ECLI:NL:RBLIM:2026:2668

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/477
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8:81 AwbArt. 3:4 lid 2 AwbArt. 16.1 bestemmingsplanArt. 16.2.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor vervangende woning in Roermond

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan vergunninghoudster heeft verleend voor het bouwen van een vervangende woning op een perceel in Roermond. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en of er sprake is van een spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan niet in strijd is met de gebruiks- en bouwregels van het omgevingsplan. Hoewel de woning een hogere goot- en bouwhoogte heeft dan toegestaan, is dit een beperkte afwijking die niet leidt tot onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende perceel van verzoeker. Het begrip herbouw wordt ruim uitgelegd als 'opnieuw bouwen', wat hier van toepassing is.

Verder is het bebouwingspercentage binnen de toegestane grenzen en is het motiveringsgebrek van het college omtrent artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan onvoldoende om een voorlopige voorziening te treffen. Gezien de bouwplanning en de duur van de bezwaarprocedure is er wel een spoedeisend belang, maar dit weegt niet op tegen de overige overwegingen. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van een vervangende woning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: ROE 26/477

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Roermond, verzoeker,

(gemachtigde: mr. H.M.A. IJland),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, het college,
(gemachtigden: mr. N.M.N.L. Janssen en W.P.A. Konings).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] , te Roermond, vergunninghoudster
(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een vervangende woning aan de [adres] in Roermond (hierna: het bouwplan). Verzoeker is het niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar van verzoeker tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 15 december 2025 heeft het college aan vergunninghoudster de omgevingsvergunning verleend. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Het college heeft op het verzoek met een verweerschrift gereageerd. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker via digitale beeldverbinding, de gemachtigde van verzoeker en een kantoorgenoot, de gemachtigden van het college, vergunninghoudster, de echtgenoot van vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.
6. Op zitting heeft verzoeker de gronden die zien op strijdigheid met het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan ten aanzien van de dubbelbestemming archeologie en het uitbreiden van het hoofdgebouw ingetrokken. Dat maakt dan ook geen onderdeel meer uit van het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Op 17 juli 2025 heeft vergunninghoudster een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwplan ingediend. De bestaande woning op de onderhavige locatie wordt gesloopt en met deze aanvraag wordt een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van een nieuwe vrijstaande woning.
8. Verzoeker woont op het naastgelegen perceel aan [adres] in Roermond.
9. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow), te weten een bouwactiviteit (omgevingsplan) en een omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de regels in het omgevingsplan.
Spoedeisend belang
10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak – in dit geval een beslissing op het bezwaar – niet kan worden afgewacht.
10.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat vergunninghoudster al werkzaamheden uitvoert ter voorbereiding op de realisatie van het bouwplan en dat volgens de bouwplanning op zeer korte termijn met de bouwwerkzaamheden zal worden aangevangen. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij niet eerst de uitkomst van de beslissing op bezwaar zal afwachten. Op zitting heeft het college aangegeven dat de hoorzitting op
28 april 2026 staat gepland. Naar verwachting zal pas eind mei/begin juni een beslissing op bezwaar worden genomen. Gelet op de duur van de bezwaarprocedure en het feit dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de woning, gelet op het bouwproces, al voor een niet onaanzienlijk deel gebouwd zal zijn gelet op de prefab bouwsystematiek die wordt gebruikt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
Toetsingskader
11. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet beschikt elke gemeente [1] automatisch (van rechtswege) over een omgevingsplan [2] met regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ten tijde van het bestreden besluit bestond het omgevingsplan uit een tijdelijk deel [3] , waarin onder meer alle bestemmingsplannen waren opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
12. Op de onderhavige locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Roer en Hambeek’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt vanaf 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op deze locatie gelden de bestemmingen ‘Woongebied’ en “Waarde-Archeologie’. Daarnaast gelden de maatvoeringen: ‘Maximum goothoogte (m): 5’ en ‘Maximum bouwhoogte (m): 8’. Uit het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag in strijd met artikel 16.2.2, sub d, van het bestemmingsplan is, omdat de woning een hogere goothoogte (5,579 meter) en bouwhoogte (8,77 meter) heeft dan volgens de maatvoeringen zoals weergegeven op de verbeelding is toegestaan.
13. Een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [4] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Concreet betekent dit dat voor toepassing van artikel 30.1, sub a, van het bestemmingsplan aan artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan, waarin de voorwaarde is opgenomen voor het verlenen van de omgevingsvergunning, getoetst moet worden.
Strijd met het bestemmingsplan: ontbreken bouwvlak en geen sprake van herbouw
14. Verzoeker voert aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 16.1, sub b, van het bestemmingsplan en artikel 16.2.2, sub a, van het bestemmingsplan, omdat de aanduiding bouwvlak op onderhavig perceel ontbreekt. Er mag alleen op de aanduiding bouwvlak worden gebouwd. Ook is geen sprake van herbouw, omdat - kort gezegd - volgens verzoekers het begrip herbouw beperkt moet worden uitgelegd en in ieder geval geldt dat van herbouw slechts sprake is als de maatvoering beperkt blijft tot de maatvoering van de gesloopte bebouwing. [5] Er mag dus geen grotere en anders gesitueerde woning worden gebouwd.
14.1.
In artikel 16.1 van het bestemmingsplan staat dat de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden bestemd zijn voor onder andere woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen (sub a) en één woning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' (sub b).
14.2.
In artikel 16.2.2, sub a, van het bestemmingsplan staat dat ten aanzien van het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen en/of het toevoegen van nieuwe woningen binnen deze bestemming niet is toegestaan, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en behoudens herbouw en het bepaalde in 16.2.2 onder b, waarbij de bouwregels zoals opgenomen in dit artikel van toepassing zijn.
14.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de opvatting van verzoeker dat voor herbouw (of bouw) van een woning een bouwvlak op het perceel is vereist niet juist is. In artikel 16.1, sub a, van het bestemmingsplan staat dat de gronden met de bestemming ‘Woongebied’ voor woningen bestemd zijn. Dit is in het geval van vergunninghoudster van toepassing. Het in artikel 16.1, sub b, van het bestemmingsplan opgenomen gebruik, namelijk dat het perceel bestemd is voor één woning, is hier niet van toepassing, omdat de aanduiding bouwvlak op het perceel in kwestie ontbreekt. Het ontbreken van die aanduiding betekent echter niet dat daarmee het gebruik van het perceel zodanig beperkt wordt dat het perceel niet meer bestemd zou zijn voor woningen. Of en in hoeverre er een woning daadwerkelijk gebouwd of herbouwd mag worden, wordt niet bepaald in artikel 16.1 van het bestemmingsplan. Die planregel is immers een gebruiksregel en geen bouwregel. Het voorgaande betekent dat het bouwplan in overeenstemming met de gebruiksregels van het bestemmingsplan, meer specifiek artikel 16.1, is.
14.4.
Vervolgens is dus de vraag of het bouwplan ook in overeenstemming met de bouwregels is. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat in artikel 16.2.2, sub a, van het bestemmingsplan twee uitzonderingen op het verbod op het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen (zoals een woning) zijn opgenomen, namelijk (1) als sprake is van de aanduiding bouwvlak en (2) als sprake is van herbouw. Partijen waren het hier op zitting ook over eens. Er is geen aanduiding bouwvlak op het perceel in kwestie, dus is het de vraag of sprake is van herbouw.
14.5.
Tussen partijen bestaat een verschil over de interpretatie van wat er onder herbouw wordt verstaan of kan worden verstaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat herbouw niet in het bestemmingsplan is gedefinieerd. Gelet hierop moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling voor de uitleg van dit begrip aansluiting worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. In Van Dale wordt het begrip herbouw gedefinieerd als ‘opnieuw bouwen’. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bouwplan onder dit begrip valt. Er wordt immers opnieuw een woning gebouwd op het perceel. Dat de planwetgever bij het vaststellen van het bestemmingsplan een andere, meer beperkte, uitleg voor ogen had, volgt niet uit het bestemmingsplan. Als er bijvoorbeeld volgens de planwetgever slechts sprake zou zijn van herbouw als de woning dezelfde of nagenoeg gelijke oppervlakte zou hebben, dan had de planwetgever dit ofwel opgenomen in de planregel ofwel het begrip herbouw gedefinieerd zoals bijvoorbeeld het geval was in de jurisprudentie waar verzoeker naar verwijst. Voor de dubbelbestemming archeologie (artikel 19.2 onder a, van het bestemmingsplan) en voor herbouw in het kader van het overgangsrecht (artikel 34.1.1, onder b van het bestemmingsplan) heeft de planwetgever in het bestemmingsplan bovendien wel beperkingen op het begrip herbouw in het bestemmingsplan opgenomen. Die zijn hier echter niet van toepassing. De voorzieningenrechter gaat dan ook ervan uit dat het bestemmingsplan in dit geval zodanig uitgelegd moet worden dat door verzoeker voorgestane beperkingen aan wat onder het opnieuw bouwen moet worden verstaan zoals de reden voor herbouw, de omvang van de woning en de plaats daarvan, niet uit artikel 16.2.2, sub a, van het bestemmingsplan volgen. Het college heeft dan ook het bouwplan mogen opvatten als herbouw van een hoofdgebouw/woning en daarmee is het bouwplan dus in lijn met het bestemmingsplan.
Strijd met het bestemmingsplan: bebouwingspercentage
15. Verzoeker stelt verder dat het totale bebouwingspercentage 44,36 % is en dat dit in strijd is met artikel 16.2.3, sub c, van het bestemmingsplan in samenhang met artikel 16.2.1, sub b, onder 4, van het bestemmingsplan. In artikel 16.2.1, sub b, onder 4, van het bestemmingsplan staat namelijk dat ten aanzien van het bouwen geldt dat het toegestane bebouwingspercentage bij bouwpercelen met een oppervlak van meer dan 600 m² maximaal 40 % bedraagt.
15.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de totale oppervlakte van het perceel 1348 m² is. Voorts is op zitting komen vast te staan dat de totale bebouwingsoppervlakte aan bouwwerken na realisatie van het bouwplan met inbegrip van eveneens op het perceel voorziene vergunningvrije bijgebouwen 237 m² is. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake is van strijd met artikel 16.2.1, sub b, onder 4, van het bestemmingsplan. Immers, die 40% wordt lang niet gehaald.
Onevenredige afbreuk gebruiksmogelijkheden perceel verzoeker
16. Verzoeker voert ten slotte aan dat het college bij het toepassen van artikel 30.1, sub b, van het bestemmingsplan ook aan artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan moet toetsen. Volgens verzoeker wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan, omdat met het verlenen van de omgevingsvergunning een onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken wordt gedaan. In dit geval ervaart verzoeker als eigenaar van het aangrenzend perceel verlies van uitzicht, lichtinval, woongenot en privacy. Deze nadelige gevolgen zouden niet optreden bij een bouwplan dat binnen de kaders van het tijdelijk deel van het omgevingsplan past. De omgevingsvergunning is in strijd met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning is ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 lid 2 Awb Pro). Daarbij voert verzoeker ook aan dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en dat besluit is dan ook onzorgvuldig voorbereid.
16.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college met toepassing van artikel 30.1, sub a, van het bestemmingsplan een vergunning voor het bouwplan heeft verleend. Daarin staat dat het college met een omgevingsvergunning kan afwijken van de regels voor het afwijken van de maatvoering (exclusief percentages) met ten hoogste 15%.
16.2.
In artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan is bepaald dat de in artikel 30.1 van het bestemmingsplan genoemde vergunning slechts mag worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
16.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat voorafgaand aan de vergunningverlening op het onderhavige perceel een vrijstaande woning stond en na de sloop daarvan weer een vrijstaande woning wordt gebouwd, waarbij de vergunde woning een groter oppervlakte heeft dan de gesloopte woning. De afwijking van het bestemmingsplan ziet echter enkel op de goot-en bouwhoogte van de woning. De vergunde woning is wat hoger dan de gesloopte woning. De nieuwe goot-en bouwhoogte zijn ook hoger dan wat in het bestemmingsplan is toegestaan, maar deze afwijking is slechts beperkt in die zin dat de goothoogte van de vergunde woning 0,578 meter en de bouwhoogte 0,808 meter hoger is dan wat in het bestemmingsplan is toegestaan. Niet is gebleken dat met deze beperkte afwijking van de goot-en bouwhoogte onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken van verzoeker. Dat de vergunde woning een grotere oppervlakte dan de gesloopte woning heeft en dit nadelige gevolgen met zich mee zou brengen, hoeft het college bij de beoordeling van artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan niet te betrekken. De afwijking met het bestemmingsplan ziet immers enkel op de goot-en bouwhoogte van de woning.
16.4.
Wel stelt de voorzieningenrechter vast dat het college artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan en zijn afweging daaromtrent niet in het bestreden besluit heeft genoemd en dus ook niet blijkt dat het college daaraan heeft getoetst. Dit betreft echter een motiveringsgebrek dat het college in de beslissing op bezwaar kan herstellen en dus levert dat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening op.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 20 maart 2026
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 20 maart 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet omgevingswet.
2.Als bedoeld in artikel 2.4, van de Ow.
3.Als bedoeld in artikel 22.1, van de Ow.
4.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van