ECLI:NL:RBLIM:2026:3091

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/03/345272 / HA ZA 25-396
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Koster-van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:87 BWArt. 7:750 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis over gebreken en herstelkosten badkamer na aannemingsovereenkomst

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor de realisatie van een badkamer. Opdrachtgevers stelden dat het werk gebreken vertoonde en vorderden schadevergoeding voor herstelkosten. Aannemer betwistte gebreken en stelde dat de vordering moest worden afgewezen.

De rechtbank constateerde dat er geen oplevering had plaatsgevonden omdat hoekprofielen nog moesten worden geplaatst. Het deskundigenrapport van BCR constateerde diverse gebreken, waaronder slecht tegelwerk en onthechting, maar aannemer betwistte veel van deze punten. De rechtbank stelde vast dat sommige gebreken, zoals te groot uitgesneden tegels, onbetwist waren, maar andere punten onvoldoende waren vastgesteld.

De rechtbank besloot een deskundige te benoemen die moet vaststellen of sprake is van gebreken, welke herstelwerkzaamheden nodig zijn en de hoogte van de herstelkosten. Partijen krijgen gelegenheid om zich uit te laten over de vragen aan de deskundige en over diens benoeming. Het voorschot op de kosten van de deskundige moet door de eisende partij worden betaald. De zaak wordt aangehouden tot 6 mei 2026 voor verdere procedure.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een deskundige om gebreken en herstelkosten te beoordelen en houdt de zaak aan tot 6 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/345272 / HA ZA 25-396
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van

1.[opdrachtgever 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[opdrachtgever 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen in mannelijk enkelvoud: [opdrachtgevers] ,
advocaat: mr. A.M.T. Snijders,
tegen
[aannemer] , H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [aannemer] ,
advocaat: mr. B.A.L.H. Robijns.

1.Inleiding

1.1.
[aannemer] heeft werkzaamheden verricht aan de badkamer van [opdrachtgevers] . Volgens [opdrachtgevers] vertoont het werk gebreken. [opdrachtgevers] vordert daarom vergoeding van de herstelkosten. Volgens [aannemer] zijn er geen gebreken en moet de vordering daarom worden afgewezen. De rechtbank is voornemens een deskundige te benoemen die zich zal uitlaten over de vraag of sprake is van gebreken en de hoogte van de herstelkosten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van [opdrachtgevers] spreekaantekeningen zijn overgelegd.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten die inhoudt dat [aannemer] een badkamer realiseert voor [opdrachtgevers] . Aan deze overeenkomst ligt een offerte van 23 september 2024 ten grondslag die door [opdrachtgevers] is goedgekeurd. Op de offerte staat een prijs vermeld van € 7.500,00 à € 8.000,00.
3.2.
Voor de werkzaamheden die [aannemer] aan de badkamer van [opdrachtgevers] heeft verricht, heeft [aannemer] verschillende facturen gestuurd. De facturering is geschiedt op urenbasis. [opdrachtgevers] zou zelf materiaal aanschaffen en betalen en [aannemer] zou factureren naar gelang uren waren verricht.
3.3.
Partijen zijn geen termijn overeengekomen waarbinnen de werkzaamheden moesten zijn afgerond. Van een oplevering van de badkamer is geen sprake, omdat [aannemer] de hoekprofielen nog moest plaatsen.
3.4.
Nadat [aannemer] zijn laatste werkzaamheden aan de badkamer heeft verricht, heeft [opdrachtgevers] per e-mail van 21 december 2024 aan [aannemer] laten weten dat hij niet tevreden is over de uitgevoerde werkzaamheden. Hij verzoekt [aannemer] om een aantal punten te herstellen. Per e-mail van 23 januari 2025 doet [aannemer] 2 voorstellen:
  • herstelwerkzaamheden zullen na circa 8 maanden (de tijd die [aannemer] vermoedelijk arbeidsongeschikt is in verband met een operatie) worden uitgevoerd;
  • het openstaande bedrag van € 500,00 hoeft niet te worden betaald.
Deze voorstellen heeft [opdrachtgevers] afgewezen.
3.5.
Per e-mail van 7 februari 2025 heeft [opdrachtgevers] [aannemer] verzocht om de in die e-mail genoemde gebreken binnen 3 weken te herstellen. Dit heeft [aannemer] niet gedaan.
3.6.
Bij brief van 20 maart 2025 heeft [opdrachtgevers] aangegeven dat zij in plaats van herstel, [aannemer] verzoekt om de schade van € 12.000,00 binnen 14 dagen te betalen. Het schadebedrag is gebaseerd op een prijsindicatie van de heer [naam] voor herstelwerkzaamheden ad € 9.750,11 en een bedrag van € 2.000,00 dat [opdrachtgevers] zelf aan materialen (tegels, douchebak en Ytong blokken) heeft uitgegeven. Dit bedrag heeft [aannemer] niet betaald.
3.7.
Op verzoek van [opdrachtgevers] heeft BCR Gebouwenbeheer (hierna: BCR) – na de badkamer te hebben bekeken – op 24 juni 2025 een deskundigenrapportage opgesteld. In dit rapport somt BCR de door haar geconstateerde gebreken op. BCR concludeert dat het uitgevoerde tegelwerk matig is en er kwalitatief geen goed en deugdelijk werk is gerealiseerd. Volgens BCR moet het totale tegelwerk gesloopt en opnieuw uitgevoerd worden. BCR begroot de herstelkosten in totaal op € 27.583,19. [opdrachtgevers] heeft dit rapport op 25 juni 2025 aan [aannemer] gestuurd met het verzoek om voornoemd bedrag binnen 14 dagen te betalen. Dat heeft [aannemer] niet gedaan.

4.Het geschil

4.1.
[opdrachtgevers] vordert – samengevat – een veroordeling van [aannemer] tot betaling van:
  • € 27.583,19 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2025;
  • € 726,00 aan deskundigenkosten;
  • € 1.271,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • De proceskosten.
4.2.
[opdrachtgevers] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [aannemer] heeft – gelet op de door BCR geconstateerde gebreken – geen goed en deugdelijk werk geleverd. Hiermee is [aannemer] tekort geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:74 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW). [opdrachtgevers] heeft zijn vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding op grond van artikel 6:87 BW Pro. [aannemer] is daarom gehouden de herstelkosten te betalen.
4.3.
[aannemer] betwist dat hij gebrekkig werk heeft geleverd en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtgevers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgevers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [opdrachtgevers] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Niet in geschil is dat tussen [opdrachtgevers] en [aannemer] een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW Pro tot stand is gekomen.
5.2.
De kern van het geschil is de vraag of [aannemer] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:74 BW Pro. De rechtbank stelt voorop dat [aannemer] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst verplicht is zijn werkzaamheden niet alleen uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst, maar ook naar de eisen van goed en deugdelijk werk. Het antwoord op de vraag of [aannemer] goed en deugdelijk werk heeft geleverd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De stelling van [opdrachtgevers] dat [aannemer] geen goed en deugdelijk werk heeft geleverd, heeft [opdrachtgevers] onderbouwd met het deskundigenrapport van BCR. De rechtbank zal de door BCR geconstateerde gebreken en het verweer van [aannemer] hierop hieronder bespreken.
1.
Wandtegels op het bestaande stucwerk
5.3.
BCR schrijft in haar rapport het volgende: ‘
bestaand stucwerk op de wanden is gehandhaafd. Niet kunnen controleren of het bestaande stucwerk vast genoeg zit. De wandtegels zijn rechtsreeks op het bestaande stucwerk aangebracht. Het lijkt erop dat de wanden niet geprimerd zijn. Hierdoor wordt het vocht te snel uit de lijm onttrokken waardoor onthechting tussen de tegel en de ondergrond ontstaat.’
5.4.
[aannemer] betwist dat sprake is van een gebrek op dit punt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [aannemer] aangevoerd dat hij het bestaande stucwerk heeft gehandhaafd, omdat dit goed genoeg was om te betegelen. [aannemer] stelt dat hij geen loszittend stucwerk heeft aangetroffen. Als dit wel het geval was geweest, zou hij het stucwerk hebben losgehaald. [aannemer] erkent dat de wanden niet geprimerd zijn voordat de wandtegels zijn aangebracht. Volgens [aannemer] was dit echter ook niet nodig, omdat tegels met deugdelijk cement gewoon geplakt kunnen worden.
2.
Primer op vloer
5.5.
Volgens BCR is de vloer van de badkamer niet geprimerd, waardoor het vocht uit de lijm te snel wordt onttrokken en er onthechting ontstaat tussen de tegel en de ondergrond. [aannemer] betwist dat er sprake is van onthechting. [aannemer] stelt dat de vloer niet geprimerd hoeft te worden. Volgens [aannemer] ligt er namelijk een waterdichte egalisatievloer met daarin de aardematten, hetgeen deugdelijk is. Ook stelt hij dat hij zowel op de vloer, als op de tegel lijm heeft gebruikt. De tegels zijn dus bevestigd met een dubbele laag lijm.
3.
Hoekprofielen/tegels in verstek
5.6.
BCR schrijft in haar rapport dat de uitwendige hoeken en de hoeken rondom het raam- en deurkozijn en rondom de nis slecht zijn afgewerkt. Hier hadden ofwel hoekprofielen moeten worden toegepast ofwel hadden de tegels in verstek moeten worden gezaagd.
5.7.
Volgens [aannemer] hebben partijen afgesproken dat niet in verstek zou worden gezaagd, maar hoekprofielen geplaatst zouden worden. Dit is door [opdrachtgevers] niet betwist. De badkamer is niet opgeleverd, omdat de hoekprofielen nog geplaatst moesten worden. Werkzaamheden ten aanzien van de hoekprofielen zijn ook niet gefactureerd.
4.
Voegwerk
5.8.
Het Rapport van BCR vermeldt verder dat het voegwerk (inwassen) matig tot slecht is en er scheuren in het voegwerk zitten. [aannemer] stelt zich op het standpunt dat nergens uit blijkt dat het voegwerk matig tot slecht is en er scheuren in het voegwerk zitten. Verder stelt [aannemer] dat het voegwerk een cosmetisch punt is en niets zegt over de deugdelijkheid. Ten aanzien van de scheur in het voegwerk die te zien is op de onderste foto van pagina 14 van het rapport van BCR stelt [aannemer] dat er nog een hoekprofiel overheen zou worden geplaatst.
5.9.
Verder constateert BCR dat de voegen tussen de overgang van de vloer en de wand en de inwendige hoeken niet gekit, maar gevoegd zijn. [aannemer] verklaart hierover dat zowel voegen als kitten mogelijk is en hierin geen kwaliteitsverschil zit. Het voegwerk dat tegenwoordig wordt gebruikt, is waterdicht, zodat ook voegen geschikt is.
5.
Uitgesneden tegels
5.10.
Uit het rapport van BCR volgt dat de tegels te groot zijn uitgesneden bij de toiletpot, het bedieningspaneel van het toilet en het schakelmateriaal bij de deur van de badkamer. [aannemer] stelt dat het eerst de bedoeling was dat er een stopcontact met schakelmateriaal bij de deur van de badkamer zou worden geplaatst, maar [opdrachtgevers] hierna heeft besloten er alleen schakelmateriaal te plaatsen, waardoor er nu een gat zichtbaar is. [opdrachtgevers] betwist dat het eerst de bedoeling was dat er schakelmateriaal en een stopcontact zou komen, hetgeen ook blijkt uit het feit dat dit er niet in past.
6.
Verdeling tegels
5.11.
Ten aanzien van de verdeling van de vloer- en wandtegels schrijft BCR in haar rapport het volgende:
-
geen goede verdeling wandtegels op wandvlak waardoor er met smalle stroken (minder dan een halve tegel) is gewerkt;
Let op: er kunnen zich altijd situaties voordoen dat dit niet anders kan. Maar het is aan de tegelzetter om hier goed naar te kijken. Dit natuurlijk in goed overleg met de klant.
-
geen goede verdeling vloertegels waardoor voegen niet doorlopen met de wandtegel;
Let op: er kunnen zich altijd situaties voordoen dat dit niet anders kan. Maar het is aan de tegelzetter om hier goed naar te kijken. Dit natuurlijk in goed overleg met de klant.’
5.12.
Volgens [aannemer] is dit een cosmetisch punt en zegt de verdeling van de vloer- en wandtegels zoals door [aannemer] is toegepast niets over de deugdelijkheid van het werk. Daarbij stelt [aannemer] dat de vloer altijd verschoten wordt gelegd ten opzichte van de wand, omdat dit anders te veel snijwerk is.
7.
Holle ruimtes
5.13.
In haar rapport schrijft BCR: ‘
Achter/onder de vloer- en wandtegels is te weinig lijm aangebracht, waardoor er holle ruimtes zijn ontstaan. De holklinkende vloer- en wandtegels duiden op onthechting tussen de tegel en de ondergrond. Dit is bij vrij veel tegels het geval.’
5.14.
[aannemer] stelt dat BCR geen tegels van de muur heeft afgehaald om te beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van holle ruimtes. Of iets als een holle ruimte klinkt, kan ook afhankelijk zijn van de ondergrond. Zo geeft het kloppen op een tegel met een ondergrond van hout een andere klank dan bij een ondergrond van steen. Bovendien vertoont de lijm die eronder zit na het aanbrengen holtes. Mede dat kan een hol klinkende tegel veroorzaken. Dat de tegels hol klinken wil dus niet zeggen dat er te weinig lijm is aangebracht. Bovendien stelt [aannemer] 2 lagen lijm te hebben aangebracht: 1 laag op de tegel en 1 laag op de wand/vloer.
8.
Lijm- en voegmiddelresten
5.15.
Volgens BCR zijn de vloer- en wandtegels niet gereinigd waardoor er uitgeharde lijm- en voegmiddelresten op de tegels en het plafond aanwezig zijn. [aannemer] stelt dat dit een kwestie is van blijven poetsen. Volgens [aannemer] kan het twee weken duren voor het eraf gewassen is.
9.
Kimband
5.16.
Ten aanzien van de kimband schrijft BCR in haar rapport het volgende: ‘
er is niet overal kimband aangebracht in de natte cel. En het lijkt erop dat deze band met tegellijm is vastgezet. Indien dit met tegellijm is gebeurd dan zijn de inwendige hoeken niet waterdicht gekimt.’
5.17.
[aannemer] stelt hierover dat hij de muren twee keer heeft ingestreken met een pasta, vervolgens de kimband erin heeft geplakt en hierna weer met pasta heeft ingestreken, waarmee alles waterdicht is. Ook zou hij meer kimband hebben gebruikt dan is voorgeschreven. Als er geen kimband zou zijn gebruikt, zou er waarschijnlijk al een lekkage zijn geweest volgens [aannemer] . Dat [opdrachtgevers] heeft aangegeven dat er (nog) geen lekkages zijn geweest, duidt er volgens [aannemer] op dat de kimband wel overal is aangebracht.
10.
Het water in de natte cel
5.18.
Volgens BCR loopt het water in de natte cel niet goed af en lijkt het erop dat de plaat van de douchebak niet vol in de lijm of specie is gezet waardoor er beweging in de plaat zit.
5.19.
[aannemer] stelt dat het water in de douchebak door een buisje loopt met een doorsnede van 50 centimeter. Hierdoor heeft het water tijd nodig om weg te lopen. De douchebak staat volgens [aannemer] op de vloer in het beton vast. De douchebak die [opdrachtgevers] heeft gekocht is van kunststof. Dat er beweging voelbaar is, is volgens [aannemer] inherent aan het materiaal van de douchebak.
11.
Aardematten
5.20.
In haar rapport schrijft BCR: ‘
er wordt gemeld dat er een aardemat is aangebracht in de natte ruimte. Dit zou in de gehele badkamer aangebracht moeten zijn. Niet kunnen controleren of dit ook zo uitgevoerd is.’
5.21.
Volgens [aannemer] heeft hij een waterdichte egalisatievloer gelegd met daarin de aardematten. [aannemer] stelt dat hij ook verplicht is om de aardematten erin te leggen. Als de aardematten niet gebruikt zouden zijn, zou dit lekkages opleveren volgens [aannemer] . Nu [opdrachtgevers] heeft aangegeven dat er (nog) geen lekkages zijn geweest, duidt dit er volgens [aannemer] op dat de aardematten wel zijn aangebracht.
Tussenconclusie
5.22.
Wat betreft gebrek 5 overweegt de rechtbank dat is vastgesteld en ook op de foto’s in het rapport van BCR te zien is dat de tegels bij het toilet en het bedieningspaneel van het toilet te groot zijn uitgesneden. Dit is door [aannemer] ook niet betwist. Wat betreft het gat bij het schakelmateriaal heeft [aannemer] de stelling van [opdrachtgevers] niet betwist dat het niet past om een stopcontact en schakelmateriaal te plaatsen. Dit duidt erop dat het aanvankelijk ook niet de bedoeling was dat dit beide zou worden geplaatst waardoor het gat niet te zien zou zijn. Ook het gat bij het schakelmateriaal is te zien op een foto in het rapport van BCR. De rechtbank oordeelt daarom dat voldoende is komen vast te staan dat de tegels te groot zijn uitgesneden, zodat sprake is van een gebrek.
5.23.
De rechtbank komt tot de conclusie dat ten aanzien van de hierboven genoemde punten 3, 9 en 11 geen sprake is van een gebrek. De rechtbank licht dit als volgt toe. Tussen partijen is niet in discussie dat van een oplevering van de badkamer geen sprake is en de hoekprofielen nog geplaatst zouden worden. Dat er geen hoekprofielen zijn geplaatst, kan daarom niet als een gebrek worden aangeduid. Wat betreft de kimband stelt BCR dat deze niet overal is aangebracht. BCR onderbouwt deze stelling echter niet en heeft ook geen tegels of andere materialen weggehaald om dit te kunnen controleren. [aannemer] heeft gemotiveerd betwist dat geen kimband is aangebracht. Ten aanzien van de aardematten schrijft BCR in haar rapport dat zij niet heeft kunnen controleren of deze zijn aangebracht. [aannemer] heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de aardematten wel zijn aangebracht. De rechtbank concludeert dan ook dat de punten 3, 9 en 11 geen gebreken opleveren.
5.24.
Ten aanzien van de punten 1, 2, 4, 6, 7, 8 en 10 overweegt de rechtbank dat [opdrachtgevers] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een gebrek, maar [aannemer] dit op zijn beurt voldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank kan daarom het bestaan van een gebrek ten aanzien van voornoemde punten niet vaststellen. De rechtbank is voornemens om ter beoordeling hiervan een deskundige te benoemen. De deskundige zal dan moeten beoordelen of sprake is van een gebrek, welke herstelwerkzaamheden nodig zijn en op welk bedrag de deskundige de kosten voor herstel begroot. Hierbij merkt de rechtbank op dat – als uit het onderzoek volgt dat de hele badkamer opnieuw moet worden betegeld – het voor de hand ligt dat de schade wordt begroot op:
  • het totaalbedrag van de facturen van [aannemer] die [opdrachtgevers] dan voor niets heeft betaald;
  • te verminderen met de waarde van de werkzaamheden van [aannemer] die kunnen blijven zitten, zoals bijvoorbeeld elektra;
  • te vermeerderen met de sloopkosten voor verwijdering van de tegels en demontage van het sanitair en de voor niets aangeschafte materialen.
Voor dat geval zal [opdrachtgevers] dan dus moeten aantonen welk bedrag hij aan [aannemer] en aan materiaalkosten heeft betaald. De deskundige zal dan moeten aangeven (1) wat de waarde is van de werkzaamheden van [aannemer] die niet opnieuw hoeven te worden uitgevoerd en (2) hoeveel de sloop- en demontagekosten bedragen.
Voor het geval er gebreken zijn van cosmetische aard die niet hersteld kunnen worden zonder alle tegels te verwijderen, dient de deskundige aan te geven welk bedrag hiervoor in mindering moet worden gebracht op het totaal door [opdrachtgevers] aan [aannemer] betaalde bedrag.
5.25.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank voornemens om (in ieder geval) de volgende vragen ter beantwoording aan de deskundige voor te leggen:
I. Is volgens u sprake van een gebrek ten aanzien van de punten 1, 2, 4, 6, 7, 8 en 10 en kunt u per gebrek aangeven of het een cosmetisch of bouwkundig gebrek is?
II. Kunt u aangeven of de gebreken de oorzaak zijn van de door [aannemer] uitgevoerde werkzaamheden?
III. Kunt u aangeven op welke manier de gebreken (ook die van punt 5) kunnen worden hersteld?
IV. Kunt u aangeven
a. indien u tot de conclusie komt dat de badkamer opnieuw moet worden betegeld:
 of de reden voor het opnieuw betegelen van de badkamer is ingegeven door cosmetische gebreken, bouwkundige gebreken of een combinatie hiervan en – indien enkel ingegeven door cosmetische gebreken – welke vergoeding u redelijk acht ter compensatie van deze cosmetische gebreken bij het achterwege blijven van herstel hiervan?
 op welk bedrag u de sloop- en montagekosten begroot?
 wat de waarde is van de werkzaamheden van [aannemer] die niet opnieuw hoeven te worden gedaan, zoals bijvoorbeeld elektra?
b. indien u tot de conclusie komt dat de badkamer niet opnieuw moet worden betegeld:
 op welk bedrag u de kosten voor herstel begroot? Graag bedragen uitsplitsen per onderdeel.
5.26.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de aan de te benoemen deskundige te stellen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige, dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben.
5.27.
Daarna zal de rechtbank de vragen vaststellen en een deskundige benaderen en vragen een begroting te maken van een voorshot op de kosten. Partijen zullen over de persoon van de te benoemen deskundige worden geïnformeerd evenals over het voorschot. Zij mogen daar nog op reageren. Vervolgens zal de rechtbank overgaan tot het benoemen van de deskundige. De deskundige zal het onderzoek pas verrichten na ontvangst van het voorschot. Partijen zullen de gelegenheid krijgen zich uit te laten over het deskundigenrapport.
5.28.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige door de eisende partij moet worden betaald. Dit voorschot moet daarom door [opdrachtgevers] worden betaald.
5.29.
In het eindvonnis zal de rechtbank beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen.
De beslissing
De rechtbank
5.30.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 6 mei 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een akte in te dienen waarin zij zich uitlaten als bedoeld in 5.25 en 5.26,
5.31.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.