] verlaten;
b) de woning te [plaats 4] zal na taxatie en met inachtneming van de taxatiewaarde worden toebedeeld aan [eiser 1] en [eiser 2] ;
c) de schuur te [plaats 3] zal na taxatie en met inachtneming van de taxatiewaarde worden toebedeeld aan [erflater] .
4.6.
Voorts is van belang dat de afspraken hiervoor in nummer 4.5. vermeld onder a) onder het maken van een tijdsbepaling zijn aangegaan. De terugtrekking uit de maatschap en de nakoming van de daaraan verbonden voorwaarden gelden blijkens de tekst van de vaststellingsovereenkomst voor de periode totdat het arbitrale vonnis is gewezen.
4.7.
Hoewel [eiser 1] en [eiser 2] een uitgebreide en langdradige dagvaarding in deze procedure hebben uitgebracht, waarin melding wordt gemaakt van talloze voor het geschil irrelevante feiten, hebben ze niet gesteld welk geschil voorwerp was van het kort geding en welke vorderingen ze in die procedure tegen [erflater] hadden ingesteld. Evenmin is gesteld van welk arbitraal vonnis de werking van de vaststellingsovereenkomst afhankelijk is gemaakt. Ook is niet expliciet gesteld wat partijen beoogden met de opneming van de tijdsbepaling in de vaststellingsovereenkomst.
4.8.
Nu in de processtukken slechts melding wordt gemaakt van één arbitraal vonnis, te weten het arbitraal vonnis d.d. 5 juli 2023, dat als allereerste productie (productie A) van de in totaal 96 producties aan de dagvaarding is gehecht, begrijpt de rechtbank dat dit het arbitrale vonnis is waarnaar in de vaststellingsovereenkomst wordt verwezen. In deze arbitrale procedure was door [eiser 1] en [eiser 2] onder meer gevorderd om voor recht te verklaren dat de maatschap door de opzegging door [eiser 1] en [eiser 2] was geëindigd per 28 februari 2021. In het arbitrale vonnis van 5 juli 2023 is vastgesteld dat de maatschap per 28 februari 2021 is beëindigd en dat de maatschap door [eiser 2] en [eiser 1] als overblijvende vennoten na die datum is voortgezet.
4.9.
Het gerecht leidt uit hetgeen in de processtukken is gesteld omtrent de talloze geschillen tussen partijen en uit de producties (waaronder in het bijzonder het arbitrale vonnis van 5 juli 2023) dan ook af dat [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [erflater] anderzijds met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onder genoemde tijdsbepaling onder meer hebben beoogd om afspraken te maken omtrent de rechten en verplichtingen van [erflater] ten opzichte van de maatschap
totdatin de aanhangige arbitrageprocedure een beslissing was genomen omtrent de geldigheid van de beëindiging van de maatschap per 28 februari 2021 door [eiser 1] en [eiser 2] .
4.10.
Met het wijzen van dit vonnis op 5 juli 2023 is de tijdsbepaling in werking getreden, waarmee de afspraken die aan die tijdsbepaling zijn onderworpen met ingang van die datum zijn komen te vervallen. Dat brengt mee dat [eiser 1] en [eiser 2] ten aanzien van die afspraken geen belang hebben bij hun (op 23 juli 2023) ingestelde vordering tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst.
4.11.
Hoewel dit naar de letter van de tekst de afspraken betreft die in de vaststellingsovereenkomst zijn opgenomen onder 1 a t/m e, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de inhoud van de afspraken dat de tijdsbepaling slechts was verbonden aan de verplichtingen opgenomen onder 1 a t/m c. Nu de arbiters hebben geoordeeld dat de maatschap per 28 februari 2021 door [eiser 1] en [eiser 2] wordt voortgezet en [erflater] recht heeft op uitkering van de waarde van zijn aandeel (die in de arbitrale procedure nog door een deskundige moet worden vastgesteld), valt niet in te zien waarom [erflater] op grond van de tijdsbepaling het voorschot op zijn aandeel na het wijzen van het arbitraal vonnis moet terugbetalen. Ook de afspraak dat [erflater] het pand en de percelen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 5] zou verlaten na de ontvangst van zijn voorschot (waarmee hij zich andere woonruimte kon verwerven) was naar zijn inhoud niet bedoeld om afhankelijk te zijn van de tijdsbepaling.
De gevolgen van en het belang bij het al dan niet ontbinden van de vaststellingsovereenkomst
4.12.
Dat betekent dat de in deze procedure gevorderde ontbinding na de vervulling van de tijdsbepaling nog slechts betrekking kan hebben op de volgende verplichtingen die partijen in de vaststellingsovereenkomst op zich hebben genomen:
- de uitkering van het voorschot van € 750.000,00 op het aandeel van [erflater] in de maatschap;
- het verlaten van de woning aan de [straat] te [plaats 5] door [erflater] ;
- de taxatie en toedeling van de woning te [plaats 4] aan [eiser 1] en [eiser 2] één en ander onder verrekening;
- de taxatie en toedeling van de schuur te [plaats 3] aan [erflater] één en ander onder verrekening.
4.13.
Na het overlijden van [erflater] zijn als zijn erfgenamen in zijn plaats getreden [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] . De nalatenschap zal moeten worden afgewikkeld, waartoe door de rechtbank de vereffenaars zijn benoemd. De vereffenaars hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het voor die afwikkeling in financieel opzicht geen verschil maakt of de vaststellingsovereenkomst al dan niet wordt ontbonden. De rechtbank deelt dat oordeel. Daartoe geldt het volgende.
4.14.
Nu met het arbitraal vonnis inmiddels vaststaat dat de maatschap is beëindigd en nu [erflater] is overleden, staat vast dat [erflater] recht had op uitkering van zijn aandeel in de maatschap. In het kader van de afwikkeling van zijn nalatenschap zal dan ook thans ten behoeve van zijn erfgenamen de waarde van zijn aandeel in de maatschap moeten worden vastgesteld.
Indien de vaststellingsovereenkomst niet wordt ontbonden, heeft de nalatenschap een vordering tot uitbetaling van het aandeel van [erflater] in de maatschap onder de verplichting tot verrekening van het betaalde voorschot. Indien de vaststellingsovereenkomst wel wordt ontbonden zal er in de nalatenschap een schuld ontstaan aan [eiser 1] en [eiser 2] tot terugbetaling van het voorschot, waartegenover een vordering ontstaat van de nalatenschap op [eiser 1] en [eiser 2] tot uitkering van het aandeel aan [erflater] . De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot terugbetaling van het voorschot zal op de voet van artikel 4:214 BW Pro bij de vereffenaars moeten worden ingediend. Op grond van artikel 4:223 lid 1 BW Pro (juncto de artikelen 57 tot en met 60 Fw.) kan deze vordering niet op de goederen van de nalatenschap ten uitvoer worden gelegd. Terugbetaling van het voorschot zal niet eerder plaatsvinden nadat de uitdelingslijst verbindend is geworden (artikel 4:220 lid 1 BW Pro). Daarmee is het resultaat feitelijk hetzelfde als in het geval de vaststellingsovereenkomst niet wordt ontbonden; de waarde van het aandeel moet worden vastgesteld, waarna het voorschot hiermee wordt verrekend.
4.15.
De persoonlijke verplichting van [erflater] tot het verlaten van de woning en de bijbehorende percelen aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats 5] speelt na diens overlijden geen rol meer.
4.16.
Ten aanzien van de schuur geldt dat in het vonnis van deze rechtbank van 1 februari 2023 is bepaald dat [eiser 2] zijn 8/10 aandeel in de schuur aan [erflater] dient te leveren tegen betaling van de waarde van het geleverde aandeel. Indien de vaststellingsovereenkomst in stand blijft, dan dient [eiser 2] op grond van dit vonnis zijn aandeel aan de nalatenschap te leveren tegen betaling van de waarde van dit aandeel. De schuur met bosperceel zal dan geheel in de nalatenschap vallen ( [gedaagde] zal haar 1/10 deel waartoe zij thans nog gerechtigd is op grond van de vaststellingsovereenkomst aan de nalatenschap moeten leveren), zodat er door de erfgenamen (lees [eiser 2] , [eiser 1] en [gedaagde] ) afspraken moeten worden gemaakt wie uiteindelijk de eigenaar zal worden van de gehele schuur, één en ander onder verrekening van de waarde van ieders aandeel. In geval van ontbinding van de vaststellingsovereenkomst vervalt de veroordeling in dit vonnis niet, zodat het voorgaande - zolang in hoger beroep niet anders wordt beslist - in beginsel nog steeds blijft gelden. Wel zal de wijziging van de rechtsbetrekking tussen partijen ten gevolge van een ontbinding meebrengen dat het gezag van gewijsde van het vonnis van 1 februari 2023 (dan wel van een in hoger beroep gewezen arrest) er niet langer aan in de weg staat dat in een nieuw geding een beroep wordt gedaan op de ontbinding (HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025: 667). In zoverre kunnen [eiser 1] en [eiser 2] vanuit juridisch oogpunt belang hebben bij een ontbinding. Indien [eiser 1] en [eiser 2] in een nieuwe procedure hierop met succes een beroep zouden doen en het vonnis van 1 februari 2023 (dan wel een in hoger beroep gewezen arrest) zou worden vernietigd, dan is [eiser 2] niet langer gehouden zijn 8/10 deel in de schuur aan [erflater] c.q. de nalatenschap te leveren. Ook [gedaagde] hoeft haar aandeel dan niet over te dragen aan [erflater] c.q. de nalatenschap. Omdat [erflater] bij zijn overlijden gerechtigd was tot 1/10 aandeel in die schuur met bosgrond, dienen er door de erfgenamen (lees [eiser 2] , [eiser 1] en [gedaagde] ) nog steeds met [eiser 2] afspraken te worden gemaakt wie uiteindelijk de eigenaar zal worden van de gehele schuur. Met alleen dit verschil dat in geval van instandhouding van de vaststellingsovereenkomst [eiser 2] een aandeel van 1/3 deel heeft in de schuur en in geval van ontbinding een aandeel van 8/10 plus 1/30. Nu [gedaagde] in de vaststellingsovereenkomst al bereid was vrijwillig afstand te doen van haar aandeel in de schuur met bosgrond (aan [erflater] ), neemt de rechtbank aan - nu hieromtrent niets anders is gesteld - dat [gedaagde] in beide gevallen (ontbinding of niet) bereid is om afstand te doen van het aandeel in de schuur met bosperceel dat haar toekomt (1/3 als erfgenaam van [erflater] in geval van instandhouding dan wel 1/10 als erfgenaam van haar vader plus 1/30 als erfgenaam van [erflater] in geval van ontbinding van de vaststellingsovereenkomst). Ook ten aanzien van [eiser 1] , die altijd gezamenlijk met [eiser 2] in de (aan de rechtbank bekende) procedures is opgetrokken, gaat de rechtbank er vanuit dat zij in beide gevallen bereid is om van haar aandeel afstand te doen ten gunste van [eiser 2] .
4.17.
Ook ten aanzien van de toedeling van de woning te [plaats 4] geldt dat er een toedeling met verrekening moet plaatsvinden. Indien de vaststellingsovereenkomst niet wordt ontbonden zal de woning te [plaats 4] aan [eiser 1] en [eiser 2] moeten worden toebedeeld. Indien de vaststellingsovereenkomst wel wordt ontbonden, dan zullen er opnieuw afspraken moeten worden gemaakt over de toedeling van deze woning. Het 1/3 aandeel van [erflater] valt thans in diens nalatenschap. Omdat [gedaagde] tot dit aandeel medegerechtigd is, zullen er door [eiser 1] en [eiser 2] dus met haar afspraken moeten worden gemaakt over de toedeling. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet gesteld dat zij de woning thans niet meer toebedeeld wensen te krijgen (gezien het in de dagvaarding genoemde adres begrijpt de rechtbank dat zij nog steeds in die woning wonen, nu het genoemde adres ligt in [plaats 4] , gemeente [plaats 1] ). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij nog steeds toedeling van de woning aan hen wensen en dat [gedaagde] , nu niet is gesteld dat dit anders is, als erfgenaam aan een toedeling aan hen zal meewerken. Ook na een ontbinding zal de woning dus alsnog aan [eiser 1] en [eiser 2] worden toebedeeld.
4.18.
Het voorgaande betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] feitelijk geen belang meer hebben bij de toewijzing van hun vordering tot ontbinding. Het had voor de hand gelegen dat zij hun vorderingen hadden ingetrokken. [gedaagde] was slechts mede gedagvaard omdat zij de vaststellingsovereenkomst voor akkoord had mede ondertekend en zich had verbonden om haar 1/10 aandeel in de schuur aan [erflater] te leveren. Zij had in de vaststellingsovereenkomst geen verplichtingen jegens [eiser 1] en [eiser 2] op zich genomen (behoudens de doorhaling van de procedure betreffende de nalatenschap) en, zoals hiervoor al is overwogen, is door [eiser 1] en [eiser 2] niet gesteld dat zij was tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst jegens [erflater] . Als erfgenamen van [erflater] had het op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] gelegen om ervoor te kiezen om mee te werken aan voortvarende afwikkeling van de nalatenschap. Dat [gedaagde] als mede-erfgenaam aan een voortvarende afwikkeling in de weg zou staan, is gesteld noch gebleken.
De wenselijke uitkomst van deze procedure uit praktisch oogpunt
4.19.
Nu [erflater] is overleden is er per definitie geen geschil meer met [erflater] omtrent de afwikkeling van de maatschap alsmede omtrent de verdeling van de woning te [plaats 4] en de schuur. Een zakelijke afwikkeling van de nalatenschap ligt dus voor de hand. Na het overlijden van [erflater] hebben [eiser 1] en [eiser 2] zich in diverse stukken die zij (buiten de rol om) aan de rechtbank hebben verstuurd, negatief uitgelaten over [gedaagde] en hebben zij haar diverse verwijten gemaakt omtrent de gebrekkige zorg die zij aan [erflater] in zijn laatste levensjaren zou hebben verleend. Waar in de processtukken tot aan diens overlijden geen goed woord was te vinden over [erflater] en zijn gedragingen, stelde [eiser 2] tijdens de mondelinge behandeling ineens dat de verhouding met [erflater] de laatste jaren weer sterk was verbeterd, maar dat [gedaagde] een negatieve invloed op hem had. [gedaagde] zou eraan in de weg hebben gestaan dat met [erflater] een oplossing in der minne was bereikt. [eiser 1] en [eiser 2] hebben er kennelijk voor gekozen om hun pijlen thans ten volle te richten op [gedaagde] .
4.20.
De rechtbank constateert dat:
- er vele gerechtelijke procedures zijn gevoerd en nog steeds worden gevoerd door [eiser 1] en [eiser 2] in het kader van de beëindiging van de maatschap respectievelijk de afwikkeling van de nalatenschap van de ouders;
- [eiser 1] en [eiser 2] niet meewerken aan een voortvarende afwikkeling door de vereffenaars van de nalatenschap van [erflater] ;
- [eiser 1] en [eiser 2] er thans in deze procedure voor kiezen om verwijten te maken aan [gedaagde] .
De rechtbank acht het dan ook waarschijnlijk dat [eiser 1] en [eiser 2] in geval van een afwijzing van hun vorderingen wegens gebrek aan belang, hoger beroep tegen het vonnis zullen instellen om op die wijze tegen [gedaagde] te kunnen doorproceden. Dat is niet alleen zinloos, omdat [eiser 1] en [eiser 2] bij een andere uitkomst (te weten een toewijzing van de ontbinding) geen (financieel) belang hebben, maar is ook in strijd met hun eigen belangen en die van [gedaagde] . Doorprocederen staat in de weg aan een vlotte afwikkeling van de nalatenschap, leidt tot hogere kosten voor de afwikkeling van de nalatenschap (hetgeen ook [gedaagde] benadeelt) en leidt tot extra juridische kosten aan de kant van [eiser 1] en [eiser 2] zelf, terwijl [eiser 2] zich er op de zitting (en in brieven aan de rechtbank waarvan ambtshalve kennis is genomen) over beklaagde dat hij nu al meer dan € 500.000,00 aan kosten heeft gemaakt in alle procedures tegen [erflater] en [gedaagde] . Ook vanuit maatschappelijk oogpunt is het ongewenst dat procedures worden voortgezet, terwijl procespartijen daar geen belang bij hebben.
4.21.
Het voorgaande is aanleiding voor de rechtbank om de primaire vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot ontbinding van de overeenkomst hierna toch toe te wijzen, zodat zij geen hoger beroep kunnen instellen van dit vonnis en daarmee in ieder geval dit geschil tot een einde komt. Zij hebben zij daarbij strict genomen ook een juridisch belang, gezien hetgeen hiervoor in nummer 4.16 is overwogen. De vereffenaars hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard geen hoger beroep te zullen instellen bij een toewijzing van de gevorderde ontbinding, zodat aan die kant de toewijzing niet leidt tot een voortzetting van het gschil.
De grond voor toewijzing van de vordering tot ontbinding
4.22.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering tot ontbinding op zichzelf namelijk wel toewijsbaar, nu op grond van het partijdebat is komen vast te staan dat [erflater] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Daartoe geldt het volgende.
4.23.
Ter onderbouwing van de stelling dat [erflater] tekort was geschoten ten aanzien van de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, voeren [eiser 1] en [eiser 2] onder meer, en voor zover thans van belang, het volgende aan.
( i) [erflater] heeft niet de gronden bewerkt die hem op grond van de vaststellingsovereenkomst ter beschikking waren gesteld en heeft ook niet de bedrijfsmiddelen die op grond van de vaststellingsovereenkomst te zijner beschikking stonden, opgehaald. Hij heeft in dit opzicht onder meer nagelaten (dagvaarding, 97):
- het gras op een weiland te maaien en in te kuilen, hetgeen in verband met het weer uiterlijk in oktober 2022 had moeten gebeuren;
- twee percelen in het [locatie] in te zaaien, hetgeen alleen in oktober had gekund;
- om op een derde perceel uiterlijk 1 november de aardappelen te rooien en dit perceel conform de plannen klaar te leggen voor het planten van bieten het komende jaar.
(ii) Afspraken die met betrekking tot het beheer van bepaalde gronden zijn gemaakt met Natuurlijk Limburg zijn door [erflater] niet nagekomen.
4.24
Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat [erflater] zijn werkzaamheden voor rekening en risico van de maatschap zou uitoefenen. De maatschap had er dan ook belang bij, en [erflater] was er jegens de maatschap toe verplicht, dat hij de noodzakelijke werkzaamheden ook daadwerkelijk zou uitvoeren op een wijze zoals mag worden verwacht van een professioneel handelende landbouwer. De rechtbank is van oordeel dat uit het partijdebat volgt dat dit niet het geval is geweest.
4.25.
[erflater] heeft onder meer als verweer gevoerd dat het juist is dat:
- hij het weiland in oktober en november 2022 niet had gemaaid, maar dat dit ook in december nog had gekund;
- het inzaaien van wintergerst niet per sé hoeft plaats te vinden in de maand oktober, maar dat dit ook nog later had gekund zolang er geen vorst is;
- hij in het najaar van 2022 nog geen heggen had gesnoeid, maar dat het snoeien moet gebeuren in de periode van 1 oktober tot 15 maart, zodat hij daarvoor nog tijd had;
- hij niet conform de afspraak met Natuurlijk Limburg boompjes en minimaal 4 populieren had gerooid, maar dat hij daar in de rest van het winterseizoen nog de tijd had.
4.26.
[erflater] heeft niet gesteld welke werkzaamheden er totaal in het kader van een goede bedrijfsvoering in het najaar en winter 2022/2023 op de hem ter beschikking gestelde percelen moesten worden uitgevoerd en dat hij voor al die werkzaamheden een werkschema had opgesteld. Voor een gemotiveerde betwisting van de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] had het op de weg van [erflater] gelegen dat hij zich op een dergelijk werkschema had beroepen en dat hij had toegelicht welke werkzaamheden hij voor het inroepen van de ontbinding op 8 december 2022 door [eiser 1] en [eiser 2] wel reeds had verricht en op welke momenten hij de nog niet verrichte werkzaamheden had ingepland. Daar komt bij dat [erflater] ook niet heeft gesteld hoe hij in oktober 2022 wetenschap had van het feit dat het in november en december van dat jaar nog niet ging vriezen en dat hij de wintergerst nog na die maanden had kunnen inzaaien. Door te volstaan met als verweer te voeren dat alle nog niet verrichte werkzaamheden nog later in de winter hadden kunnen worden uitgevoerd, heeft hij onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij zijn taken verwaarloosde en dat hij niet handelde als een redelijk bekwaam landbouwer. Daarmee staat vast dat hij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Nu die nakoming door het tijdsverloop ook blijvend onmogelijk was geworden, hadden [eiser 1] en [eiser 2] de bevoegdheid tot ontbinding zonder dat [erflater] in verzuim was (artikel 6:265 lid 2 BW Pro). Om die reden hebben zij op goede gronden in hun brief van 8 december 2022 de ontbinding ingeroepen.
Slotsom
4.27.
Het voorgaande betekent dat het subsidiair onder II gevordere toewijsbaar is en dat de primair onder I, de subsidiair onder III en meer subsidiair ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen.
4.28.
Op de nalatenschap rust een ongedaanmakingsverplichting ten aanzien van het aan [erflater] betaalde voorschot van € 750.000,00. Deze vordering zal op de voet van artikel 4:214 lid 1 BW Pro bij de vereffenaard moeten worden ingediend. Deze vordering kan op grond van artikel 4:223 lid 1 BW Pro niet op de goederen van de nalatenschap worden verhaald. Indien de vordering tot betaling van € 750.000,00 wordt toegewezen, is het niet uitgesloten dat [eiser 1] en [eiser 2] toch zullen proberen deze met behulp van het vonnis op de nalatenschap te verhalen. Om die reden zal de rechtbank het mindere toewijzen, in die zin dat zij voor recht zal verklaren dat [eiser 1] en [eiser 2] uit hoofde van de op de nalatenschap rustende ongedaanmakingsverplichting recht hebben op terugbetaling van het betaalde voorschot van € 750.000,00.
4.29.
Omdat ten behoeve van [eiser 1] en [eiser 2] slechts verklaringen voor recht worden gegeven, hebben zij er geen belang bij dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, zodat dat onderdeel van de vorderingen zal worden afgewezen.
4.30.
Partijen zijn broers en zussen, zodat de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat de vaststellingsovereenkomst van 18 augustus 2022 door [eiser 1] en [eiser 2] per 8 december 2022 is ontbonden ten aanzien van [erflater] ;
5.2.
verklaart voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] uit hoofde van die ontbinding recht hebben op terugbetaling van het door hen aan [erflater] betaalde voorschot op diens aandeel in de maatschap van € 750.000,00;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.