Art. 18 Wetboek van KoophandelArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 140 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoofdelijke aansprakelijkheid vennoten vof voor niet-betaalde factuur en incassokosten
Eiseres, Prime Time Television B.V., vordert betaling van een factuur van €6.140,75 inclusief btw en wettelijke handelsrente van vennoten van een vennootschap onder firma (vof). De overeenkomst betrof het maken en uitzenden van een bedrijfsopname. Gedaagden betwisten de rechtsgeldigheid van de overeenkomst en voeren diverse verweren aan, waaronder het ontbreken van handtekeningen van beide vennoten en onduidelijkheid over de wederpartij.
De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst digitaal is ondertekend door één vennoot en dat interne afspraken tussen vennoten geen derdenwerking hebben. Op grond van artikel 18 WetboekPro van Koophandel zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van de vof. Het verweer dat de overeenkomst tijdig is geannuleerd faalt, omdat de annulering pas na twee maanden schriftelijk is gedaan.
De rechtbank wijst de vordering van eiseres toe, inclusief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €682,04 en proceskosten van €1.557,76. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Vennoten vof worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van factuur, handelsrente, incassokosten en proceskosten.
te [plaats 1] , 2. [gedaagde 2], vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats 2] , 3. [gedaagde 3] ,(voorheen) vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats 3] ,
gedaagde partij,
gedaagde sub 2 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 1,
gedaagde sub 3 is niet verschenen.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord van gedaagden sub 1 en 2 - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
Op 3 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij namens eiseres is verschenen de heer [bestuurder] (bestuurder). Deze heeft een pleitnota overgelegd. Gedaagden zijn niet verschenen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.Het geschil
2.1.
Eiseres vordert - samengevat - gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
€ 7.587,07, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 6.140,75 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening.
2.2.
Eiseres legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is op 15 maart 2024 een overeenkomst tot stand gekomen, op basis waarvan eiseres een opname zal maken van de bedrijfsactiviteiten van gedaagden en deze zal (laten) uitzenden in het programma “ Doe Maar Duurzaam ” op SBS6. Gedaagden zijn hiervoor een bedrag van
€ 5.075,00 exclusief btw aan eiseres verschuldigd. Eiseres heeft aan gedaagden op 22 maart 2024 een factuur gestuurd ten bedrage van € 6.140,75 inclusief btw. Ondanks herhaalde aanmaning hebben gedaagden de factuur niet betaald en zijn ze in verzuim geraakt.
2.3.
Gedaagden sub 1 en 2 hebben in hun conclusie van antwoord een aantal verweren gevoerd. Zij stellen onder meer dat het contract is opgesteld op een onjuiste naam, dat voor bedragen boven € 5.000,00 beide vennoten moeten tekenen hetgeen niet is gebeurd, dat er nooit een getekende opdrachtbevestiging is ontvangen, er onduidelijkheid is over de hoedanigheid en identiteit van de wederpartij, dat het voorgestelde aanbod na ontvangst per direct en ondubbelzinnig is afgewezen, en dat er via whatsapp dreigementen zijn geuit.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3.De beoordeling
Vooraf
3.1.
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat ten aanzien van de niet verschenen gedaagde sub 3 de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 140 WetboekPro van Burgerlijke Rechtsvordering is tegen deze partij verstek verleend en wordt, nu gedaagden sub 1 en 2 wél in de procedure zijn verschenen, tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
3.2.
Gedaagde sub 1 en 2 zij bij brief van de griffier van 13 november 2025 opgeroepen om op de mondelinge behandeling van dinsdag 3 maart 2026 om 13.00 uur te verschijnen. De brief is gericht aan het vestigingsadres van gedaagde sub 1 en aan het woonadres van gedaagde sub 2. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de brieven beide gedaagden hebben bereikt. De omstandigheid dat gedaagden sub 1 en 2 op 3 maart 2026 niet naar de rechtbank zijn gekomen, komt daarom voor hun risico.
Inhoudelijk
3.3.
Eiseres heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de offerte die ten grondslag ligt aan de overeenkomst is verstuurd naar het e-mailadres van gedaagden ( [e-mailadres] ), met daarbij een link om tot digitale ondertekening over te gaan. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst op 15 maart 2024 digitaal is ondertekend door [gedaagde 2] , gedaagde sub 2 (zie productie 2 bij dagvaarding).
3.4.
Het verweer van gedaagde sub 2 dat er geen rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen omdat voor transacties met een hoger belang dan € 5.000,00 beide vennoten moeten tekenen, wordt verworpen. Het klopt dat de vennoten dit in hun vennootschapsovereenkomst hebben afgesproken, maar dit is een interne afspraak die alleen geldt voor de vennoten onderling, en geen derdenwerking heeft.
In het Handelsregister van de Kamer van Koophandel staat vermeld dat de vennoten onbeperkt bevoegd zijn. Dit is openbare informatie die voor derden toegankelijk is. Eiseres mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat gedaagde sub 2 bevoegd was om zelfstandig een overeenkomst met haar aan te gaan.
3.5.
Op grond van artikel 18 WetboekPro van Koophandel zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen die tijdens het bestaan van de vof zijn aangegaan. Nu gedaagde sub 3 tijdens het aangaan van de overeenkomst vennoot was van gedaagde sub 1, kan ook hij door eiseres worden aangesproken.
3.6.
Voor zover gedaagden hebben willen aanvoeren dat zij de overeenkomst tijdig hebben geannuleerd, slaagt ook dit verweer niet. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft eiseres erop gewezen dat gedaagden pas na twee maanden schriftelijk hebben geannuleerd. Op basis van de algemene voorwaarden is daarom 100% van de overeengekomen prijs verschuldigd.
3.7.
De kantonrechter komt tot de slotsom dat de door eiseres gevorderde hoofdsom van
€ 6.140,75 toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van verzuim.
3.8.
Eiseres vordert eveneens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BWPro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eiseres heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Eiseres heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 682,04 worden toegewezen.
3.9.
Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde informatiekosten worden overeenkomstig de aanbevelingen van het LOVCK toegewezen. De proceskosten van eiseres worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
150,76
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.557,76
4.De beslissing
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan eiseres te betalen een bedrag van € 7.587,07, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.140,75, met ingang van 6 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 1.557,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.