Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2889

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
03.134459.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 207 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meineed als getuige in strafzaak over levensdelict

De rechtbank Limburg heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die werd verdacht van meineed gepleegd op 10 april 2018. De verdachte legde als getuige onder ede een valse verklaring af over de situatie in café Tropicana op de avond van 15 april 2017, waarbij zij ontkende dat het café open was en dat er mensen aanwezig waren, terwijl meerdere getuigen het tegendeel verklaarden.

De verdediging voerde primair aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een ernstige overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het recht op een eerlijk proces was geschonden. De rechtbank oordeelde echter dat ondanks de overschrijding van ruim 7 jaar, geen zodanige ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten was vastgesteld die tot niet-ontvankelijkheid zou leiden.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en het strafblad van de verdachte, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met de forse overschrijding van de redelijke termijn en vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

De rechtbank benadrukte het belang van de waarheidsvinding in strafzaken en het ernstige karakter van meineed, zeker in zaken met grote belangen voor slachtoffers en nabestaanden. De verdachte toonde tijdens de zitting geen inzicht in de ernst van haar handelen. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de omstandigheden van de zaak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar wegens meineed.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.134459.24
tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 24 maart 2026
in de strafzaak tegen
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
wonende te [woonadres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 maart 2026. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen medeverdachte [naam medeverdachte] met het parketnummer 03.134483.24 .

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich op 10 april 2018 in Roermond schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Daartoe verwijst ze naar de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en veroordeelde [veroordeelde] allen die hebben verklaard dat ze die avond in het café zijn geweest, dat het café open was en dat er meerdere mensen binnen waren. Daarnaast heeft de officier van justitie verwezen naar het vonnis van de rechtbank van 20 september 2018 en het arrest van het gerechtshof ’s Hertogenbosch van 2 april 2021, waarin zowel door de rechtbank als door het hof is overwogen dat de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte niet voor het bewijs zal worden gebruikt, omdat zij aantoonbaar hebben gelogen over de gebeurtenissen op de avond van 15 april 2017.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de redelijke termijn zodanig is overschreden, waardoor een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte is gemaakt dat van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geen sprake meer kan zijn. Medici kunnen immers nu geen rapport meer opmaken over de toestand waarin de verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde feit en getuigen kunnen zich nu wellicht niets meer herinneren. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend is bewezen dat sprake is van een verklaring die in strijd is met de waarheid, noch van enig opzet op het afleggen van een onjuiste verklaring.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat de redelijke termijn ruimschoots is overschreden. De verdachte is op 16 oktober 2018 aangehouden en als verdachte gehoord in deze strafzaak, daarmee is de redelijke termijn aangevangen. Op de datum waarop de rechtbank eindvonnis wijst heeft de rechtsgang in deze strafzaak in totaal 7 jaar en 5 maanden geduurd. Daarmee is de redelijke termijn ver overschreden.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een overschrijding van de redelijke termijn op zichzelf – en dus zonder dat daarnaast is vastgesteld dat (mede) als gevolg van die overschrijding sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat van een eerlijk proces geen sprake meer kan zijn – nooit leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van de verdachte (ECLI:NL:HR:2025:1875). Van een zodanig ernstige inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De omstandigheden die de raadsman heeft genoemd, te weten dat getuigen bepaalde vragen niet meer kunnen beantwoorden, zodat de waarheidsvinding is bemoeilijkt en dat de verdachte, gelet op haar medische toestand destijds, zich niet alles goed kan herinneren, brengen naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het strafproces als geheel niet eerlijk is in de zin van artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank betrekt bij dat oordeel in het bijzonder dat de verdachte op 16 oktober 2018 is aangehouden en als verdachte van meineed is gehoord, waarbij zij een zeer gedetailleerde verklaring heeft afgelegd, waaruit geen enkele vorm van twijfel is gebleken, ook niet nadat zij werd geconfronteerd met andersluidende verklaringen van andere getuigen. Evenmin is gebleken dat eventuele getuigen – de verdediging heeft niets aangevoerd over welke getuigen dit dan zouden zijn – zich niets meer kunnen herinneren. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Inleiding
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 10 april 2028 meineed heeft gepleegd, door als getuige in een strafzaak ten overstaan van de rechter-commissaris in Roermond onder ede opzettelijk een valse verklaring af te leggen.
De rechtbank zal hieronder eerst de bewijsmiddelen bespreken en daarna overwegen waarom zij tot een bewezenverklaring is gekomen.
Bewijsmiddelen
Op
10 april 2028 heeft de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris in Roermondonder meer het volgende verklaard:
Op vragen van de officier van justitie:
Het gaat over een voorval van 14 op 15 april 2017 in het café van je moeder. Was het café
toen open die avond?“Nee”.
Waren er wel mensen binnen?“Nee, volgens mij niet. Van tevoren wel even.”
In het begin van de avond of in de loop van de avond?“Dat kan best, maar ik weet niet meer
hoe laat dat was.”
Was je met je moeder alleen in het café?“Ik was alleen met mijn moeder in het café.”
Wat deden jullie daar?“Wij waren aan het versieren voor een feestje, dacht ik.”
Was [getuige 1] er ook?“Nee, die was er niet. Die was in onze woning ernaast.”
Er zijn mensen die zeggen dat ze in het café waren die avond.“Nee, dat kan niet. Ik weet niet
hoe ze daarbij komen.”
(…)
Op aanvullende vragen van de rechter-commissaris:
Ik vraag naar [getuige 3] omdat het mij bezighoudt dat [getuige 3] heeft verklaard (op 17 april om
14:40 uur) dat hij daar met een aantal mensen iets heeft gedronken die avond. Hij heeft
verklaard dat de knallen achter hem waren. Verder heeft hij verklaard dat [naam 1] naar de
groep Utrechters is gelopen en dat de muziek aanstond. Hadden jullie muziek aan toen jullie
aan het versieren waren?“Dat weet ik echt niet meer.”
Hoe kan [getuige 3] zo gedetailleerd verklaren?“Dat weet ik echt niet.”
Hij noemt heel specifiek de mensen op die er waren.“Alleen mijn moeder en ik waren er. Echt waar.”
Blijf je bij die verklaring?“Ja.”
Ook als ik je onder ede ga stellen?“Ja.”
De getuige legt vervolgens de eed af op de in de wet voorgeschreven wijze.
Blijf je bij alles wat je tot nu toe heb verklaard?“Ja.”
Ook dat je alleen was met je moeder voordat [naam 1] met de mannen naar binnen kwamen?“Ja.” [2]
Op
17 april 2017 heeft getuige [getuige 1]onder meer het volgende verklaard bij de politie:
”V: Waar heb je die avond met [getuige 3] over gesproken?
A: Over niks bijzonders. [getuige 3] vroeg of ik een kwam drinken. Het was druk bij Tropicana en terwijl wij aan het praten waren kwamen er nog meer mensen aanlopen en gingen naar binnen.
(..)
V: Zijn er nog dingen die jij wilt vertellen?
A: Uhm, dat café was open die dag.” [3]
Op
17 april 2017 heeft getuige [getuige 2]onder meer het volgende verklaard bij de politie:
“V: Hoe laat ben je naar het café geweest?
A: Ik was in de Fairplay en ben om ongeveer 00:25 uur naar het café Tropicana gegaan om te kijken of [naam 1] daar was. In het café zat [getuige 3] aan de bar. In het café was het niet druk. Binnen gekomen zag dat er één jongen aan het gokken was aan de gokkast links. [getuige 3] zat aan de bar. [getuige 1] , de vriend van de dochter [dochter] . [getuige 1] gaf mij een hand en liep weer terug het café in. De eigenaresse, ik noem haar [eigenaresse café] , was achterin iets aan het doen met ballonnen. Ik zag die Irakees, die ze [naam cafébezoeker] noemen, links achterin met een meisje.” [4]
Op
17 april 2017 heeft getuige [getuige 3]bij de politie onder meer het volgende verklaard:
“Ik kwam afgelopen vrijdag omstreeks 22.30 uur in de avond binnen. Ik ging daar een drankje doen. Hiermee bedoel ik mee café Tropicana . Dit café ligt aan de Tudderenderweg in Sittard . Ik zat daar gewoon rustig met mensen die daar ook vaker komen. Het was gewoon een normale sfeer. Er was niks aan de hand.
V: Hoeveel mensen waren in het café aanwezig toen jij binnen kwam?
A: Ik schat 10 personen. Het was niet leeg, maar ook niet afgeladen vol.
V: Waar zaten deze personen in het café?
A: 4 personen aan de bar. De eigenaar stond achter de bar.
(..)
V: Waar zat jij in Tropicana ?
A: Ik zat aan de bar. Ik heb hier heel de avond gezeten.
V: Hoe was de sfeer in Tropicana ?
A: De sfeer was goed. Er was niks aan de hand. Ik drink hier altijd in voordat ik naar de stad ga.
V: Met wie was jij in Tropicana ?
A: Ik was daar alleen. Ik heb samen met een grote Nederlandse man aan de bar gezeten. Die zag ik daar voor de eerste keer. Bij deze Nederlandse man zat nog een Joegoslaaf/Albanees.” [5]
Op
15 november 2017 heeft getuige [getuige 4]onder meer het volgende verklaard bij de politie:
“M: [getuige 4] , uit onderzoek is gebleken dat jij ten tijden van het schietincident ten gevolgen waarvan [naam 1] is overleden in café Tropicana bent geweest.
V: Wat kun je ons daarover vertellen
A: ik kan mij dit nog wel herinneren. Die dag van het schietincident ben ik inderdaad in het café geweest. Ik kwam wel vaker in dit café. Volgens mij ben ik die avond voor het schieten in het café geweest. Dit was volgens mij ergens tussen 23.00 uur en middernacht. Volgens mij heb ik in het café 1 glas wodka /seven up gedronken.
(…)
V: Wie was daar nog meer in het café?
A: Dat weet ik niet. Ik heb alleen in dit café iets gedronken. Ik heb niet gelet op eventuele andere personen die in het café aanwezig waren.
(…)
V: Weet jij nog bij wie jij dit drankje besteld hebt?
A: Bij een vrouw die daar werkt. Het is de vrouw die altijd daar werkt. Ik schat dat zij tussen de 30 en 40 jaar is.” [6]
Op 14 november 2017 heeft
getuige [getuige 5]verklaard dat zij
op 15 april 2017 omstreeks 00.32 uur een Whatsapp-berichtheeft ontvangen van [naam 1] waarvan zij een screenshot aan de politie heeft getoond. De berichtgeving is als volgt:
[naam 1] :
Heey zusje
Ik kom zo tropi als je ziet dat er problemen komen met mij doe flikker [naam cafébezoeker] dan bel stief zeg
kom om de hoek bij nagelke
[getuige 5] :
Ik ben niet bij tropi
Wat is er dan?
[naam 1] :
Oh oke
Ja nee ik ga daar naar toe
En die homo is daar
Darom vroeg ik dat. [7]
Bewijsoverwegingen
Uit bovengenoemde verklaringen van de diverse getuigen, blijkt dat café Tropicana op 15 april 2017 open was en dat er meerdere mensen binnen waren.
De verdachte is meermalen gehoord en bevraagd of het café open was op 15 april 2017 en of er mensen binnen waren. De verdachte heeft bij ieder verhoor, zo ook op 10 april 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris terwijl zij onder ede was gesteld, duidelijk, gedetailleerd en consistent verklaard dat het café op die bewuste avond gesloten was en dat er geen mensen binnen waren. Nu deze verklaring haaks staat op de verklaringen van de diverse andere getuigen, alsmede op de berichtgeving tussen [naam 1] en getuige [getuige 5] van de bewuste avond, concludeert de rechtbank dat de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede een verklaring heeft afgelegd die feitelijk onjuist is.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de rechter-commissaris opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. De feiten waarover de verdachte een verklaring heeft afgelegd zijn feiten waarover weinig twijfel kan bestaan: een café is open of dicht; er zijn mensen binnen of niet. De verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris zeer concreet en stellig verklaard dat het café op de bewuste avond gesloten was en dat er geen mensen binnen waren. Volgens de verdachte was zij alleen met haar moeder in het café om te versieren. Deze verklaring laat geen ruimte voor twijfel of onduidelijkheid en is bovendien in lijn met de eerdere verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd en derhalve consistent. Ook nadat de verdachte werd geconfronteerd met details uit meerdere andersluidende getuigenverklaringen is zij, zonder enig voorbehoud, bij haar verklaring gebleven dat het café gesloten was en dat er geen mensen binnen waren. En ook nadat de verdachte erop werd gewezen dat zij onder ede stond is zij, wederom zonder enig voorbehoud, bij haar verklaring gebleven.
De consistente en gedetailleerde verklaring van de verdachte getuigt naar het oordeel van de rechtbank voorts niet van enige beïnvloeding van haar herinnering door PTSS, zoals door de raadsman is aangevoerd. Dat de herinneringen van de verdachte door PTSS zijn aangetast of beïnvloed, blijkt ook niet uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting. Meer specifiek overweegt de rechtbank dat een aantasting van het geheugen ook niet volgt uit de brief van de GZ-psycholoog van 7 februari 2018 [8] , waarnaar de raadsman heeft verwezen.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het opzet van de verdachte ten tijde van het afleggen van haar verklaring bij de rechter-commissaris was gericht op het afleggen van een valse verklaring. De verdachte heeft derhalve opzettelijk een valse verklaring onder ede afgelegd. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 10 april 2018 in Roermond schuldig heeft gemaakt aan meineed.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 10 april 2018 in de gemeente Roermond in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten in de strafzaak 03/720678-17 ( [veroordeelde] ) ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg op 10 april 2018, mondeling persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door opzettelijk in strijd met de waarheid te verklaren dat verdachtes en [naam medeverdachte] , café, bar Tropicana op de avond van 15 april 2017 gesloten was en dat er geen mensen binnen waren.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
in een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en daarnaast een taakstraf van 100 uren. Bij het bepalen van haar eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich als getuige in een strafzaak over een levensdelict schuldig gemaakt aan meineed. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij als getuige opzettelijk een onjuiste verklaring heeft afgelegd in een strafzaak waarin de belangen voor zowel de veroordeelde als voor de nabestaanden van het slachtoffer buitengewoon groot waren.
Het afleggen van de eed of belofte dient ertoe om de betrouwbaarheid van de verklaring te waarborgen. Door opzettelijk tegenover rechters in strijd met de waarheid te verklaren heeft de verdachte niet alleen deze waarborg ernstig teniet gedaan, maar ook de waarheidsvinding in onze rechtsstaat ondermijnd. Daardoor kunnen personen ten onrechte worden veroordeeld en zo een strafblad krijgen of ten onrechte worden vrijgesproken en aldus straffeloos blijven. Daar komt bij dat de verdachte tijdens de terechtzitting nog steeds geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in het kwalijke van haar handelen.
Het bewezen verklaarde feit betreft een ernstig strafbaar feit, waarvoor in de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend wordt geacht.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het strafblad van verdachte van 9 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank houdt voorts rekening met het tijdsverloop tussen het gepleegde feit en de uiteindelijke berechting, en stelt vast dat de redelijke termijn in extreme mate is overschreden. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 van Pro het EVRM als uitgangspunt dat binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg vonnis dient te worden gewezen.
In het onderhavige geval is de termijn aangevangen met de aanhouding van de verdachte op 15 oktober 2018, zodat uiterlijk in oktober 2020 vonnis had moeten zijn gewezen. Het vonnis in deze zaak volgt echter meer dan vijf jaren later. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen, is niet gebleken. De rechtbank houdt met deze overschrijding in ruime mate rekening in de bepaling van de strafmodaliteiten en omvang van de op te leggen straf.
Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf de enige aangewezen strafmodaliteit is om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. Gelet op het grote tijdsverloop acht de rechtbank het niet passend om nu, bijna 8 jaar na de pleegdatum aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Omdat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, en ook na dit feit niet meer, acht de rechtbank het niet passend om, naast oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, ook nog een taakstraf aan de verdachte op te leggen.
Alles overwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 207 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. L.P. Bosma en
mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 10 april 2018 in de gemeente Roermond in een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde en/of daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten in de strafzaak 03/720678-17 ( [veroordeelde] ) ten overstaan van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg op 10 april 2018, mondeling en/of schriftelijk persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, door opzettelijk in strijd met de waarheid te verklaren dat hun, verdachtes en [naam medeverdachte] , café, bar Tropicana op de avond van 15 april 2017 gesloten was en dat er geen mensen binnen waren;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op
2.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 10 april 2018, dossierpagina’s 84 tot en met 90 (onderzoekshandelingen RC).
3.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , dossierpagina’s 417 en 418.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , dossierpagina 427.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , dossierpagina’s 430 en 431.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , dossierpagina 530.
7.Het proces-verbaal van verhoor van getuige A.M.L.L. [getuige 5] , dossierpagina’s 524 t/m 528.
8.Dossierpagina 1719.