ECLI:NL:RBLIM:2026:3306

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
12090854 \ CV EXPL 26-515
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot ontruiming woonruimte afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang

De verhuurder vordert in kort geding de ontruiming van een woonruimte vanwege een huurachterstand en overlast door de huurder. De huurder heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming worden gevorderd, met een mondelinge behandeling gepland binnen enkele weken.

De verhuurder stelt dat de huurachterstand oploopt en er sprake is van voortdurende overlast, waardoor spoedeisend belang bestaat. De huurder betwist dit en wijst op de korte termijn van de bodemprocedure en het feit dat hij inmiddels weer huur betaalt en hulp zoekt voor zijn situatie.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat de bodemprocedure snel zal worden behandeld en het ontruimingsvonnis spoedig kan volgen. Ook is onvoldoende gebleken dat de overlast ernstig genoeg is om niet te kunnen wachten. De verhuurder wordt niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De verhuurder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van spoedeisend belang en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12090854 \ CV EXPL 26-515
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[verhuurder] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: R.H.K. Middeldorp,
tegen
[huurder],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. C.C.F. de Gier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het e-mailbericht van 18 maart 2026 mr. Middeldorp met aanvullende producties 10 t/m 12 ten behoeve van de mondelinge behandeling
- de brief van mr. De Gier van 23 maart 2026 met producties 1 t/m 4 ten behoeve van de mondelinge behandeling
- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026
- de pleitnota van [huurder] .

2.De feiten

2.1.
[verhuurder] verhuurt met ingang van 6 november 2022 aan [huurder] de woonruimte aan [adres] . Op de huurovereenkomst zijn de algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van toepassing (productie 1 [verhuurder] ). De huurprijs bedraagt € 1.270,00 per maand. Het gehuurde maakt onderdeel uit van een gebouw met meerdere koopappartementen.
2.2.
Er is sprake van een huurachterstand over de periode augustus 2025 tot en met 19 februari 2026 ten bedrage van in totaal € 8.890,00.
2.3.
[verhuurder] heeft op 3 december 2025 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij Rechtbank Limburg, locatie Roermond, met zaaknummer 12024963 CV EXPL 25-6291, strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, met nevenvorderingen (waaronder betaling van de huurachterstand). De mondelinge behandeling in de bodemzaak vindt plaats op 30 april 2026.
2.4.
[verhuurder] heeft meldingen ontvangen van eigenaren van omliggende appartementen van overlast door [huurder] .

3.Het geschil

3.1.
[verhuurder] vordert samengevat -;
1. ontruiming van het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van het vonnis tot aan de einduitspraak in de bodemzaak, zo nodig met behulp van de sterke arm,
2. afgifte van de sleutels op straffe van een dwangsom,
3. veroordeling van [huurder] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 1.270,00 per maand vanaf 1 februari 2026 (de kantonrechter gaat ervan uit dat in het petitum per abuis 2025 is vermeld) tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met rente,
4. ( subsidiair) een verbod op te leggen op het veroorzaken van overlast, op straffe van een dwangsom,
5. ( meer subsidiair) elke andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht,
6. veroordeling van [huurder] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van [verhuurder] . Dit gaat om het spoedeisend belang als ontvankelijkheidseis. Dit spoedeisend belang moet worden beoordeeld op het moment van dit vonnis, uitgaande van datgene wat op de mondelinge behandeling door partijen naar voren is gebracht.
4.2.
Op het punt van het spoedeisend belang heeft [verhuurder] aangevoerd dat de huurachterstand onverminderd oploopt en er sprake is van voortdurende overlast. Volgens [verhuurder] heeft [huurder] sinds september 2025 geen enkele poging ondernomen om de huursom te betalen, een betalingsregeling na te komen of op zoek te zijn naar een andere woonruimte. Hierdoor loopt de schade op en is er geen zicht op hervatting van betaling.
Het pensioen van de aandeelhouders van [verhuurder] is mede afhankelijk van de huurbetalingen van [huurder] . Nu deze tekortschiet worden zij in negatieve zin direct hierin geraakt.
Daarnaast is er sprake van voortdurende drugs- en alcoholgebruik binnen het gehuurde waaruit overlast en veiligheidsrisico’s voor omwonenden voortvloeien. Dit tezamen gezien met de oplopende huurachterstand, de lange doorlooptijd en de proceshouding van [huurder] , kan van [verhuurder] niet worden verlangd de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten, aldus [verhuurder] .
4.3.
[huurder] betwist dat sprake is van een spoedeisend belang.
[huurder] stelt zich op het standpunt dat, nu de mondelinge behandeling op korte termijn (30 april 2026) plaatsvindt, er binnen afzienbare tijd een vonnis in de hoofdzaak kan worden verwacht. Hierdoor is er geen sprake van een spoedeisend belang. Er is geen sprake van een laakbare proceshouding van [huurder] . De lange doorlooptijd is aan [verhuurder] zelf te wijten omdat ze de zaak bij de verkeerder rechtbank had aangebracht. [verhuurder] heeft niet onderbouwd dat zij pensioeninkomsten misloopt. Bovendien blijkt uit het door [huurder] overgelegde uittreksel uit het Kadaster dat [verhuurder] over meerdere appartementsrechten beschikt, waar zij ook inkomen uit genereert. Verder verdraagt het lang stilzitten van [verhuurder] zich niet met de gestelde urgentie. [huurder] heeft recentelijk de betaling van de huur hervat en spant zich in om de huurachterstand voor behandeling in de bodemprocedure volledig te voldoen. Niet is gebleken dat de uitkomst van de procedure niet kan worden afgewacht, aldus [huurder] .
[huurder] betwist de weergave van [verhuurder] over structureel overlast door [huurder] . Het gaat om incidentele voorvallen, die geen ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. Bovendien hebben zijn partner en hij hulp gezocht bij Partners en Welzijn.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [verhuurder] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen en overweegt daartoe als volgt.
In december 2026 heeft [verhuurder] een bodemprocedure aangespannen tot ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en onder meer betaling van de huurachterstand. [verhuurder] heeft tijdens de mondelinge behandeling van de kortgedingprocedure aangegeven dat zij deze procedure is gestart omdat [huurder] uitstel voor antwoord had gevraagd in de bodemprocedure, waardoor het te lang ging duren voordat er uitspraak komt. Inmiddels is bekend dat over drie weken de mondelinge behandeling in de bodemprocedure plaatsvindt. Het vonnis zal naar verwachting vier weken later worden uitgesproken.
Uit het verweer van [huurder] tijdens de mondelinge behandeling volgt dat hij inmiddels weer aan het werk is en inkomen genereert uit zijn baan, maar ook als zzp’er weer aan het werk is. [huurder] heeft na de conclusie van antwoord in de bodemprocedure een bedrag van € 1.210,00 aan [verhuurder] voldaan. Volgens [huurder] was er sprake van betalingsonmacht, omdat hij door ziekte niet kon werken. [huurder] heeft aangegeven dat hij zich inspant om de gehele huurachterstand vóór behandeling in de bodemprocedure te voldoen.
De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten dat de kantonrechter in de bodemprocedure, in het geval [huurder] daadwerkelijk een substantieel deel van de huurachterstand heeft ingelopen, de ontbinding en ontruiming niet (op korte termijn) zal toewijzen.
Daarnaast heeft [verhuurder] de stelling van [huurder] dat [verhuurder] geen financieel spoedeisend belang heeft bij een vonnis in kort geding, omdat zij eigenaar is van meerdere appartementsrechten en daardoor meerdere inkomstenbronnen heeft, niet weersproken.
4.5.
De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat in het kader van het kort geding onvoldoende is gebleken dat de gestelde overlast dermate ernstig is dat de beoordeling van de vordering tot ontruiming niet nog een aantal weken kan worden afgewacht. De door [verhuurder] bij dagvaarding als productie 4 overgelegde WhatsAppcommunicatie ziet met name op schoonmaken en opruimen van afval in de berging. De door [verhuurder] overgelegde foto’s zien ook met name op rommel in de berging (productie 9). Bij akte heeft [verhuurder] een drietal overlastmeldingen overgelegd, eveneens over rommel en verder over onder meer onderlinge ruzies en scheldpartijen tussen [huurder] en zijn partner en over alcohol- en drugsgebruik.
[huurder] heeft erkend dat een deel van de overlast komt door (ruzie met) zijn partner. Volgens [huurder] heeft hij de berging inmiddels opgeruimd. [huurder] stelt dat zijn partner en hij inmiddels hulp hebben ingeschakeld bij Partners en Welzijn, waar zij al meerdere gesprekken mee hebben gevoerd. Dit is niet door [verhuurder] weersproken.
4.6.
Veder heeft [huurder] kenbaar gemaakt dat hij inmiddels ook naar een andere woning wil en hij ook op zoek is naar een andere woning, maar dat dit gezien de krapte op de woningmarkt op korte termijn erg moeilijk is. Volgens [huurder] kan aan hem ook geen spoed worden verleend bij het verkrijgen van een andere woning, omdat hij (nog) niet met jaarstukken zijn inkomen kan aantonen. [huurder] heeft hiervoor hulp gezocht bij Over Rood.
Zodra Over Rood de cijfers heeft opgemaakt gaat [huurder] naar schuldhulpverlening, omdat hij meer schulden heeft dan alleen de huurschuld.
4.7.
Onder de hiervoor onder 4.4, 4.5. en 4.6. geschetste omstandigheden heeft [verhuurder] haar spoedeisend belang bij ontruiming van de woning en toewijzing van de geldvordering in kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt. Niet valt in te zien waarom van [verhuurder] niet kan worden verwacht de aanhangige bodemprocedure af te wachten, waarin de mondelinge behandeling op 30 april a.s. plaatsvindt en waarin het vonnis vier weken later te verwachten valt. De kantonrechter wijst er wel op dat, nu [verhuurder] heeft aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de huurrelatie met [huurder] , [huurder] er alles aan moet doen om te zorgen dat hij de huurachterstand op korte termijn betaalt en zo snel mogelijk elders een woonruimte vindt.
4.8.
Omdat het [verhuurder] ontbreekt aan spoedeisend belang, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling van de stellingen van partijen komt de kantonrechter daarom niet toe.
4.9.
[verhuurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [huurder] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [verhuurder] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [huurder] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [verhuurder] niet-ontvankelijk in haar vordering,
5.2.
veroordeelt [verhuurder] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.