Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
- geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dit gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 2.189,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 21 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de veroordeelde is bevrijd van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[slachtoffer 2]
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 759,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de veroordeelde is bevrijd van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
[slachtoffer 3]
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2025 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen;
- bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat de veroordeelde is bevrijd van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslag
verklaart verbeurdhet volgende in beslag genomen voorwerp:
onttrekt aan het verkeerde volgende in beslag genomen voorwerpen: