ECLI:NL:RBLIM:2026:2874

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11940711 \ CV EXPL 25-4594
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet aangepaste eis na schikking in arbeidsgeschil

In deze civiele bodemzaak vordert de eiser, voormalig begeleider bij Menzsamen, betaling van achterstallig loon, verlofuren, lidmaatschapsgeld en kosten. De arbeidsovereenkomst viel onder de cao Sociaal Werk.

Tijdens de mondelinge behandeling op 11 februari 2026 bereikten partijen een schikking waarbij Menzsamen € 20.000 zou betalen, verdeeld over diverse posten. De schikking werd echter niet schriftelijk vastgelegd, ondanks pogingen daartoe en afspraken over betalingstermijnen en bankgarantie.

De kantonrechter oordeelt dat door het treffen van de regeling de oorspronkelijke vordering niet toewijsbaar is, mede omdat de eis niet is aangepast aan de schikking. Het verschil van mening over de betalingswijze en periode leidt niet tot een wijziging van de eis. Daarom wordt de vordering afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 15 april 2026 door kantonrechter Piëtte.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen omdat de eis niet is aangepast na de schikking die niet schriftelijk is vastgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11940711 \ CV EXPL 25-4594
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. H. ten Kortenaar,
tegen
STICHTING MENZSAMEN,
te Meerlo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Menzsamen,
gemachtigde: mr. M.M.C. van de Ven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026
- de spreekaantekeningen van [eisende partij]
- de akte van [eisende partij]
- de akte van Menzsamen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is bij Menzsamen in dienst geweest als begeleider WMO/PGB.
Op de arbeidsovereenkomst was de cao Welzijn & Maatschappelijke dienstverlening (cao Sociaal Werk) van toepassing.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat - :
  • Menzsamen te bevelen een deugdelijke eindafrekening te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • betaling van 275,3 niet genoten en onbetaald gebleven verlofuren ad € 1.439,90;
  • betaling van het lidmaatschapsgeld van de beroepsvereniging ad € 416,80;
  • betaling van het achterstallig loon ad € 12.852,57 en de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;
  • betaling van € 1.093,27 aan buitengerechtelijke kosten;
  • betaling van de proceskosten.
3.2.
Menzsamen heeft verweer gevoerd. Menzsamen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op 11 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid daarvan hebben partijen een schikking getroffen. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen de gelegenheid te geven de schikking schriftelijk vast te leggen.
De gemachtigde van [eisende partij] heeft de inhoud van de schikking in zijn e-mail van 13 februari 2026 [1] aan de gemachtigde van Menzsamen vastgelegd.
De inhoud van de schikking luidt als volgt:
“(..)”
Uw cliënt betaalt € 20.000,00 aan mijn cliënte waarvan de toedeling als volgt is:
  • Achterstallig salaris € 12.852,58 (*)
  • Verlofuren € 835,85 (*)
  • Kosten rechtsbijstand € 3.971,55
  • Griffierecht € 732,00
  • Deurwaarderskosten € 168,13
  • Onterechte eerdere inhouding € 1.439,90
De met (“) gemerkte posten zijnbrutobedragen waarvan het feitelijke netto equivalent is wat uw cliënte daadwerkelijk aan mijn cliënte betaalt. Door deze gespecificeerde toedeling zijn voor beide partijen de fiscale gevolgen zo beperkt mogelijk gemaakt.
Ik verzoek uw cliënte ombinnen een week na hedeneen deugdelijke en voldoende gespecificeerde opgave over te leggen van de bruto/netto berekening. Ik verzoek uw cliënte voorts ombinnen een weekde overeengekomen eerste betaling ad € 5.000,- te doen…..
Aan de hand van het vorenstaande zal ik u op maandag 23 februari 2026 een concept Vaststellingsovereenkomst toezenden waarin (i) het vorenstaande is vervat; (ii) wordt vastgelegd welknettobedrag dan nog door uw cliënte dient te worden betaald en wat (iii) dientengevolge de maandelijkse termijnbetaling zal zijn waarmee uw cliënte in 12 maandelijkse opvolgende termijnen, telkens op de eerste kalenderdag van iedere opvolgende maand, de schuld voldoet.
De door uw cliënte ondertekende overeenkomst dient in 3-voud uiterlijk op woensdag 25 april (toevoeging kantonrechter: bij e-mail van 13 februari 2026 gecorrigeerd in 25 februari 2026) in mijn bezit te zijn. Na contrasigne door mijn cliënte zend ik één exemplaar ten behoeve van uw cliënte toe.
De eerste termijnbetaling vervalt op 1 april 2026. De 12 opvolgende termijnen voldoet uw cliënte rechtstreeks aan mijn cliënte. Wij hebben voorts afgesproken dat uw cliënte de volledige betaling borgt door middel van een authentieke bankgarantie naar “Rotterdams model II” welke garantie door de bank van uw cliënte dient te worden afgegeven aan mijn cliënte. Deze bankgarantie dient uiterlijk op woensdag 25 februari 2026 te zijn afgegeven en dient een looptijd te hebben tot en met 31 juli 2027. Bovendien dient de garantie te worden afgegeven tegen 133% van de restantschuld zodat eventuele kosten van uitwinning ook zijn gedekt.
“(..)”
4.2.
Het vastleggen van de vaststellingsovereenkomst blijft uit. Dat neemt echter niet weg dat partijen wel een regeling hebben getroffen die inhoudt dat er € 20.000,00 aan [eisende partij] wordt betaald. Door het treffen van deze regeling is de vordering, zoals die is neergelegd in de dagvaarding, niet toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat de regeling niet schriftelijk is vastgelegd en dat partijen van mening verschillen hoe het resterende bedrag, dat is overgebleven na de betaling van € 5.000,00, moet worden betaald en aan welke periode de betaling moet worden toegeschreven. Dit verschil van mening heeft er echter niet toe geleid dat [eisende partij] haar vordering heeft gewijzigd, vermeerderd of verminderd. Dat [eisende partij] in haar akte na comparitie wel aangeeft hoe de betaling volgens haar moet worden gedaan, doet hier niet aan af. Wil de vordering op basis van de regeling kunnen worden toegewezen, zoals dit [eisende partij] kennelijk voor ogen staat, dan was daarvoor een wijziging van eis nodig. Die is er niet.
4.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen. Omdat partijen wel een regeling hebben getroffen, zullen de proceskosten gecompenseerd worden in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 9 bij de akte na mondelinge behandeling