ECLI:NL:RBLIM:2026:2718

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11929720 \ CV EXPL 25-4471
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:225 BWArt. 6:96 BWArt. 6:233 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand met betalingsregeling en ontruiming

Woonwenz verhuurt sinds 2017 een woning aan [huurder], die een huurachterstand heeft opgebouwd van € 5.591,05 tot en met maart 2026. Eerder was al een achterstand vastgesteld en veroordeeld tot betaling. [huurder] woont alleen met twee minderjarige kinderen en erkent de achterstand, maar wenst een betalingsregeling om in de woning te kunnen blijven.

De kantonrechter weegt het woonbelang van de huurder en haar kinderen mee, mede gelet op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Gezien de omstandigheden, waaronder de toeslagenaffaire en echtscheiding, wordt een laatste kans geboden via een voorwaardelijke ontbinding met een strikte betalingsregeling van minimaal € 300 per maand plus de lopende huur.

Indien de regeling niet wordt nagekomen, kan Woonwenz ontruiming vorderen met een redelijke termijn van één maand. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens een onredelijk bezwarend beding. [huurder] wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, lopende huur, proceskosten en ontruiming bij niet-nakoming. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden met een betalingsregeling en ontruimingstermijn van één maand bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11929720 \ CV EXPL 25-4471
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: Zuyd Groep,
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het mondelinge antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de e-mail van 9 maart 2026 van Woonwenz met een overzicht waaruit volgens haar de
actuele huurachterstand blijkt,
- de e-mail van 11 maart 2026 van Woonwenz waarbij gevoegd is een afschrift van de
melding voor gemeente Venlo (vroegsignalering van 28 augustus 2025),
- de e-mail van 16 maart 2026 van [huurder] met een aanvullende toelichting,
- de e-mail van 16 maart 2026 van Woonwenz waarbij gevoegd is een brief van de gemeente
Venlo d.d. 25 februari 2026,
- de e-mail van 16 maart 2026 met daarin de correspondentie tussen [huurder] en de
gemeente Venlo ,
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woonwenz verhuurt met ingang van 28 maart 2017 aan [huurder] de woning aan het [adres] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 984,48 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
Bij vonnis van de kantonrechter van 22 januari 2025 zijn [huurder] en haar toenmalige echtgenoot hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.072,86 ter zake van een destijds bestaande huurachterstand.
2.3.
[huurder] woont thans alleen in het gehuurde met haar twee minderjarige kinderen van drie en tien jaar oud.
2.4.
[huurder] heeft (een deel van) de huur wederom niet betaald. Er is sprake van een huurachterstand.
2.5.
Woonwenz heeft [huurder] op 28 augustus 2025 bij de gemeente Venlo aangemeld in het kader van vroegsignalering.
2.6.
Woonwenz heeft [huurder] op 25 september 2025 aangemaand om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.
2.7.
Vervolgens heeft Woonwenz een dagvaarding uitgebracht tegen [huurder] om deze procedure te starten. Ten tijde van de dagvaarding (14 oktober 2025) bedroeg de huurachterstand € 2.602,92.
2.8.
Woonwenz heeft op 9 maart 2026 een actueel overzicht van de huurachterstand naar de rechtbank gestuurd, waaruit blijkt dat de huurachterstand inmiddels nog verder is opgelopen tot een bedrag van € 5.591,05 (berekend tot en met maart 2026).

3.Het geschil

3.1.
Woonwenz voert aan dat [huurder] een huurachterstand heeft laten ontstaan van meer dan drie maanden. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt volgens Woonwenz ontbinding van de huurovereenkomst. Zij vordert daarom, samengevat:
- ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde;
- veroordeling tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke kosten;
- veroordeling tot betaling van de (toekomstige) huur/gebruiksvergoeding tot aan het
moment van ontruiming;
- veroordeling tot vergoeding van rente en proceskosten.
3.2.
[huurder] erkent de ontstane huurachterstand, maar voert aan een betalingsregeling te willen treffen zodat zij in de woning kan blijven.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Regeling met voorwaardelijke ontbinding en ontruiming
4.1.
Bij de mondelinge behandeling van 17 maart 2026 is met partijen de huurachterstand besproken. Vaststaat dat de huurachterstand tot en met maart 2026 is opgelopen tot een bedrag van € 5.591,05, hetgeen neerkomt op een achterstand van ruim vijf maanden. [huurder] heeft aangevoerd dat zij sinds 2016 wordt geconfronteerd met de gevolgen van de toeslagenaffaire en dat deze omstandigheden van invloed zijn geweest op het ontstaan en voortduren van de huurachterstand. Zij wordt hiervoor ondersteund door een stichting die haar helpt bij het aanvragen van een schadevergoeding. Daar komt bij dat zij in een echtscheiding zit, waardoor ook schulden ontstaan. [huurder] heeft inmiddels contact met de gemeente Venlo in het kader van hulpverlening. Zij heeft zich ook bereid verklaard tot het laten instellen van budgetbeheer dan wel bewind. [huurder] wil graag een laatste kans om een regeling te treffen voor de huurachterstand. Woonwenz heeft aangegeven onder strikte voorwaarden te kunnen instemmen met een regeling.
4.2.
De kantonrechter ziet, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, aanleiding om de regeling van partijen vast te leggen in dit vonnis. Daarbij wordt uitdrukkelijk benadrukt dat aan [huurder] hiermee een allerlaatste kans wordt geboden om haar huurverplichtingen na te komen.
4.3.
De regeling tussen partijen houdt in dat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde slechts voorwaardelijk wordt uitgesproken, namelijk dat Woonwenz daartoe pas kan overgaan als [huurder] zich niet houdt aan de volgende afspraken:
[huurder] is voor achterstallige huur tot en met maart 2026 nog een bedrag van € 5.591,05 verschuldigd. [huurder] zal dit bedrag plus de bijkomende proceskosten ad € 1.292,93 (zie rechtsoverweging 4.10.) in termijnen aflossen.
Ter aflossing van de huurachterstand en de proceskosten zal [huurder] ingaande april 2026 telkens uiterlijk op de 7e van iedere maand een bedrag betalen van minimaal € 300,00 per maand.
De lopende huur van thans € 984,48 per maand wordt door [huurder] stipt betaald en telkens uiterlijk op de 7e van iedere maand voldaan, beginnend met de huur over april, welke uiterlijk op 7 april 2026 dient te zijn voldaan.
[huurder] dient budgetbeheer uiterlijk op 17 mei 2026 opgestart te hebben.
De beoogde budgetbeheerder dient uiterlijk op 17 juni 2026 contact te hebben opgenomen met Woonwenz om nadere afspraken te maken over de aflossing van de huurachterstand, waaronder de mogelijkheid tot een aflossing van meer dan
€ 300,00 per maand. In ieder geval blijft de aflossing minimaal € 300,00 per maand.
Indien [huurder] een uitkering ontvangt als schadevergoeding in het kader van de toeslagenaffaire, dient de beoogde budgetbeheerder contact op te nemen met Woonwenz om de mogelijkheden van een eventuele extra aflossing van de huurachterstand te bespreken. Daarbij is uitgangspunt dat als de schadevergoeding ziet op de huurachterstand of bijkomende kosten die verband houden met de huurachterstand, dat deel van de schadevergoeding zal worden ingezet voor de aflossing aan Woonwenz.
Als [huurder] deze regeling nakomt, zal Woonwenz niet overgaan tot
tenuitvoerlegging van dit vonnis.
Dit vonnis is drie jaar geldig. Dat houdt in dat dit vonnis (inclusief ontruiming van het gehuurde) in ieder geval drie jaar lang ten uitvoer gelegd kan worden als [huurder] in die periode de regeling niet zou nakomen.
Ontbinding en ontruiming als [huurder] zich niet aan de betalingsregeling houdt of tijdens de aflosperiode de huur niet op tijd betaalt
4.4.
De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Bij de ontbinding van een huurovereenkomst weegt de kantonrechter de ernst van de wanprestatie (tekortkoming) ook af tegen het woonbelang van de huurder. [1]
4.5.
Het woonbelang van [huurder] is evident. Zij heeft een groot belang bij behoud van het gehuurde, aangezien een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in dit geval niet alleen negatieve gevolgen voor haar zouden hebben, maar ook voor haar twee minderjarige kinderen in de leeftijd van drie en tien jaar, waarvoor zij als alleenstaande moeder de zorg heeft. De belangen van minderjarige kinderen wegen op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zwaar mee in de afweging of tot ontruiming moet worden overgegaan. [2] Dat betekent overigens niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden, maar de belangen van de kinderen worden in de belangenafweging wel meegewogen. In dit geval heeft [huurder] alleen de zorg voor haar minderjarige kinderen en zal het voor haar moeilijk zo niet onmogelijk zijn om vervangende woonruimte te vinden, mede ook gelet op haar financiële situatie. De minderjarige kinderen hebben belang bij een rustige en stabiele thuisbasis.
4.6.
Gelet op alle omstandigheden in deze zaak wordt de huurovereenkomst voorwaardelijk ontbonden. Als [huurder] zich aan de regeling houdt en de lopende huur betaalt, blijft de huurovereenkomst dus bestaan.
4.7.
Als de huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [huurder] de aflossing en/of de lopende huur niet op tijd betaalt, moet zij het gehuurde met de kinderen en met al haar spullen verlaten. Gezien het feit dat bij deze zaak minderjarige kinderen betrokken zijn, zal een redelijke ontruimingstermijn van één maand gehanteerd moeten worden. Vanaf de dag van ontbinding tot en met de dag van de ontruiming moet [huurder] dan een
gebruiksvergoeding van € 984,48 betalen. [3]
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
Woonwenz vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
4.9.
De overeenkomst bevat een incassokostenbeding (artikel 13.2 Algemene Huurvoorwaarden Huurovereenkomsten Woonwenz). Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [huurder] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, meer specifiek artikel 6:96 lid 6 BW Pro die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. Woonwenz kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.292,93
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonwenz dat eist en [huurder] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd als [huurder] de afgesproken regeling niet nakomt, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. Verder heeft Woonwenz belang bij uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis, omdat dit de derde keer is dat een procedure is gevoerd tussen Woonwenz en [huurder] over de huurachterstand. Als de regeling tussen partijen niet wordt nagekomen, hoeft niet van Woonwenz verwacht te worden dat zij binnen korte tijd (in ieder geval in de drie jaar na dit vonnis die partijen hebben afgesproken; zie overweging 4.3 hiervoor) nog een vierde keer een procedure moet starten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
ontbindt,
voorwaardelijk, enkel voor het geval de hiervoor onder 4.3. genoemde afspraken niet worden nagekomen,de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] , en veroordeelt [huurder] ,
voorwaardelijk enkel voor het geval de hiervoor onder 4.3. genoemde afspraken niet worden nagekomen,het gehuurde binnen één maand na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van haar kant in het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonwenz te stellen,
5.2.
veroordeelt [huurder] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Woonwenz te betalen een bedrag van € 2.602,92, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling aan Woonwenz van € 984,48 per maand vanaf
1 oktober 2025 - aan huur dan wel - indien en voor zover de voorwaarde voor de ontbinding effect sorteert - gebruiksvergoeding tot het tijdstip van een eventuele ontruiming,
5.4.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.292,93, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro
3.Artikel 7:225 BW Pro