ECLI:NL:RBLIM:2026:2789

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/03/350143 / KG ZA 26-83
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing straat- en contactverbod in kort geding na incident met kinderen

In deze kortgedingprocedure vordert de vrouw een straat- en contactverbod tegen de man, met dwangsommen, naar aanleiding van een ernstig incident in februari 2026 waarbij de man de vrouw en hun kinderen opsloot en bedreigde. De man verblijft sinds dat incident in voorlopige hechtenis en ontkent de bedreigingen vanuit de PI.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het straatverbod te onbepaald is omdat de vrouw niet kan aangeven in welke opvanglocatie zij zal verblijven, terwijl een dergelijk verbod een ernstige inbreuk op de persoonlijke vrijheid vormt en daarom hoge eisen stelt. Ook is onvoldoende aannemelijk dat de man de vrouw en kinderen vanuit detentie bedreigt, en dat hij invloed heeft op familieleden die de vrouw lastigvallen.

Gelet op de omstandigheden, het ontbreken van concrete dreiging en het feit dat de man in detentie verblijft, wijst de voorzieningenrechter zowel het straat- als het contactverbod af. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het gevorderde straat- en contactverbod af wegens onvoldoende aannemelijkheid van een reële dreiging en onbepaaldheid van het straatverbod.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Zaaknummer: C/03/350143 / KG ZA 26-83
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
[de vrouw],eiseres, hierna te noemen: de vrouw,
thans verblijvend op een geheim adres,
advocaat: mr. S.X.J. Zuidema, kantoorhoudend in Heerlen,
tegen:
[de man],gedaagde, hierna te noemen: de man,
wonend in [woonplaats] ,
thans verblijvend in de Penitentiaire Inrichting (hierna: te noemen PI) [locatie PI] ,
advocaat: mr. L.W.M. Hendriks, kantoorhoudend in Maastricht.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De vrouw heeft de man gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 18 maart 2026, zijn verschenen: de vrouw in persoon, bijgestaan door mr. Zuidema, en de man in persoon, bijgestaan door mr. Hendriks.
1.2.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis verminderd, en voor het overige gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vorderingen met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten.
1.3.
De man heeft aan de hand van een tijdens de mondelinge behandeling overgelegde pleitnota verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw.
1.4.
Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
1.5.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Dit vonnis vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter.

2.De feiten

2.1.
De kinderen uit de inmiddels verbroken relatie van partijen zijn:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).
2.2.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. De vrouw is alleen belast met het gezag over [minderjarige 1] . Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 2] .
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vrouw.
2.4.
De vrouw heeft een verzoek ingediend tot onder meer beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] . Deze zaak is bekend onder zaaknummer C/03/350198 / FA RK ZA 26-496.

3.Het geschil

3.1.
Op de in de dagvaarding vermelde gronden – die ter zitting nader zijn toegelicht – vordert de vrouw na vermindering van eis om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de man zich met onmiddellijke ingang zal onthouden van het betreden van eventuele opvanglocaties waar de vrouw en de kinderen zullen verblijven, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke overtreding van dit verbod door de man, met een maximum van € 25.000,-;
II. te bepalen dat de man zich met onmiddellijke ingang zal onthouden van iedere vorm van direct of indirect contact met de vrouw en de minderjarige kinderen, zowel persoonlijk
contact, telefonisch contact, contact via sms- of WhatsApp-berichten, e-mail, sociale media,
alsmede contact via derden, waaronder familieleden, vrienden of kennissen, of in welke vorm dan ook, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor elke overtreding van dit verbod door de man met een maximum van € 25.000,-;
III. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
De man heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw en geconcludeerd tot afwijzing van die vorderingen, dan wel een beslissing te nemen in goede justitie te bepalen.
3.3.
Op de door partijen ingenomen stellingen en verweren zal de voorzieningenrechter voor zover nodig bij de beoordeling ingaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen en is overigens niet betwist. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.
De inhoudelijke beoordeling
4.2.
De vrouw heeft gesteld dat een straat- en contactverbod gerechtvaardigd is. De man kampt met een ernstige drugsverslaving en hij heeft de vrouw en de kinderen in december 2025 in de woning opgesloten. De vrouw heeft toen uit angst voor herhaling reservesleutels laten maken. In de ochtend van 3 februari 2026 is de man volledig doorgedraaid en heeft hij de vrouw en de kinderen opnieuw opgesloten in de woning en gedreigd de vrouw iets aan te doen als zij de woning zou proberen te verlaten. De man heeft vervolgens de ramen en deuren afgesloten, de gaspitten opengedraaid en zelf de woning verlaten. De vrouw is met de kinderen weten te ontkomen door de reservesleutels te gebruiken. Nog voordat de politie arriveerde is de man zelf weer de woning binnengegaan waar hij zich heeft opgesloten. Pas uren later – de politie vreesde dat de man de woning zou opblazen – is de man vervolgens uit de woning gehaald. Sindsdien verblijft de man in detentie. Ook vanuit detentie bedreigt de man de vrouw en stelt hij dat hij haar en de kinderen iets aan zal doen zodra hij vrijkomt. Op 20 maart 2026 komt de man waarschijnlijk weer op vrije voeten. De vrouw leeft dagelijks in angst en spanning. Zij voelt zich niet veilig in haar eigen woning en is voortdurend bevreesd voor hetgeen zal gebeuren als de man weer in vrijheid is gesteld.
4.3.
De man heeft een andere versie van wat zich op 3 februari 2026 heeft voorgedaan. De man heeft vanaf december 2025 epileptische aanvallen. Op 3 februari 2026 was hij doodop vanwege de insulten die hij op 26 januari 2026 had en de daaruit voortvloeiende slaaptekorten. De vrouw had gezegd dat zij met de kinderen naar de Makado zou gaan, zodat de man kon proberen een paar uur te slapen. Een paar uur later belde de politie de man en achteraf bleek deze al in de straat te staan. Dit naar aanleiding van een melding van de vrouw dat de man de gaskraan had opengedraaid en dat de man onder invloed van alcohol en drugs was. De man is op een gegeven moment naar beneden gegaan en toen bleken de huissleutels weg. Aan de binnenkant van de deur bevindt zich geen klink, zodat de man niet naar buiten kon. De man heeft geen gaskraan opengedraaid. Dit blijkt ook uit de gedane gasmetingen. Ook zijn er alcohol- en drugstesten gedaan. Er is gebleken van cannabisgebruik, hetgeen niet vreemd is, want de man probeerde juist de slaap te vatten door het roken van een joint. De man ontkent dat hij de vrouw vanuit de PI heeft bedreigd. Het telefoonnummer van de vrouw staat in de telefoon van de man, die in beslag is genomen, en alle gesprekken in de PI worden opgenomen. Over de door de vrouw gestelde bedreigingen, geeft de man aan dat hij zich schaamt voor hetgeen hij bij de politie heeft gezegd. Over zijn uitlating "Ik ruim ze allemaal op", merkt de man op dat hij dat in zijn algemeenheid heeft gezegd, nu hij 'tegen iedereen boos was' en 'van het padje af was' vanwege de insulten en de slaaptekorten. De man ontkent dat er voor de vrouw en de kinderen een reëel gevaar bestaat dat de man zijn bedreigingen ten uitvoer legt, omdat hij het beste voor hen wil en de man sinds het incident van 3 februari 2026 op het politiebureau en daarna in de PI heeft verbleven. Voor wat het spoedaspect merkt de man op dat er een strafrechtelijk gebieds- en contactverbod ligt, en de beschikking van de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen van 4 februari 2026, zodat er thans waarborgen zijn vanuit de zijde van het Openbaar Ministerie en de burgemeester. De man is van mening dat een civielrechtelijk straat- en contactverbod zeer ingrijpend is en hem te zeer beperkt in zijn vrijheid. Over de gevorderde dwangsommen stelt de man primair dat hij zich zal houden aan de uitkomst van deze procedure en subsidiair verzoekt hij de voorzieningenrechter deze bedragen te matigen.
4.4.
Zowel een straatverbod als een contactverbod is een ingrijpende maatregel die een ernstige inbreuk vormt op het recht op persoonlijke vrijheid, waaronder begrepen het recht dat iedereen heeft om zich vrij te verplaatsen, te gedragen en te communiceren. Voor het toewijzen van een straat- en contactverbod dient in elk geval een reële dreiging te bestaan van een toekomstig onrechtmatig handelen. De vraag of in dat geval een straat- en/of contactverbod noodzakelijk is moet vervolgens worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van de daarbij betrokken belangen van partijen. Er dient sprake te zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen.
4.5.
Straatverbod
Partijen verschillen van mening over wat zich op 3 februari 2026 exact tussen hen heeft afgespeeld. De man heeft gesteld dat hij zich niet alles kan herinneren en hij die dag zoals hij zelf heeft aangegeven ‘van het padje was’. Gelet hierop en op het proces-verbaal van aangifte en de verklaring van de vrouw tijdens de zitting, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat hetgeen de vrouw daarover heeft verklaard, juist is. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat zich op 3 februari 2026 in de woning van partijen een ernstig incident tussen partijen heeft afgespeeld, waarbij ook de kinderen van partijen betrokken waren.
Toch zal de voorzieningenrechter het gevorderde straatverbod afwijzen. Gebleken is dat de man naar aanleiding van dit incident is meegenomen naar het politiebureau en nog steeds in voorlopige hechtenis in de PI verblijft. Nadat de vrouw haar aanvankelijke vordering onder I. heeft verminderd door het gedeelte over de woning, de school of scholen en de werkplek te laten vervallen, ziet het gevorderde straatverbod enkel nog op eventuele opvanglocaties. De vrouw verblijft op dit moment in afwachting van de strafzaak tegen de man op een geheime locatie in het noorden van het land, maar is van plan in een vrouwenopvang te gaan verblijven. Zij weet nog niet in welke vrouwenopvang zij terecht kan en per wanneer. Zoals hiervoor al is overwogen is een straatverbod een ingrijpende maatregel die verstrekkende vrijheidsbeperkende gevolgen heeft. Die maatregel dient dan ook met hoge eisen omkleed te zijn. In dat verband is het gevorderde straatverbod dan ook te onbepaald. Adresgegevens – of in het geval van een geheime locatie in ieder geval enige gegevens over bijvoorbeeld de regio – zijn een minimaal vereiste. Daarnaast is door het beschermde en geheime karakter van een opvanglocatie bescherming al geboden. Tijdens de zitting is ook niet gebleken dat de huidige verblijfplaats van de vrouw bij de man bekend is. Bij die stand van zaken, ziet de voorzieningenrechter, mede bezien in het licht van de stellingen van de man, nu onvoldoende grond om de vordering van de vrouw tot een straatverbod toe te wijzen. Dat op 19 maart 2026 volgens de man wordt beslist of zijn voorlopige hechtenis wordt verlengd of wordt de man onder elektronisch toezicht gesteld, maakt het voorgaande niet anders.
De voorzieningenrechter zal de vordering onder I. dan ook afwijzen.
4.6.
Contactverbod
De bedreiging volgt volgens de vrouw uit de uitlating van de man die zij heeft gelezen in de beschikking van de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen van 4 februari 2026 over het huisverbod. Daarin staat vermeld dat de man heeft gezegd: “Ik ruim ze allemaal op.” De man heeft gesteld dat hij dat in zijn algemeenheid heeft gezegd en dat het betrekking had op de hele wereld. Hij was door de insulten en de slaaptekorten ‘de weg kwijt’ en had medische hulp nodig. De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw het door de man gestelde niet, althans onvoldoende, heeft weersproken en de man de uitlating van vlak na zijn arrestatie heeft gedaan toen hij niet goed in zijn vel zat. Verder neemt de voorzieningenrechterrechter in aanmerking dat is gebleken dat de man na deze uitlating vanuit de penitentiaire inrichting geen bedreigingen naar de vrouw heeft geuit, ook niet indirect. De vrouw heeft zelf tijdens de zitting aangegeven dat de bedreigingen niet afkomstig zijn van de man, maar dat zijn familie haar lastigvalt. Dat de familie in opdracht van de man zou handelen is niet gesteld en ook niet gebleken. Gelet op deze informatie, kan de voorzieningenrechter aan de man geen contactverbod opleggen in die zin dat de man zijn familie ervan zou moeten weerhouden contact te zoeken met de vrouw. Niet gebleken is immers dat hij hierop aanstuurt en evenmin dat hij hier invloed op kan uitoefenen. Dit naast het feit dat er sinds 3 februari 2026 geen contact meer tussen partijen is geweest. Nu de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van ernstig onrechtmatig handelen van de zijde van de man en van een schending van haar vrijheid en rechten, is een ingrijpende maatregel in de vorm van een contactverbod niet toewijsbaar. De voorzieningenrechter zal de vordering onder II. dan ook afwijzen.
4.7.
Proceskosten
De vrouw heeft gevorderd de man te veroordelen in de kosten van de procedure. In familierechtelijke zaken is het gebruikelijk de kosten te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken, zodat de proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt en de voorzieningenrechter de vordering onder III. zal afwijzen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het door de vrouw gevorderde af;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.N. Geerman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 18 maart 2026 en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
SV