Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eisende partij 1] ,
[eisende partij 2],
1.[gedaagde partij 1] ,
[gedaagde partij 2],
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- het formulier B8 (inzending stukken) van [eisende partijen] met productie 12,
- de akte inbreng productie, alsmede houdende vermeerdering van eis van [eisende partijen] met productie 13,
- het formulier B8 (inzending stukken) van [eisende partijen] met productie 14,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 mei 2024,
- de akte uitlaten voortprocederen, alsmede inbreng producties 14 en 15 [de rechtbank zal -indien nodig- deze dubbel genummerderde productie 14 aanduiden als “productie 14 d.d. 28-02-2025”] en houdende nieuwe wijziging van eis van [eisende partijen] ,
- de akte van [gedaagde partijen] ,
- de akte wijziging eis van [eisende partijen] ,
- het proces-verbaal van de voortzetting van de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd.
2.De feiten
vochtdoorslagis in de kelder. (...)”
€ 2.750,00 en een vergoeding aan [gedaagde partijen] voor ontruimen van de begane grond, poetswerk en weer inruimen begroot op € 1.350,00.
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 17.424,00 + € 19.444,00) vordert waarbij is inbegrepen herstel van de gehele tegelvloer in de woonkamer. Tegen deze eisvermeerdering is geen bezwaar gemaakt door [gedaagde partijen] , zodat de rechtbank deze toestaat.
- er is uitdrukkelijk verteld tijdens de bezichtiging dat [gedaagde partijen] nooit in de woning heeft gewoond of deze als zodanig heeft gebruikt;
- er is verteld dat er vocht in de kelder was en dat [gedaagde partijen] niet wist waar dat vandaan kwam, waarbij ook gewezen is op de dompelpomp die in de kelder stond;
- het voorgaande is ook vermeld in de vragenlijst;
- in de koopovereenkomst staat in art. 6.13 uitdrukkelijk dat [gedaagde partijen] aan [eisende partijen] heeft meegedeeld dat er vochtdoorslag in de kelder is.
aansluitingvan de
verzakkingin de liggende leiding van de gresbuis (zie rov. 2.20). Ter zitting (9 december 2025) heeft [gedaagde partijen] verklaard niet aan de gresbuizen te hebben gewerkt tijdens de renovatie. Dit heeft [eisende partijen] niet weersproken, zodat de rechtbank dit als vaststaand aanneemt. De constructie van een gresbuizen-riolering betreft een oud systeem, en de aanwezigheid daarvan is niet verwonderlijk - zoals [gedaagde partijen] terecht heeft aangevoerd - bij een woning van meer dan 100 jaar oud. Daarbij komt dat - zoals [gedaagde partijen] eveneens terecht heeft aangevoerd - [gedaagde partijen] tijdens de bezichtiging van de woning door [eisende partijen] heeft gewezen op vocht in de kelder, dat het er nat wordt bij regen en dat [gedaagde partijen] [eisende partijen] toen heeft gewezen op de aanwezigheid van een dompelpomp. In artikel 6.13 van de koopovereenkomst is het vochtprobleem van de kelder nadrukkelijk benoemd. Daarbij heeft [gedaagde partijen] nooit in de woning heeft gewoond of er van gebruik gemaakt, zoals eveneens nadrukkelijk opgenomen in de koopovereenkomst, en heeft hij verklaard dat hij nimmer last te hebben gehad van het riool in het jaar dat hij eigenaar van de woning was. Gelet op al deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [gedaagde partijen] op de exoneratie van artikel 6.3. van de koopovereenkomst slaagt. Onder verwijzing naar het vooroverwogene is de rechtbank van oordeel dat het meer subsidiair gevorderde een zelfde lot volgt, nu de non-conformiteit niet ligt in de
aansluitingvan de rioolbuis, maar in een
verzakkingvan een oude gresbuis, nog daargelaten dat niet gebleken is dat hierdoor normaal gebruik van de woning niet mogelijk is.
aansluitingvan de rioolbuis niet goed was en dat [gedaagde partijen] daaromtrent onjuist of niet zou hebben meegedeeld. De rechtbank volgt niet in deze stelling, nu - zoals hiervoor overwogen - niet de aansluiting van de rioolbuis het probleem is, maar de
verzakkingin de liggende leiding (gresbuis). Reeds hierom kan het beroep op dwaling niet slagen.
€ 19.444,00 van [gedaagde partijen] te vorderen. Echter, de daadwerkelijke vordering die hij heeft ingesteld jegens [gedaagde partijen] bedraagt € 36.868,00 (zijnde € 17.424,00 plus
wistdat er een houten vloer onder het beton lag. Het is immers [gedaagde partijen] geweest die op die houten vloer zelf een betonvloer heeft gelegd. [gedaagde partijen] heeft dit echter niet heeft meegedeeld aan [eisende partijen] . Integendeel, [gedaagde partijen] heeft - zoals hiervoor benoemd - een onvolledige mededeling aan [eisende partijen] gedaan door hem te melden dat de vloer een betonvloer betrof. De rechtbank acht daarnaast voldoende aannemelijk dat - zoals [eisende partijen] heeft gesteld - het rotten van het hout een langzaam proces betreft, hetgeen [gedaagde partijen] onvoldoende heeft weersproken. De rechtbank gaat er om die reden van uit dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst dit proces al gaande was, maar dat het zich later en steeds meer openbaarde. Op dat moment, in oktober/november 2022, heeft [eisende partijen] een verzakking geconstateerd en [gedaagde partijen] daarover direct aangeschreven. Vervolgens heeft hij nader onderzoek door Eff Eff laten verrichten, dat uitmondde in het rapport van juni 2023, en nadien destructief onderzoek in mei 2024. De rechtbank kan voorts niet vaststellen dat [gedaagde partijen] daadwerkelijk in zijn bewijspositie is geschaad, of dat hij, nu hij deze vordering nog steeds betwist, schadebeperkend zou hebben opgetreden. Bovendien heeft [gedaagde partijen] ook nimmer zelf aangedrongen op eerder (destructief) onderzoek. Al deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank tot het oordeel dat [eisende partijen] tijdig heeft geklaagd over de verzakking van de vloer en met voldoende voortvarendheid vervolgens onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak daarvan.
€ 19.444,00 om de gehele woonkamervloer te vervangen buiten proportie zijn, nu niet is aangetoond door [eisende partijen] dat de betreffende tegel of een gelijksoortige tegel niet meer beschikbaar zou zijn. Hoewel er door [eisende partijen] expliciet aan [gedaagde partijen] om nadere informatie over de tegel is verzocht, is het aan [eisende partijen] om eenzelfde (soort) tegel te identificeren. Dat geldt te meer nu niet is gebleken dat het om een bijzondere soort tegel gaat, terwijl [gedaagde partijen] - onweersproken - ter zitting van 9 december 2025 heeft verklaard dat het een gewone bouwmarkttegel betreft. De rechtbank merkt hierbij op dat enig (minimaal) kleurverschil acceptabel is. Ten slotte is evenmin nader onderbouwd dat en waarom het vervangen van de gehele woonkamerbetegeling € 19.444,00 (meer) zou bedragen. Dit deel van het gevorderde zal om die reden worden afgewezen.