De rechtbank Limburg behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 10 juni 2024 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een omgevingsvergunning verleende voor de herontwikkeling van het voormalige KMAR terrein tot opvanglocatie voor uitgevallen jongvolwassenen.
De vergunning omvatte onder meer een ondergeschikte horecafunctie en voorschriften ter beperking van geluidsoverlast, waaronder een geluidwerende keerwand. Eiser voerde onder meer aan dat de voorschriften onvoldoende borging boden voor de realisatie en het gebruik van de keerwand en dat de horecafunctie onduidelijk en strijdig was met het horecabeleid.
De rechtbank oordeelde dat de horecafunctie voldoende was ingekaderd en niet in strijd met het beleid, maar dat het besluit tekortschiet doordat geen voorschrift is opgenomen dat het gebruik van de geluidproducerende gebouwen B en C verbiedt zolang de keerwand niet is gerealiseerd. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover dit betreft en voegde zelf een aanvullend voorschrift toe. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit wordt vernietigd voor zover het ontbreekt aan een voorschrift dat het gebruik van gebouwen B en C koppelt aan de realisatie van de geluidwerende keerwand.
Uitspraak
RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/378
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026
in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder,
(gemachtigden: mr. M.E.J.M. Vorstermans en J. Kil).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen : Porthos Vastgoed B.V., te Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit I) heeft verweerder aan Porthos Vastgoed B.V. (hierna: vergunninghoudster) onder daaraan verbonden voorschriften een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het project ‘herontwikkeling van het voormalige KMAR gebouw, gelegen aan de [adres] , tot een locatie voor de opvang van uitgevallen jongvolwassenen’.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 10 juni 2024 een herstelbesluit (het bestreden besluit II) genomen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en dat tegelijk met voormeld herstelbesluit aan de rechtbank toegezonden.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit II aanvullende gronden ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster is verschenen, vertegenwoordigd door [naam] .
Overwegingen
Het toepasselijke recht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
De aangevraagde herontwikkeling
2. De door vergunninghoudster ingediende aanvraag ziet erop het voormalige KMAR terrein aan de [adres] in [plaats] , dat al enige tijd leegstaat, te mogen herontwikkelen tot een plek voor uitgevallen jongvolwassenen, waaronder dak- en thuisloze jongeren in de leeftijd tot 35 jaar in het project ‘Skills in de stad’. Het hoofdgebouw (gebouw A) op de locatie zal naast een kantoor-, bijeenkomst- en winkelfunctie (begane grond) voornamelijk ten behoeve van wonen (op de eerste en tweede verdieping) worden ingezet en de bijgebouwen (gebouw B en C) als respectievelijk (opleidings)keuken (B) en werkplaats/leslokalen/workshopruimte (C) om de bewoners te kunnen begeleiden/opleiden. Ten behoeve van de aanvraag is onder meer door [naam bv] een ruimtelijke onderbouwing van 22 september 2023 opgesteld, waarin is ingegaan op de geldende beleidskaders en milieu- en omgevingsaspecten.
3. Ten tijde van de behandeling van het beroep ter zitting was in zoverre uitvoering aan de verleende omgevingsvergunning gegeven dat gebouw A is verbouwd en wordt bewoond door 15 jongeren. Bij gebouw B en C is alleen de buitenkant klaar. De verbouwing binnen is niet afgerond en die gebouwen zijn niet in gebruik. Ingebruikname stuit ook op een praktisch probleem. Er is namelijk geen aansluiting op het stroomnet. Omdat de keuken niet klaar is, is het restaurant op de begane grond van gebouw A ook niet in gebruik. De keermuur is eveneens nog niet gebouwd en vergunninghouder kon ook niet aangeven wanneer die zal worden gerealiseerd.
Het beroep tegen het bestreden besluit I
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit II het bestreden besluit I geheel heeft vervangen. De reden daarvoor was gelegen in de aangevoerde beroepsgronden die verweerder aanleiding gaven tot een aanvullend akoestisch onderzoek en het stellen van aanvullende voorschriften. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning (opnieuw) verleend onder verbetering van de motivering en onder aanvulling van de daaraan verbonden voorschriften. Naar aanleiding van het aanvullend akoestisch onderzoek heeft verweerder het voorschrift aan de vergunning verbonden dat de opleidingskeuken pas in gebruik mag worden genomen als de akoestische schermen om de afzuiginstallatie op het dak zijn geplaatst. Ook is een aanvullend voorschrift opgenomen dat geen gebruik mag worden gemaakt van de deuren aan de west- en zuidkant van gebouw B en is een expliciet verbod op terrassen opgenomen. Tevens is een tekening van de keerwand bij het besluit gevoegd waarop de vergunde situatie en de uitvoering van de keerwand is aangegeven. Gelet op het voorkomen van mogelijke geuroverlast van de keuken heeft verweerder alsnog een voorschrift opgenomen dat de technische installaties in de keuken conform de voorschriften van de leverancier moeten worden onderhouden. Naar aanleiding van de beroepsgronden heeft verweerder verder nog in het besluit de kantoorfunctie als strijdigheid benoemd en is een expliciet voorschrift opgenomen dat de vergunning, zoals aangevraagd, betrekking heeft op maximaal 15 bewoners en 40 deelnemers aan werkleerplekken en is een beschrijving van de doelgroep als voorschrift aan de vergunning verbonden.
5. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I is op grond van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tegen het bestreden besluit II gericht. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen het bestreden besluit I is niet-ontvankelijk, nu gesteld noch gebleken is dat eiser bij de beoordeling daarvan nog enig belang heeft. De rechtbank ziet in hetgeen onder 4 is vermeld aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 187,00 vergoedt. De rechtbank veroordeelt verder verweerder in de door eiser tegen het bestreden besluit I gemaakte proceskosten van € 934,00 (door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Omvang van het geding met betrekking tot het bestreden besluit II
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit II aan een aantal beroepsgronden is tegemoet gekomen. Eiser heeft daarna niet op alle onderdelen van de aanvullende motivering/aanvullende voorschriften gereageerd. Gelet daarop is ter zitting eerst besproken welke beroepsgronden de rechtbank nog dient te beoordelen. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser een oordeel wil over de beroepsgronden die zien op de onduidelijkheid en toelaatbaarheid van de toegestane horecafunctie mede in verband met de toegestane bezorging aan derden, openingstijden, de mogelijkheid van verruiming/aanpassing avondopenstelling en de ondergeschiktheid van de horecafunctie/strijdigheid met de Horecanota. Tevens handhaaft eiser de beroepsgronden die betrekking hebben op de uitvoering van de keerwand en handhaafbaarheid van de realisatie. De beroepsgronden dat de kantoor- en detailhandelsfunctie in strijd is met de Omgevingsverordening Limburg heeft de gemachtigde van eiser niet gehandhaafd.
Juridisch kader voor beoordeling van het bestreden besluit II
7. Ter plaatse gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan ‘Heer - Scharn’ van 22 november 2011 en op grond daarvan de bestemming ‘Maatschappelijk’ met de nadere aanduiding ‘militair’. Het aangevraagde gebruik is daarmee in strijd. Verder gold ter plaatse het facetbestemmingsplan ‘Parkeren’ van 29 mei 2018.
8. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
9. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a, onder 2°, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van aangewezen gevallen. In artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn als gevallen aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 vanPro bijlage II.
10. Ingevolge artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, in aanmerking: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij de bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers.
11. Verweerder komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De beroepsgronden over de horecafunctie
12. Over de beroepsgrond dat onduidelijk is wat de toegestane horecafunctie inhoudt en dat ten onrechte niet is aangesloten bij de systematiek in het bestemmingsplan en de daarin vermelde specifieke horeca categorieën, overweegt de rechtbank als volgt.
12.1.
Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de aanvraag en de verleende vergunning zien op een ondergeschikte horecafunctie bij een maatschappelijke hoofdfunctie. Er zijn in de vergunning voorwaarden en beperkingen vastgelegd om de ondergeschiktheid te waarborgen. Omdat het horeca betreft die ondergeschikt is aan de maatschappelijke functie en geen volwaardige horeca kan niet worden aangesloten bij de categorieën benoemd in het bestemmingsplan. Die zijn alleen benoemd bij ‘volwaardige’ horecabestemmingen, waarbij horeca de hoofdactiviteit is. Verweerder wijst er verder terecht op dat die vorm van horeca (horeca als hoofdactiviteit) ter plaatse niet is toegestaan.
12.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met toepassing van de kruimelvrijstelling voor het aangevraagde (horeca)concept, zoals verwoord in de aanvraag met bijlagen, medewerking mogen verlenen onder de daaraan verbonden voorschriften. In voorschrift 9 (‘voorschriften vanuit Horeca’) heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikende en duidelijke voorschriften gesteld om de ondergeschiktheid te waarborgen. Alleen de vergunde specifieke vorm van horeca is toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in de vergunning voldoende duidelijk aangegeven. Zo moet er overdag een opleider voor de op te leiden doelgroep zijn en mogen geen reguliere, niet tot de doelgroep behorende studenten/werknemers worden opgeleid en aangenomen. Bij beëindiging van het initiatief wordt de toestemming voor de ondergeschikte horecafunctie ingetrokken en dienen alle horeca activiteiten direct te stoppen.
Onder de ‘voorschriften vanuit Economie’ (voorschrift 8) is opgenomen dat sprake is van een opleidingskeuken waarbij het ter plaatse gemaakte voedsel aan huis bezorgd wordt. In de ‘voorschriften vanuit Horeca’ is dat verder gereguleerd door bezorging door derden van op de locatie vervaardigde maaltijden expliciet te verbieden. De rechtbank verstaat daaronder met name bezorging door bezorgdiensten. Bezorging aan huis vanuit de locatie door de bewoners van het complex die in de horeca werken is wel toegestaan omdat dit een kleinschalige activiteit is met beperkte gevolgen. De omvang is beperkt door de beperking van de horecafunctie (wat betreft de oppervlakte) maar ook doordat alleen de deelnemers aan het werkleerbedrijf dit kunnen en mogen doen. Verder zal dat om bezorging in de buurt gaan en dus om een beperkt verzorgingsgebied. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat in redelijkheid heeft mogen toestaan gezien de kleinschaligheid van die activiteit en gelet op het belang dat de deelnemers (leren) verbinding (te) maken met de buurt dat onderdeel van het concept is.
12.3.
Verder is om de ondergeschiktheid van de horecafunctie aan de maatschappelijke hoofdfunctie te waarborgen en ter verzekering dat het educatieve aspect de boventoon voert, expliciet bepaald dat de binnenruimte ten behoeve van de horecafunctie (exclusief de leerkeuken in gebouw B) een maximale oppervlakte van 70 m² heeft en dat de uitstraling van het sociaal-maatschappelijk karakter dient te worden behouden. Terrassen, zoals gebruikelijk bij een reguliere horecalocatie, heeft verweerder expliciet verboden. Tevens zijn de openingstijden in die zin beperkt dat de horeca alleen doordeweeks overdag tot 18:00 uur, met twee avondopeningen tot 22:00 uur is toegestaan. In het weekend moet de horeca gesloten zijn. De rechtbank leest dat voorschrift over de horecafunctie zo dat het zowel op de opening van het restaurant als de openingstijden van de keuken betrekking heeft. Dat is ook in overeenstemming met het aanvullend akoestisch onderzoek van Kompas Adviseurs en Ingenieurs B.V. van 27 mei 2024. Daaruit volgt dan ook dat bezorging aan derden na einde van de openingstijden, waarvoor eiser vreest, niet is vergund. Nu de horeca alleen doordeweeks open mag zijn en de avondopenstelling is beperkt tot twee dagen en tot 22:00 uur, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee ook voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van omwonenden, waaronder eiser, bij het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat bij de vaststelling van het ontwerpbesluit nog geen sprake was van een avondopenstelling heeft wellicht verwachtingen bij eiser gewekt maar staat er niet aan in de weg dat de aanvraag nadien is aangepast en dat verweerder een beperkte avondopenstelling aanvaardbaar heeft mogen vinden. Deze beroepsgronden slagen niet.
13. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het in strijd met de rechtszekerheid is dat in de voorschriften is bepaald dat in samenspraak met de klankbordgroep van omwonenden met de avondopeningstijden kan worden geschoven dan wel dat die mogen worden uitgebreid zonder aanpassing van de vergunning, overweegt de rechtbank als volgt.
13.1.
Dit onderdeel van de ‘voorschriften vanuit Horeca’ luidt als volgt:
“ beperkte openingstijden: doordeweeks overdag open tot 18.00 uur en twee avondopeningen tot 22.00 uur vooralsnog op dinsdag- en donderdagavond (zaterdag en zondag gesloten). In samenspraak met de klankbordgroep van omwonenden kunnen de avonden geschoven worden.”
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat de tekst na “vooralsnog” ten overvloede vermeld is als invulling in de praktijk van het eerste deel van dit voorschrift. Het voorschrift houdt aldus in dat maximaal twee avondopeningen tot 22:00 uur (doordeweeks) zijn toegestaan. Op zitting bleek dat eiser er ten onrechte vanuit ging dat in overleg met de klankbordgroep een verruiming van de avondopenstelling is toegestaan. Dat is niet het geval. Het restaurant mag dus (slechts) twee avonden per week open zijn en niet op zaterdag en zondag. Dat voorschrift is duidelijk en acceptabel. In het voorschrift is niet bepaald welke doordeweekse dagen dit zijn. De dinsdag en donderdag betreffen een keuze van de vergunninghouder. Er is geen reden om aan te nemen dat die keuzevrijheid ruimtelijk zo relevant is dat verweerder dat niet mocht toelaten. In het voorschrift is – zo dient dit naar het oordeel van de rechtbank te worden geïnterpreteerd – aanvullend en in zoverre ten overvloede aangegeven dat de avondopenstelling vooralsnog de dinsdag- en donderdagavond betreft. Dat is (slechts) een vermelding van de keuze die in overleg met de klankbordgroep vooralsnog is gemaakt en die in onderling overleg ook kan worden gewijzigd zolang wordt voldaan aan het voorschrift dat het niet meer dan twee avonden zijn. De rechtbank is met eiser van mening dat het deel na “vooralsnog” eigenlijk nietszeggend is, al is het maar omdat ‘de klankbordgroep van omwonenden’ een niet nader bepaalde en mogelijk willekeurig samengestelde groep mensen is, maar ziet dit zoals gezegd als invulling in de praktijk van het eigenlijke voorschrift en acht zo gelezen het voorschrift voldoende rechtszekerheid bieden, namelijk de zekerheid van maximaal twee avonden niet zijnde zaterdag en zondag waarop de horeca geopend mag zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Ten aanzien van de beroepsgrond dat de vergunde horecafunctie in strijd is met de geldende Horecanota 2016 – 2019 omdat in die horecanota is bepaald dat een nieuwe vestiging van horeca in een niet horecapand alleen mogelijk is bij een bijzonder gewild concept en daarvan geen sprake is, overweegt de rechtbank het volgende.
14.1.
De rechtbank is het met verweerder eens dat de horecanota in dit geval niet van toepassing is. Het beleid onderscheidt drie initiatieven (wijziging van een bestaande horecazaak, een nieuw initiatief in een bestaande horecazaak, een nieuw initiatief in een niet-horecapand) en is niet geschreven voor een initiatief als het onderhavige (ondergeschikte/bijbehorende horeca binnen een groter en breder concept). Dat betekent dat bij het thans vergunde concept niet aan die nota hoeft te worden voldaan. Van strijd met de horecanota, zoals eiser stelt, is daarom geen sprake. Verweerder heeft de aanvraag namelijk terecht niet aangemerkt als een nieuwe vestiging van horeca, waarop de nota betrekking heeft. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen dient de aangevraagde en vergunde horecafunctie te worden beschouwd als een aan de (maatschappelijke) hoofdfunctie ondergeschikte activiteit en dus niet als een nieuwe volwaardige horecavestiging zoals bedoeld in de horecanota. Ook in dit kader is relevant dat verweerder in de vergunning toereikende en duidelijke voorschriften heeft opgenomen om te voorkomen dat een volwaardige horecafunctie in de zin van de horecanota kan ontstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De beroepsgrond over de keerwand
15. Eiser betoogt dat het vergunningvoorschrift (onder 10 op pagina 16) onduidelijk is. Het voorschrift luidt als volgt: “ De begroeide keerwand, zoals opgenomen in de tekening, als erfafscheiding uitvoeren”. Volgens eiser is niet duidelijk wanneer de verplichting ingaat. Ter ondersteuning van dat standpunt heeft eiser erop gewezen dat de wand een jaar nadat het concept is gestart, nog niet is gerealiseerd en dat verweerder een handhavingsverzoek heeft afgewezen omdat vergunninghoudster niet kan worden verplicht om de wand binnen een bepaalde tijd te realiseren. Verder bevat het voorschrift geen instandhoudingsverplichting, aldus eiser. Eiser voert in het aanvullend beroepschrift hierover aan dat de betonnen keerwand, die op de tekening in de bijlage bij het bestreden besluit II alsnog is opgenomen, zijns inziens niet circa 1,8 meter maar minimaal 2,05 meter en maximaal 2,15 meter hoog moet zijn om geluidwerend te zijn. De hoogte is verder ook van belang voor de privacy. Daarbij zou die muur in metselwerk (met ‘oude’ stenen) moeten worden uitgevoerd conform de bestaande erfafscheidingen van de onderhavige dertiger jaren buurt, aldus eiser.
16. Verweerder wijst erop dat aan het bestreden besluit II een tekening is verbonden die deel uitmaakt van de vergunde situatie en waarop de uitvoering van de keerwand is aangegeven. De keerwand moet 1,8 meter hoog zijn en voorzien van begroeiing. De door eiser gewenste uitvoering in dertiger jaren stijl kan volgens verweerder niet van vergunninghoudster worden verlangd. De voorgeschreven uitvoering en de hoogte van de keerwand is in overeenstemming met de uitkomst van het akoestisch rapport van 27 mei 2024. De bouw van een erfafscheiding die hoger is dan 2 meter en die eiser in verband met zijn privacy wil, vergt een aanvullende beoordeling en dat kan niet zonder meer worden aangepast. Verder heeft verweerder erop gewezen dat wettelijk al is bepaald dat een bouwwerk niet in gebruik mag worden genomen als de bouw niet gereed is gemeld. Bij de behandeling ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter tevens verklaard dat verweerder zich kan vinden in een aanvullend voorschrift over de daadwerkelijke realisatie van de keerwand indien dat bijdraagt aan (gedeeltelijke) oplossing van het geschil.
17. De rechtbank overweegt als volgt.
17.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat uit het bestreden besluit in combinatie met de daarbij gevoegde tekening voldoende duidelijk blijkt hoe de keerwand moet worden uitgevoerd. Verder stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat van vergunninghoudster niet kan worden verlangd dat zij kiest voor een veel duurdere uitvoering, zoals eiser wil. Dat geldt ook voor de hoogte van de keermuur vanwege extra behoud van privacy. Hoewel het voorschrift is opgenomen onder ‘Voorschriften vanuit Groen en Inrichting’ heeft verweerder ter zitting toegelicht dat deze keerwand bedoeld is als geluidwerende voorziening op basis van het aanvullend akoestisch onderzoek van 27 mei 2024. Dat onderzoek gaat inderdaad uit van de aanwezigheid van een keerwand met een hoogte van 1,8 meter, die nodig en (onbetwist) toereikend is om aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer te kunnen voldoen en om ervoor te zorgen dat ter plaatse van de (tuinen van de) omwonenden een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behouden blijft. Daarbij is met de relevante geluidsbronnen, de afzuigventilators van de keukeninstallatie (gebouw B), uitstralend geluid van de werkplaats (in gebouw C) en laad- en losactiviteiten op het terrein bij de gebouwen B en C, rekening gehouden. Ten aanzien van laden en lossen is als voorschrift (5) opgenomen dat tijdens laden en lossen zowel de motor van het voertuig als de motor van de op dat voertuig aanwezige koeling niet operationeel mogen zijn (uitgeschakeld moeten zijn). Dat voorschrift is volgens de rechtbank handhaafbaar op de wijze zoals verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven. Voor de afzuigventilators is in de vergunning een concreet voorschrift (6) opgenomen dat gebouw B, de opleidingskeuken, pas in gebruik mag worden genomen als de akoestische schermen rondom de technische afzuiginstallatie op het dak zijn aangebracht en dat de afzuiging zonder akoestische schermen niet in gebruik mag zijn. Verder moeten de deuren aan de west- en zuidkant van gebouw B constant gesloten zijn en mogen die alleen bij een calamiteit als vluchtdeur gebruikt worden (voorschrift 7). Eiser heeft niet gemotiveerd aangevoerd dat het aanvullend akoestisch onderzoek onvolledig of onjuist is zodat verweerder daar zijn besluitvorming niet op mocht baseren. De hoogte van de aangevraagde keerwand is dus ook uit akoestisch oogpunt voldoende.
17.2.
Uit het voorgaande volgt dat het bouwen van een keerwand zoals op de tekening is aangegeven, uit akoestisch oogpunt voldoende maar ook noodzakelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met de onderhavige beroepsgrond in zoverre terecht heeft voorgedragen dat verweerder een concreet voorschrift aan de vergunning had moeten verbinden waarmee wordt geborgd dat de betreffende geluidproducerende activiteiten niet mogen plaatsvinden zolang de keerwand niet gerealiseerd is. Concreet betreft dit het gebruik (overdag) van gebouw C nu dit een relevante geluidsbron is die volgens het akoestisch onderzoek piekgeluiden van 101 dB(A) kan veroorzaken. Dat geldt eveneens voor het gebruik van gebouw B omdat de laad-en losactiviteiten verband houden met het gebruik van beide gebouwen en in de directe nabijheid daarvan plaatsvinden. Gelet op deze activiteiten is de keerwand in het akoestisch model meegenomen.
17.3.
Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit II komt voor vernietiging in aanmerking voor zover is verzuimd een aanvullend voorschrift aan de vergunning te verbinden. De rechtbank verbindt zelf voorziend het voorschrift aan de vergunning dat gebouw B en gebouw C niet in gebruik mogen zijn zolang de keerwand op de perceelsgrens niet is gerealiseerd. Zonder keerwand met een hoogte van 1,8 meter kan bij de omwonenden, waaronder eiser, namelijk niet aan de geldende geluidsnormen worden voldaan en kan geen akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
Conclusie
18. Het beroep tegen het bestreden besluit II is gegrond en de rechtbank vernietigt dat besluit voor zover daarbij is verzuimd een voorschrift over de ingebruikname van de gebouwen B en C zonder akoestische afscherming door de keerwand op te nemen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door een aanvullend voorschrift aan het bestreden besluit II te verbinden en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II.
19. De rechtbank heeft onder 5 al genoemd dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht en de proceskosten in verband met het indienen van het beroepschrift moet vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep tegen bestreden besluit II ter zitting. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 2023 niet ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 10 juni 2024 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij is verzuimd een aanvullend voorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden;
verbindt het voorschrift 7A aan het besluit van 10 juni 2024 inhoudende dat gebouw B en gebouw C pas in gebruik mogen worden genomen als de in voorschrift 10 genoemde keerwand conform de tekening behorend bij het besluit van 10 juni 2024 is gerealiseerd;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,00 aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026
de griffier is verhinderd rechter
deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op: 8 april 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.