ECLI:NL:RBLIM:2026:2865

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11898757 CV 25-4113
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:218 BWArt. 6:74 BWArt. 6:95 BWArt. 7:217 BWArt. 7:240 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering schadevergoeding en borgteruggave na huurovereenkomst gestoffeerde woning

Tussen verhuurder en huurders heeft een huurovereenkomst gegolden voor een gestoffeerde woning van oktober 2018 tot oktober 2025. Na beëindiging van de huur ontstond een geschil over schade aan de keukenfrontjes, het buitenschilderwerk, de gordijnen, en andere onderdelen van de woning. Verhuurder vorderde een schadevergoeding van ruim €20.000, terwijl huurders de borgsom van €1.150 terugvorderden en enkele algemene bepalingen wilden laten vernietigen.

De kantonrechter oordeelde dat huurders tekortgeschoten zijn door zonder overleg de folie van de keukenfrontjes te verwijderen en deze te schilderen, wat schade veroorzaakte. De gevorderde schadevergoeding voor nieuwe frontjes werd echter beperkt tot €1.750, omdat het alternatief van wrappen voldoende en redelijk was. Andere vorderingen, zoals voor de lamp van de sunshower, reparatie rolluik, snoeien bomen en herstel gazon, werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of omdat het niet onder kleine herstellingen viel.

De kantonrechter kende een vergoeding van €250 toe voor de verwijderde gordijnen, oordeelde dat het boetebeding in de algemene bepalingen onredelijk bezwarend was en vernietigde dit. De buitengerechtelijke kosten werden deels toegewezen tot het wettelijke tarief. De borgsom werd aan huurders terugbetaald, en de proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot betaling van €2.075 schadevergoeding en verhuurder tot terugbetaling van de borg van €1.150; een onredelijk boetebeding wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11898757 \ CV EXPL 25-4113
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[verhuurder],
wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. M.M. van Tol,
tegen

1.[huurder 1] ,

2.
[huurder 2],
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [huurders] ,
gemachtigde: mr. V.A.E. Levels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties in conventie en in reconventie, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende wijziging en vermeerdering van eis in conventie;
- de akte overlegging producties, tevens houdende akte vermeerdering van eis in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Levels.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de gestoffeerde woning aan [adres] . De huurovereenkomst heeft geduurd van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2025.
2.2.
Bij aanvang van de huurovereenkomst hebben [huurders] een bedrag van € 1.150,00 aan borg betaald.
2.3.
Artikel 12 van Pro de huurovereenkomst bepaalt dat huurders ermee instemmen dat verhuurder jaarlijks in de maand mei, of wanneer de verhuurder daartoe aanleiding ziet, de woning inspecteert. [verhuurder] heeft jaarlijks inspecties aan het gehuurde uitgevoerd en zijn constateringen (per e-mail) met [huurders] gedeeld.
2.4.
In het gehuurde is een Keller-keuken van 15-18 jaar oud aanwezig.
2.5.
[huurders] hebben op enig moment, tussen de inspectie in mei 2024 en mei 2025, de folielaag van de keukenkastdeurtjes en -lades verwijderd en deze deurtjes en lades (zelf) geschilderd, in een kleur gelijkend op de originele kleur.
2.6.
Bij e-mail van 3 mei 2025, naar aanleiding van de jaarlijkse inspectie, heeft [verhuurder] [huurders] aansprakelijk gesteld voor de aan de keuken ontstane schade. Bij e-mail van 4 mei 2025 heeft [verhuurder] zijn constateringen nog nader toegelicht.
2.7.
[verhuurder] heeft een offerte opgevraagd bij [bedrijf 1] . Deze offreert voor het wisselen van alle fronten en zijwanden een bedrag van € 5.632,00 inclusief btw en montage. De aanwezige fronten zijn niet meer leverbaar, zodat voor een alternatief is gekozen.
2.8.
[huurders] hebben een offerte opgevraagd bij [bedrijf 2] voor het wrappen van de keuken. Deze offreert voort het wrappen van de fronten en het bijwerken van lichte beschadigingen een bedrag van € 1.325,00 inclusief btw. Van [bedrijf 2] is niemand ter plaatse geweest.
2.9.
Bij brief van 28 juli 2025 hebben [huurders] de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2025.
2.10.
Op 29 september 2025 heeft de eindinspectie plaatsgevonden. [verhuurder] heeft deels voorafgaand aan de inspectie (getypt) en deels tijdens de inspectie (handgeschreven) een opleverrapport opgemaakt. [huurders] hebben het opleverrapport niet ondertekend.
2.11.
De woning is na het vertrek van [huurders] uit de woning te koop gezet.
2.12.
In het gehuurde is een sunshower aanwezig. Deze was al aanwezig toen [huurders] de woning betrokken. Gedurende de huurovereenkomst zijn de lampen van de sunshower nooit vervangen. Één lamp van de sunshower werkte ten tijde van de oplevering niet meer.
2.13.
Bij aanvang van de huurovereenkomst in 2018 was een (op maat gemaakte) droogloopmat bij de voordeur aanwezig. [huurders] hebben de droogloopmat vervangen en deze nieuwe mat passend gemaakt door een ander stukje mat (van dezelfde dikte en kwaliteit) toe te voegen. De droogloopmat bestond ten tijde van de oplevering (zichtbaar) uit twee delen.
2.14.
[huurders] hebben het buitenhoutwerk zelf gevernist.
2.15.
[huurders] hebben de in het gehuurde aanwezige gordijnen verwijderd.
2.16.
het linker rolluik van de woonkamer sluit niet goed.
2.17.
[verhuurder] bezit meerdere panden, als pensioenvoorziening. Een pand zit in een beheersmaatschappij en de andere panden zijn privé.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[verhuurder] vordert - samengevat en na wijziging van eis – [huurders] hoofdelijk te veroordelen om aan [verhuurder] te voldoen een bedrag van € 20.760,15, te vermeerderen met de wettelijke rente, kosten rechtens.
3.2.
[huurders] voeren verweer. [huurders] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verhuurder] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[huurders] vorderen - samengevat en na wijziging van eis -:
  • [verhuurder] te veroordelen tot terugbetaling van de door [huurders] betaalde borg van € 1.150,00 danwel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
  • de bepalingen uit artikel 20.3, 20.4 en 20.6 uit de algemene bepalingen te vernietigen;
  • [verhuurder] te veroordelen om aan [huurders] te betalen de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 3.342,61 inclusief btw, danwel een bedrag dat de kantonrechter in goede justitie redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • [verhuurder] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
3.5.
[verhuurder] voert verweer. [verhuurder] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [huurders] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [huurders] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
4.1.
Aan zijn vordering legt [verhuurder] ten grondslag de door hem geleden schade als gevolg van tekortkomingen aan de zijde van [huurders] . [huurders] hebben gehandeld in strijd met hun verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en de wet en hebben schade veroorzaakt aan (met name) de keuken en het buitenschilderwerk.
4.2.
Ter gelegenheid van het indienen van de conclusie van antwoord in reconventie heeft [verhuurder] zijn eis in conventie gewijzigd. Hij vordert uiteindelijk:
  • kosten herstel keukenfrontjes € 5.632,00
  • lamp sunshower € 180,00
  • reparatie rolluik € 150,00
  • vervangen schoonloopmat € 150,00
  • buitengerechtelijke kosten € 1.948,10
  • kosten snoeien 8 bomen € 1.149,00
  • kosten repareren gazon ca 50m² € 850,00
  • vervangen weggehaalde gordijnen € 1.006,38
  • herstel schilderwerk buiten € 6.294,75
  • facturen mr. Van Tol
€ 20.760,15
4.3.
Uit de gedingstukken als ook uit hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard is de kantonrechter genoegzaam duidelijk geworden dat (de omvang van) het thans bestaande geschil tussen partijen is begonnen bij de constatering door [verhuurder] dat [huurders] de folie hadden verwijderd van de keukenfrontjes. [verhuurder] is in zijn werkzame leven actief geweest in de keukenbranche en de zich in het gehuurde bevindende keuken is er een die [verhuurder] kan bekoren. Uit de eerdere inspecties blijkt dat [verhuurder] het belangrijk vond dat er (uiteraard) zorgvuldig werd omgegaan met de keuken (waterkoker niet onder de bovenkastjes, vervangen magnetron, ed). Toen [verhuurder] ontdekte dat [huurders] zonder overleg de folie van de frontjes hadden verwijderd is de, tot dan verder prima, huurrelatie ernstig vertroebeld, zelfs zo ver dat [huurders] de noodzaak hebben gevoeld om de huurovereenkomst op te zeggen. Bij de oplevering is vervolgens de thans aan de vordering ten grondslag liggende gestelde schade ter sprake gebracht.
4.4.
[verhuurder] legt aan zijn vordering artikel 7:218 BW Pro ten grondslag. In dat artikel is bepaald dat de huurder aansprakelijk is voor schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst. Of de huurder toerekenbaar is tekortgeschoten dient beoordeeld te worden middels de maatstaf van artikel 6:74 BW Pro. Staat die aansprakelijkheid vast, dan ontstaat er voor de huurder een schadevergoedingsverplichting op de voet van art. 6:95 e.v. BW.
keukenfrontjes
4.5.
[huurders] hebben op enig moment tussen mei 2024 en mei 2025 de folie van de keukenfrontjes verwijderd en deze frontjes geverfd in een op de oorspronkelijk kleur gelijkende kleur. Dit hebben [huurders] gedaan zonder overleg met en/of mededeling aan [verhuurder] . Zij zijn daarmee tekortgeschoten in hun verplichtingen volgend uit artikel 19.22. van de huurovereenkomst en artikel 3 van Pro de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen.
4.6.
[huurders] stellen dat ze [verhuurder] niet tot last wilden zijn en hebben gedacht goed te doen door op eigen initiatief de loslatende folielaag te verwijderen en de frontjes (netjes) te verven. [verhuurder] is het hier niet mee eens. Deze discussie even parkerend overweegt de kantonrechter als volgt.
4.7.
Volgens art. 7:217 BW Pro komt klein onderhoud aan het gehuurde voor rekening van de huurder. Voor woonruimte is in art. 7:240 BW Pro een aparte regeling opgenomen, te weten het Besluit kleine herstellingen. Het renoveren van een keuken valt daar niet onder. Dat [huurders] dat wel hebben gedaan, zou een voordeel voor [verhuurder] hebben kunnen opleveren, ware het dat de renovatie naar tevredenheid van [verhuurder] zou zijn geschied.
4.8.
Vast staat dat er een kleurverschil is ontstaan tussen de geverfde frontjes en de niet geverfde frontjes en zijpanelen. De kantonrechter wil dit kleurverschil wel aanmerken als schade. [huurders] waren niet gehouden om een eventueel gebrek (het loslaten van de folie) zelf te herstellen, hebben het wel gedaan, waardoor voor [verhuurder] schade is ontstaan. [huurders] zijn dan ook gehouden deze schade te vergoeden. Overwogen wordt daarbij dat in geval van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, de benadeelde gehouden is om de schade te beperken voor zover dit redelijkerwijze van hem kan worden verlangd.
4.9.
[huurders] hebben aangeboden om de keukenfrontjes te laten wrappen. [verhuurder] wil dit niet en wil nieuwe frontjes en zijpanelen. Naar het oordeel van de kantonrechter handelt [verhuurder] daarmee in strijd met zijn schadebeperkingsplicht. De keuken is 15-18 jaar oud. De keuken voorzien van geheel nieuwe frontjes en zijpanelen, zou maken dat [verhuurder] behoorlijk wordt verrijkt. Niet valt in te zien waarom het laten wrappen van de keukenfrontjes én zijpanelen door een professionele partij niet genoeg kan zijn bij een keuken van deze leeftijd. Daarbij in aanmerking nemend dat het wrappen van een keuken een gangbare en ook duurzame manier van renovatie kan zijn.
4.10.
[huurders] hebben voor het wrappen contact gezocht met ‘ [bedrijf 2] ’. Deze heeft het wrappen van de fronten en het bijwerken van lichte beschadigingen geoffreerd voor € 1.325,00 (inclusief btw). Uit de offerte-aanvraag blijkt dat het zou gaan om 14 frontjes. Daarin zijn de niet geverfde frontjes en zijpanelen niet meegenomen. Wanneer de keuken dan gewrapt zou moeten worden, dan moet ook de hele keuken gedaan worden, zodat het weer één geheel wordt en de schade zoals die hiervoor onder 4.8. is aangenomen, wordt hersteld. Het bedrag dat met het schadeherstel gemoeid is zal daarom hoger liggen dan het geoffreerde bedrag. De kantonrechter begroot de door [verhuurder] geleden schade ten aanzien van de keuken op € 1.750,00 (inclusief btw).
lamp Sunshower
4.11.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 180,00 voor de vervanging van een defecte lamp in de sunshower.
4.12.
Hoewel het vervangen van een lamp normaal gesproken voor rekening van de huurder zal komen (kleine herstelling), is dit anders bij het vervangen van een lamp van de sunshower. Dit is immers niet zomaar een lamp, maar een onderdeel van een heel systeem, zoals ook wel uit de door [verhuurder] overgelegde productie 19 bij dagvaarding blijkt. Het vervangen van een lamp moet kennelijk door een monteur van Sunshower worden gedaan, waarmee dan tevens voorrijkosten en een uurloon verschuldigd zijn. De vordering ten aanzien van de lamp voor de sunshower is dan ook niet toewijsbaar.
reparatie rolluik
4.13.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 150,00 voor de reparatie van het rolluik.
4.14.
Hoofdregel is dat de kleine reparaties voor rekening komen van de huurder. Het moet dan gaan over ‘geringe en dagelijkse reparaties’. Herstellingen die door de gemiddeld handige huurder, zonder al te veel kosten en/of specialistische kennis kunnen worden verricht. De reparatie van een rolluik valt daar niet onder, hetgeen ook wel wordt bevestigd door de door [verhuurder] overgelegde factuur, waaruit blijkt dat [verhuurder] zelf ook een deskundig persoon heeft ingeschakeld voor de reparatie. De vordering ten aanzien van de reparatie van het rolluik is niet toewijsbaar.
vervangen schoonloopmat
4.15.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 75,00 voor de vervanging van de droogloopmat.
4.16.
Vast staat dat bij aanvang van de huurovereenkomst een op maat gemaakte droogloopmat in het gehuurde aanwezig was en [huurders] deze hebben verwijderd. De kosten van de vervanging van een deurmat zijn voor rekening van de huurders.
4.17.
[huurders] hebben de mat vervangen door een uit twee (zichtbaar) verschillende delen bestaande mat. De kantonrechter is met [verhuurder] van oordeel dat dit niet acceptabel is. De vordering ten aanzien van de kosten voor een vervangende op maat gemaakte droogloopmat is daarom toewijsbaar.
buitengerechtelijke kosten van € 1.948,10
4.18.
[verhuurder] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
4.19.
De kantonrechter stelt vast dat [huurders] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf), terwijl [verhuurder] als bedrijfsmatig dient te worden aangemerkt. Hoewel [verhuurder] een particulier is, is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gebleken dat [verhuurder] meerdere panden (bij wijze van pensioenvoorziening) in zijn bezit heeft, die hij vervolgens verhuurt. Uit de jurisprudentie volgt dan dat [verhuurder] aangemerkt dient te worden als bedrijfsmatig handelend.
4.20.
Ingeval sprake is van een overeenkomst tussen een bedrijfsmatig handelende partij en een consument moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.21.
Nu niet is gebleken dat aan [huurders] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro, dient de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten te worden afgewezen.
kosten snoeien bomen
4.22.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 1.149,00 voor het snoeien van acht bomen. Ter onderbouwing heeft [verhuurder] een factuur van [bedrijf 3] van 28 december 2025 overgelegd.
4.23.
Zoals hiervoor reeds is overwogen moet een huurder op eigen kosten kleine herstellingen verrichten in de zin van het Besluit kleine herstellingen dat op de huurovereenkomst van toepassing is op grond van artikel 7:240 BW Pro. Op grond van artikel 1 van Pro het Besluit juncto sub L van de bijlage behorend bij het Besluit, moet een huurder zorgen voor het onderhoud aan tuinen, erven, opritten en erfafscheidingen, zodanig dat de onroerende aanhorigheden een verzorgde indruk maken, waaronder in elk geval het regelmatig snoeien van heggen, hagen en opschietende bomen wordt begrepen.
4.24.
Uit de ‘inspectieverslagen’ kan genoegzaam worden afgeleid dat [huurders] aan hun verplichtingen voldeden. In mei 2023 werd niets gezegd over de snoeiwerkzaamheden en werd geconcludeerd dat er verder geen onvolkomenheden zijn geconstateerd. In mei 2024 wordt genoteerd dat de overhangende takken van de grote bomen zullen worden verwijderd als ook dat de haag zal worden geschoren. Het verslag naar aanleiding van de inspectie in mei 2025 zegt verder niets over overhangende takken en/of bomen. Wat van dit laatste ook zij, mogelijk dat in alle consternatie over de keukenfrontjes vergeten is hierover iets op te nemen, [verhuurder] is jaarlijks bij [huurders] op inspectie geweest en heeft de bomen in hoogte zien groeien. Deze groeien niet in één jaar tot een onwenselijke hoogte van, naar zeggen van [verhuurder] , 12 meter. Nimmer is gesproken over het drastisch terugsnoeien van de bomen. Enkel is gesproken over het snoeien van de overhangende takken.
4.25.
De factuur van [bedrijf 3] ziet op het knotten van bomen. Het knotten van bomen is iets heel anders dan het snoeien van overhangende takken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het knotten van bomen niet aangemerkt worden als ‘kleine herstellingen’ in de zin van normaal onderhoud, die voor rekening van de huurder komen. Het knotten van bomen/het terugsnoeien van grote bomen valt onder groot onderhoud wat voor rekening van de verhuurder komt. De vordering ten aanzien van het knotten van de bomen is daarom niet toewijsbaar.
kosten repareren gazon
4.26.
[verhuurder] vraagt een vergoeding voor het vervangen van het gazon. Ter onderbouwing wordt verwezen naar productie 28. Deze productie lijkt op het resultaat van een internet-zoekopdracht of een pagina uit een brochure. Hiermee wordt echter niet aangetoond dat het gazon vervangen moet worden. [huurders] betwisten dat er iets mis was met het gazon en verwijzen naar de verkoopbrochure van de woning (van na de oplevering), waarop zichtbaar is dat er gewoon gras in de tuin ligt.
4.27.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verhuurder] zijn vordering op dit punt niet, althans volstrekt onvoldoende onderbouwd. De vordering tot vergoeding van de kosten voor het repareren van het gazon zal dan ook worden afgewezen.
vervangen verwijderde gordijnen
4.28.
[verhuurder] vordert een vergoeding van € 1.006,38 voor het vervangen van de weggehaalde gordijnen.
4.29.
[huurders] hebben erkend dat zij de gordijnen hebben verwijderd en weggegooid. Zo [huurders] stellen, omdat de gordijnen versleten waren. Dat de gordijnen versleten waren wordt door [verhuurder] betwist.
4.30.
Vast staat dat [huurders] de woning hebben gehuurd inclusief gordijnen. Ingevolge artikel 19.14 van de huurovereenkomst is het de huurder toegestaan de bestaande stoffering met schriftelijke goedkeuring van de verhuurder te vervangen, welke vervanging vervolgens bij het einde van de huurovereenkomst achter dient te blijven. [huurders] hebben geen schriftelijke toestemming van [verhuurder] verkregen om de gordijnen te vervangen en voor zover ze deze toestemming wel al zouden hebben verkregen, dan hebben [huurders] niet voor vervanging gezorgd. [verhuurder] lijdt hierdoor schade.
4.31.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 1.006,38. Ter onderbouwing is verwezen naar een op internet, op de site van Kwantum, ingevulde bestellijst. Of deze gordijnen daadwerkelijk zijn besteld en of dit dan ook de schade is die [verhuurder] stelt te hebben geleden, is onduidelijk. Vast staat dat de woning inmiddels te koop staat, waardoor het niet aannemelijk is dat [verhuurder] nu nog nieuwe gordijnen aanschaft om in de woning op te hangen.
4.32.
Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Als zo’n omstandigheid erin bestaat dat eenzelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, gaat het erom dat bij de vergelijking tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, beoordeeld moet worden welke nadelen en welke voordelen in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de schuldenaar kunnen worden toegerekend.
4.33.
Zouden [huurders] de gordijnen niet hebben verwijderd, dan had [verhuurder] bij de verkoop van de woning nog kunnen beschikken over de oude gordijnen. Ofwel had [verhuurder] de gordijnen mee-verkocht, ofwel had hij ze afgenomen en elders kunnen gebruiken, ofwel had [verhuurder] de gordijnen zelf weggedaan. De gordijnen bevonden zich al in het gehuurde op het moment dat [huurders] in 2018 de woning betrokken. Gesteld noch gebleken is dat de gordijnen toen nieuw waren. Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het niet redelijk [huurders] nu te veroordelen tot voldoening van een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van nieuwe gordijnen. De kantonrechter acht een bedrag van € 250,00 redelijk en dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.
herstel schilderwerk buiten
4.34.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 6.294,75 ter zake het buitenschilderwerk. Vast staat dat [huurders] de kozijnen van de buitenzijde hebben geverfd.
4.35.
Het schilderen van het buitenhoutwerk valt niet onder het Besluit kleine herstellingen. Dat [huurders] dit vervolgens wel hebben gedaan kan in het voordeel zijn van [verhuurder] . Nu stelt [verhuurder] dat [huurders] door het overschilderen van het buitenhoutwerk schade hebben veroorzaakt, nu het schilderwerk niet goed/netjes is uitgevoerd en het schilderwerk opnieuw gedaan moet worden.
4.36.
Ter onderbouwing van zijn schade verwijst [verhuurder] naar een e-mailbericht van
19 januari 2026 van ene [naam]. Aangenomen wordt dat dit een schilder is. Deze [naam] schrijft:
“(…) ik heb o.b.v. de foto’s een raming gemaakt.
Incl de schroten betimmering en garagepoort.
Het hele houtwerk geheel machinaal opschuren, kale delen bij-vlekken en twee maal geheel transparant overschilderen.
(…)
De prijs is een raming, t.z.t. kan er een offerte/aanneemsom gemaakt worden.
€ 5.775,- excl. 9% btw (…)”.
4.37.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verhuurder] niet aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden. [huurders] hebben het buitenhoutwerk geschilderd, maar of dit dan zo slecht is gedaan dat het overnieuw moet blijkt nergens uit. Meer dan de
e-mail van [naam] heeft [verhuurder] niet in het geding gebracht en hieruit kan niet worden afgeleid dat het door [huurders] uitgevoerde werk zo slecht was dat het overnieuw moet.
4.38.
[verhuurder] heeft zijn vordering dan ook niet, danwel onvoldoende onderbouwd. De vordering betrekking hebbend op het schilderwerk buiten is niet toewijsbaar.
facturen mr. Van Tol
4.39.
[verhuurder] vordert een bedrag van € 3.399,42 ter zake de facturen van mr. Van Tol. De kantonrechter begrijpt deze post als vordert [verhuurder] veroordeling van [huurders] in de werkelijke proceskosten.
4.40.
Met betrekking tot de uren die mr. Van Tol zou hebben besteed aan deze zaak overweegt de kantonrechter dat een proceskostenveroordeling van de werkelijke kosten alleen aan de orde is bij misbruik van recht. [verhuurder] heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat er sprake is van misbruik van recht. Het liquidatietarief is daarom van toepassing, voor zover sprake is van een proceskostenveroordeling, waarover hierna meer.
hoofdelijkheid
4.41.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
conclusie
4.42.
[huurders] zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [verhuurder] van een totaalbedrag van € 2.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.875,00 vanaf de dag van dagvaarding en over € 250,00 vanaf de dag van wijziging van eis, telkens tot de dag van volledige voldoening.
in reconventie
4.43.
[huurders] vorderen in reconventie veroordeling van [verhuurder] tot (terug)betaling van de borgsom van € 1.150,00, vernietiging van de artikelen 20.3, 20.4 en 20.6 van de algemene bepalingen, met veroordeling van [verhuurder] in de buitengerechtelijke en proceskosten.
borgsom
4.44.
Vast staat dat [huurders] bij aanvang van de huurovereenkomst een bedrag van € 1.150,00 aan borgsom hebben betaald. Deze borgsom diende tot de zekerheid van de nakoming van de uit de huurovereenkomst op [huurders] rustende verplichtingen (artikel 10.1 huurovereenkomst). Nu [huurders] in conventie worden veroordeeld tot betaling van schade welke het gevolg is van de niet nakoming van de uit de huurovereenkomst en/of de wet op [huurders] rustende verplichtingen, dient de betaalde borgsom aan [huurders] te worden gerestitueerd. Er is voor [verhuurder] , na betaling door [huurders] van de schade waartoe zij in conventie worden veroordeeld, immers niets meer om de borgsom mee te verrekenen. De vordering van [huurders] tot (terug)betaling van de borgsom van € 1.150,00 is daarom toewijsbaar. De rente zal worden toegewezen vanaf de dag van akte vermeerdering van eis.
vernietiging artikelen 20.3, 20.4 en 20.6 uit de algemene bepalingen
4.45.
[huurders] vorderen vernietiging van de artikel 20.3, 20.4 en 20.6 uit de algemene bepalingen zoals die golden tussen [verhuurder] en [huurders] . Dit nu deze onredelijk bezwarend zijn en/of oneerlijk zijn geformuleerd ten opzichte van consumenten.
4.46.
De bedingen als geformuleerd onder de artikelen 20.3 en 20.4 zien op buitengerechtelijke kosten. Omdat de in conventie gevorderde vergoeding tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen op grond van het ontbreken van de veertiendagenbrief, ziet de kantonrechter geen aanleiding te toetsen of de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevat op dit onderdeel.
4.47.
Artikel 20.6 bevat een boetebeding. Dit artikel bepaalt:
“Huurder is aan verhuurder een direct opeisbare boete van € 25,00 per kalenderdag verschuldigd voor elke verplichting uit deze overeenkomst met de bijbehorende algemene bepalingen die hij niet nakomt of overtreedt (…)”.
4.48.
Aangezien [huurders] aan te merken zijn als consument (zie rov 4.19.), moet de kantonrechter beoordelen of al dan niet sprake is van een oneerlijk beding zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 (de richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten). Bij de beantwoording van de vraag of een beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn).
Daarbij moeten alle omstandigheden op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in
aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten
waarop de overeenkomst betrekking heeft.
4.49.
Bij het onderzoek naar het mogelijkerwijs oneerlijke karakter van een beding in een consumentenovereenkomst moet, wat de bedingen die binnen de werkingssfeer van de
richtlijn vallen betreft, rekening worden gehouden met de mate van wisselwerking tussen
het betrokken beding en andere bedingen, afhankelijk van met name hun respectieve
draagwijdte. Om te beoordelen of het bedrag van de aan de consument opgelegde
schadevergoeding mogelijkerwijs onevenredig hoog is, moet bij een dergelijk onderzoek
bijzonder belang worden gehecht aan de bedingen die op dezelfde tekortkoming zien. De kantonrechter verwijst naar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 10 september 2020 (ECLI:EU:C:2020:687) en de daarin genoemde rechtspraak.
4.50.
Voor bedoeld beding in artikel 20.6 geldt dat het geen kernbeding is. Niet gesteld of gebleken is, dat hierover afzonderlijk is onderhandeld. Voor het beding geldt dat het het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [huurders] als huurders aanzienlijk verstoort. Er is immers geen maximum is verbonden aan hetgeen ter zake is verschuldigd. Verder geldt dat voor dit beding nergens in de overeenkomst of de algemene voorwaarden een voordeel ter compensatie van het nadeel dat dit voor [huurders] meebrengt wordt geboden. Gelet hierop wordt in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van [huurders] aanzienlijk verstoord.
4.51.
Gelet op het voorgaande is het beding onder artikel 20.6 onredelijk bezwarend. Voor het beding geldt ten slotte dat de omstandigheid dat [verhuurder] geen nakoming daarvan vordert, niet af doet aan het onredelijk bezwarende effect ervan. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter dit beding moet vernietigen. De vordering van [huurders] op dit punt is toewijsbaar.
buitengerechtelijke kosten
4.52.
[huurders] vorderen [verhuurder] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.342,61 ter zake buitengerechtelijke kosten.
4.53.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurders] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 208,73.
in conventie en in reconventie
proceskosten
4.54.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.55.
Het vonnis zal ten aanzien van de hierin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verhuurder] te voldoen een bedrag van € 2.075,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.825,00 vanaf 9 september 2025 en over € 250,00 vanaf 10 februari 2026, telkens tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
5.2.
veroordeelt [verhuurder] om aan [huurders] te betalen een bedrag van € 1.150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
vernietigt de bepalingen uit artikel 20.6 uit de algemene bepalingen zoals die golden tussen partijen,
5.4.
veroordeelt [verhuurder] tot betaling binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, van de buitengerechtelijke kosten, ten deze vastgesteld op € 208,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling,
in conventie en in reconventie
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.