Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
22 juli 2024:
3.De beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 maart 2026;
- het proces-verbaal aanrijding misdrijf van 27 maart 2025, pagina 55 tot en met 59;
- het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse van 7 maart 2025, pagina 60 tot en met 82;
- het vertaalde medische verslag van Klinikum Darmstadt van 15 augustus 2024, pagina 44;
- het proces-verbaal rijden onder invloed van 5 december 2024, pagina 49 tot en met 52;
- het rapport Alcohol en drugs in het verkeer van 29 juli 2024, pagina 19 en 20;
- brief CBR rijbewijs ongeldig van 12 oktober 2017, pagina 5 en 6
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
3 jaren. De officier van justitie heeft de rechtbank in overweging gegeven om reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde op te leggen bij het voorwaardelijk deel van de straf.
8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk passend en legt deze op. De rechtbank zal ondanks het advies van de reclassering aan het voorwaardelijke deel reclasseringstoezicht koppelen met een verbod op drugs en alcohol als bijzondere voorwaarde. Het is algemeen bekend dat het bij langdurig overmatig alcoholgebruik heel lastig is om terug te gaan naar als normaal geaccepteerd gebruik van alcohol. De rechtbank heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de verdachte op eigen kracht zijn alcoholgebruik in de hand kan houden en acht het daarom van belang dat verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol drinkt en dat hier controle op wordt uitgeoefend.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
20 augustus 2024 tot 24 oktober 2024 in de psychiatrische kliniek. Hierna volgde er wederom een opname bij de neurologische revalidatie van 24 oktober 2024 tot 14 november 2024.
14 november 2024 gekeken naar de verschillende categorieën waarbij zo veel mogelijk aansluiting is gezocht bij de verschillende in die categorieën genoemde factoren die van belang zijn voor het bepalen van de omvang van de schade. Hierbij is de rechtbank van oordeel dat gezien de huidige informatie het meest aangesloten wordt bij categorie c III en categorie d. Aan de hand hiervan zal de rechtbank de schade (tot 14 november 2024) schatten op € 25.000,00.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten tot
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
Drugs- en alcoholverbod
- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
3 jaren;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ten aanzien van feit 1
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige deel
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 juli 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 141 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de veroordeelde is bevrijd van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
mr. M. el Jerrari, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.A.M. Tubée, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 maart 2026.