10.1.De voorzieningenrechter overweegt dat vergunninghoudster al werkzaamheden uitvoert ter voorbereiding op de realisatie van het bouwplan en dat volgens de bouwplanning op zeer korte termijn met de bouwwerkzaamheden zal worden aangevangen. Vergunninghoudster heeft aangegeven dat zij niet eerst de uitkomst van de beslissing op bezwaar zal afwachten. Op zitting heeft het college aangegeven dat de hoorzitting op
28 april 2026 staat gepland. Naar verwachting zal pas eind mei/begin juni een beslissing op bezwaar worden genomen. Gelet op de duur van de bezwaarprocedure en het feit dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de woning, gelet op het bouwproces, al voor een niet onaanzienlijk deel gebouwd zal zijn gelet op de prefab bouwsystematiek die wordt gebruikt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit.
11. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet beschikt elke gemeenteautomatisch (van rechtswege) over een omgevingsplanmet regels over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ten tijde van het bestreden besluit bestond het omgevingsplan uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen waren opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
12. Op de onderhavige locatie was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Roer en Hambeek’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Het bestemmingsplan maakt vanaf 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op deze locatie gelden de bestemmingen ‘Woongebied’ en “Waarde-Archeologie’. Daarnaast gelden de maatvoeringen: ‘Maximum goothoogte (m): 5’ en ‘Maximum bouwhoogte (m): 8’. Uit het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag in strijd met artikel 16.2.2, sub d, van het bestemmingsplan is, omdat de woning een hogere goothoogte (5,579 meter) en bouwhoogte (8,77 meter) heeft dan volgens de maatvoeringen zoals weergegeven op de verbeelding is toegestaan.
13. Een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd.Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit beoordeelt. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Concreet betekent dit dat voor toepassing van artikel 30.1, sub a, van het bestemmingsplan aan artikel 30.2.2 van het bestemmingsplan, waarin de voorwaarde is opgenomen voor het verlenen van de omgevingsvergunning, getoetst moet worden.
Strijd met het bestemmingsplan: ontbreken bouwvlak en geen sprake van herbouw
14. Verzoeker voert aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 16.1, sub b, van het bestemmingsplan en artikel 16.2.2, sub a, van het bestemmingsplan, omdat de aanduiding bouwvlak op onderhavig perceel ontbreekt. Er mag alleen op de aanduiding bouwvlak worden gebouwd. Ook is geen sprake van herbouw, omdat - kort gezegd - volgens verzoekers het begrip herbouw beperkt moet worden uitgelegd en in ieder geval geldt dat van herbouw slechts sprake is als de maatvoering beperkt blijft tot de maatvoering van de gesloopte bebouwing.Er mag dus geen grotere en anders gesitueerde woning worden gebouwd.