ECLI:NL:RBLIM:2026:2767

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/03/345215 / HA ZA 25-394
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • dr. Kluin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bewijs van kwijtschelding lening tussen partijen na bedrijfsovername

De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis waarin [partij 1] B.V. een geldvordering op [partij 2] B.V. en [bedrijf 2] vordert wegens niet-nakoming van een leningsovereenkomst uit 2017.

Na verkoop van [bedrijf 1] B.V. aan [partij 2] is een lening van €350.000 verstrekt, met afspraken over aflossing en rente. In 2020 en 2021 zijn betalingsvoorwaarden aangepast. In 2024 overleed de bestuurder van [partij 1].

[Partij 2] stelt dat een schuld van €80.500 is kwijtgescholden op basis van een niet-ondertekende verklaring en gesprekken in december 2023, met een opschortende voorwaarde dat een derde de schuld zou overnemen. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende bewijs is geleverd voor deze kwijtschelding en dat de opschortende voorwaarde niet is vervuld.

De rechtbank vernietigt het verstekvonnis voor zover het tegen [partij 2] is gewezen, wijst de vordering van [partij 1] toe tot €132.000 plus rente en kosten, en veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van beide procedures.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van [partij 1] toe en veroordeelt [partij 2] tot betaling van €132.000 plus rente en kosten wegens onvoldoende bewijs van kwijtschelding.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/345215 / HA ZA 25-394
Vonnis in verzet van 8 april 2026
in de zaak van
[partij 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
oorspronkelijk eiseres, verweerster in verzet,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. R. van der Brug,
tegen
[partij 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
oorspronkelijk gedaagde,
opposante,
hierna te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. T.J.N. Hameleers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van [partij 1] met producties
- het verstekvonnis van 30 juli 2025 met zaaknummer C/03/343209 / HA ZA 25-289
- de verzetdagvaarding met producties
- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd
- de mededeling van [partij 1] dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt met het verzoek om vonnis te wijzen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij 1] was de holding van [bedrijf 1] B.V. Dit bedrijf hield zich
bezig met glasreiniging op en in de kas. De heer [persoon 1] (verder aan te halen als: “ [persoon 1] ”) was bestuurder van [partij 1] en samen met zijn echtgenote aandeelhouder in [partij 1] .
2.2.
Wegens ernstige ziekte van [persoon 1] is [bedrijf 1] in 2017 door [partij 1]
verkocht aan [partij 2] .
2.3.
In het kader van deze verkoop hebben [partij 1] en [partij 2] een aantal overeenkomsten gesloten:
De overeenkomst van 7 april 2017 tot verkoop door [partij 1] van aandelen in [bedrijf 1] aan [partij 2] voor een bedrag van € 100.000,--
De overeenkomst van 7 juni 2017 tot verkoop van machines door [partij 1] aan [partij 2] voor een bedrag van € 250.000,--
De overeenkomst van geldlening, gesloten op 7 april 2017 en ondertekend op 7 juni 2017 waarbij [partij 1] aan [partij 2] een bedrag van € 350.000,-- heeft geleend voor de koopsom van aandelen en machines
e overeenkomst tot stille verpanding van 7 juni 2017 waarbij de door [partij 2] de van [partij 1] gekochte machines aan [partij 1] worden verpand tot zekerheid voor terugbetaling van de lening.
2.4.
In de onder C genoemde overeenkomst [1] is bepaald dat de lening van [partij 1] aan [partij 2] loopt tot 1 januari 2022 en dat een bedrag van € 60.000,-- per jaar (€ 5.000,-- per maand) aan rente en aflossing wordt betaald met een slottermijn van € 150.000 op 1 januari 2022.
2.5.
Op 10 december 2020 komt [partij 1] met [partij 2] en [bedrijf 2] overeen dat met ingang van januari 2021 het maandelijkse bedrag aan aflossing en rente tijdelijk wordt verlaagd naar € 2.500,-- per maand.
2.6.
Op een later moment komt [partij 1] met [partij 2] en [bedrijf 2] overeen dat het maandelijkse bedrag aan aflossing en rente ter hoogte van € 2.500,-- doorloopt tot 31 december 2022. De dan resterende restsom van € 152.500,- wordt dan vanaf 01-01-2023 afbetaald in 61 termijnen van € 2500,- zonder dat over die restsom nog rente is verschuldigd [2] .
2.7.
In september 2024 is de heer [persoon 1] , bestuurder/aandeelhouder van [partij 1] , overleden.
2.8.
Bij brief van 17 januari 2025 heeft de advocaat van [partij 1] zowel [partij 2] als [bedrijf 2] aangeschreven dat de aflossing van de geldleningsovereenkomst niet deugdelijk wordt nagekomen omdat maandelijks te weinig of helemaal niets werd afgelost. In deze brief wordt aanspraak gemaakt op betaling ineens van het nog af te lossen bedrag ter hoogte van € 135.000,--
2.9.
Op 31 januari 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de advocaat van [partij 1] en de heer [persoon 2] namens [bedrijf 2] . In dat gesprek heeft [bedrijf 2] zich beroepen op een kwijtschelding van € 80.500,-- die de heer [persoon 1] namens [partij 1] zou zijn overeengekomen zoals opgenomen in een niet ondertekende schriftelijke verklaring van de heer [persoon 1] van juli 2024 [3] . Bij brief van 20 maart 2025 heeft ook [partij 2] zich onder verwijzing naar dezelfde niet ondertekende verklaring op het standpunt gesteld dat de kwijtschelding in december 2023 zou zijn overeengekomen maar vanwege het overlijden van de heer [persoon 1] nog niet zou zijn ondertekend.

3.Het geschil

3.1.
[partij 1] heeft haar vordering tijdens de mondelinge behandeling verminderd met een bedrag van € 3.000,-- vanwege in april tot en met juni 2024 ontvangen betalingen. Met inachtneming hiervan vordert zij:
[partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [partij 1] een bedrag te betalen ter hoogte van € 132.000,--,
Voor recht te verklaren dat [partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [partij 1] geleden en te lijden schade,
[partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 2.954,22 aan schadevergoeding,
[partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [partij 1] van de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2023, althans vanaf 1 februari 2025, althans vanaf de dag van de dagvaarding,
[partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [partij 1] van € 2.125,-- aan buitengerechtelijke kosten,
[partij 2] en [bedrijf 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
In het verstekvonnis zijn de vorderingen van [partij 1] toegewezen met uitzondering van de vordering onder 3 tot betaling van schadevergoeding.
3.3.
[partij 2] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [partij 1] alsnog worden afgewezen, althans dat de vordering wordt beperkt tot het bedrag dat wordt genoemd in de kwijtschelding van schuld (€ 60.000,--) te verminderen met de aflossingen die sindsdien hebben plaatsgevonden, met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de geldlening van [partij 1] aan [partij 2] van april 2017 nog niet geheel is afgelost. De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn dat [partij 1] bij haar initiële vordering geen rekening had gehouden met aflossingen in de periode van april tot en met juni 2024 tot een bedrag van € 3.000,--. [partij 1] heeft ook te kennen gegeven haar vordering met dit bedrag te verminderen.
4.3.
Het geschil tussen partijen wordt beheerst door de vraag of [partij 1] , zoals [partij 2] beweert, de schuld voor een bedrag van € 80.500,--, heeft kwijtgescholden waarmee de restantschuld zou zijn verlaagd naar € 60.000,-- en wie voor die restantschuld aansprakelijk is.
4.4.
[partij 1] heeft gemotiveerd betwist dat de gestelde kwijtschelding is overeengekomen. [partij 2] heeft dan, als de partij die een beroep doet op de rechtsgevolgen van de kwijtschelding, de stelplicht en bewijslast van die kwijtschelding.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 2] onvoldoende feiten heeft gesteld en onderbouwd om vast te kunnen stellen dat [partij 1] de schuld voor een bedrag van € 80.500,-- heeft kwijtgescholden. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
4.6.
Duidelijk is dat in of omstreeks december 2023 besprekingen hebben plaatsgevonden over de schuld van [partij 2] en [bedrijf 2] aan [partij 1] . Bij die besprekingen waren aanwezig de heer [persoon 1] (bestuurder van [partij 1] ) en de heren [persoon 2] (bestuurder van [partij 2] ) en diens zoon [persoon 3] . Bij het tweede gesprek was ook de heer [persoon 4] (zoon van [persoon 1] ) aanwezig.
Duidelijk is ook dat tijdens deze besprekingen is gesproken over een gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld aan [partij 1] . Volgens [partij 2] is besproken dat [persoon 3] het bedrijf [bedrijf 2] en de schuld zou overnemen en dat de op dat moment resterende schuld zou worden kwijtgescholden tot een bedrag van € 80.500,- waardoor de restschuld nog € 60.000,-- zou bedragen.
4.7.
De heer [persoon 2] (bestuurder van [partij 2] ) heeft tijdens de zitting verklaard dat in het gesprek met de heer [persoon 1] is afgesproken dat de accountant van [bedrijf 2] de kwijtschelding zou uitwerken. Het gaat daarbij volgens [partij 2] om de “kwijtschelding van schuld” zoals door haar als productie 5 is overgelegd.
4.8.
De betreffende productie levert echter geen bewijs op van de stelling dat [partij 2] is bevrijd van haar betalingsverplichting en/of de schuld van [partij 2] aan [partij 1] gedeeltelijk is kwijtgescholden. Bij deze productie zijn namelijk twee verschillende versies van “kwijtschelding van een schuld” overgelegd (die geen van beide zijn ondertekend) zodat niet duidelijk is welke versie zou zijn overeengekomen. De versie met de extra opschortende voorwaarde dat de heer [persoon 3] dan wel een namens hem opgerichte vennootschap de schuldvordering inclusief verpanding overneemt, komt wel overeen met de door [partij 2] gestelde afspraak in december 2023.
4.9.
Zelfs wanneer kan worden vastgesteld dat de hiervoor bedoelde afspraak is gemaakt dan kan een beroep erop [partij 2] niet baten. Er is namelijk niet gesteld en gebleken dat is voldaan aan de opschortende voorwaarde dat [persoon 3] de schuld van [partij 2] onder gelijke voorwaarden inclusief verpanding overneemt. Een dergelijke verklaring van [persoon 3] ontbreekt.
Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan de opschortende voorwaarde van de kwijtschelding met als gevolg dat (nog) geen kwijtschelding kan hebben plaatsgevonden. Om die reden zal de rechtbank het bewijsaanbod van [partij 2] dat ziet op de gemaakte afspraak over kwijtschelding passeren.
4.10.
Het verweer van [partij 2] dat zij niet meer aansprakelijk is voor de schuld aan [partij 1] of maar voor een gedeelte, kan gelet op het voorgaande dan ook niet slagen.
4.11.
De rechtbank acht de verminderde vordering tegen [partij 2] toewijsbaar. Vanwege deze vermindering zal de rechtbank het tegen [partij 2] gewezen verstekvonnis vernietigen en opnieuw beslissen zoals hierna aan te geven.
4.12.
Omdat het verzet van [partij 2] grotendeels ongegrond is, zal [partij 2] worden veroordeeld in de proceskosten van dit verzet aan de zijde van [partij 1] begroot op een bedrag van € 1.929,-- aan salaris voor de advocaat (1 punt maal € 1.929,-- ) en de proceskosten van de verstekprocedure.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 30 juli met zaaknummer C/03/343209 / HA ZA 25-289 voor zover gericht tegen [partij 2] en ten aanzien van [partij 2] opnieuw rechtdoende:
5.2.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk (naast [bedrijf 2] ) om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 132.000,-- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover met ingang van 1 januari 2023,
5.3.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk (naast [bedrijf 2] ) om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 2.125,-- aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk (naast [bedrijf 2] ) in de proceskosten van de verstekprocedure aan de zijde van [partij 1] gevallen en aan die zijde begroot op € 9.087,40,
5.5.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van deze verzetprocedure begroot op € 1.929,--, te vermeerderen met € 92,00 plus kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 4 zijdens [partij 1]
2.Productie 7 zijdens [partij 1]
3.Productie 10 zijdens [partij 1]