Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg om het bezwaar van een persoon tegen een omgevingsvergunning niet-ontvankelijk te verklaren. Verzoeker 1 is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, wat een formeel connexiteitsvereiste is.
Verzoeker 2 heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingediend, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat hij geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. De afstand tot de bedrijfslocatie is ongeveer 978 meter en de milieugevolgen zoals geur, geluid en luchtkwaliteit zijn volgens het college niet waarneembaar of verwaarloosbaar op de locatie van verzoeker 2. Ook de mogelijke verspreiding van asbestvezels is volgens het college geborgd door vergunningvoorschriften.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college en concludeert dat verzoeker 2 onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep van verzoeker 2 geen redelijke kans van slagen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.