ECLI:NL:RBLIM:2026:2545

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
11969991 \ CV 25-4978
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Duin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BWArt. 6:160 BWArt. 3:35 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom na beëindiging huurovereenkomst en koop woning

Eisers sloten op 6 januari 2022 een huurovereenkomst en betaalden een waarborgsom van €900. Na ondertekening van een koopovereenkomst op 20 augustus 2025 en levering van het onroerend goed op 9 oktober 2025 eindigde de huurovereenkomst. Eisers verzochten herhaaldelijk om terugbetaling van de waarborgsom, die gedaagden niet voldeden.

Eisers vorderden terugbetaling van de waarborgsom plus kosten van een aangetekende brief en wettelijke rente. Gedaagden stelden dat de borgsom werd gelaten vanwege een lage verkoopprijs en voerden reparaties aan. De kantonrechter oordeelde dat verrekening alleen mogelijk is bij schade of betalingsachterstand, wat niet was aangetoond.

Ook stelde de kantonrechter vast dat geen afstand van het recht op terugbetaling was gedaan door eisers, noch dat de waarborgsom onderdeel was van de koopprijs. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens ontbreken van een correcte aanmaning. Gedaagden werden veroordeeld tot betaling van de waarborgsom, rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom van €900 met wettelijke rente en proceskosten, terwijl verrekening en incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11969991 \ CV EXPL 25-4978
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [plaats] ,
2.
[eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- mondeling repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] hebben op 6 januari 2022 een huurovereenkomst getekend voor de huur van een zelfstandige woonruimte, gelegen aan [adres] . [eisers] hebben een waarborgsom van € 900,00 betaald.
2.2.
Op 20 augustus 2025 hebben [eisers] een koopovereenkomst getekend voor de koop van het onroerend goed gelegen aan [adres] , met verkopers [gedaagden] . Het onroerend goed is op 9 oktober 2025 geleverd waarmee de huurovereenkomst eindigde. [eisers] hebben na beëindiging van de huurovereenkomst meerdere malen verzocht om terugbetaling van de waarborgsom, onder andere per aangetekende brief op 22 oktober 2025. [gedaagden] hebben de waarborgsom niet terugbetaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – terugbetaling van de waarborgsom (€ 900) en de kosten voor de aangetekende brief (€ 11,80) tezamen: € 911,80, vermeerderd met de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Hieraan leggen zij ten grondslag dat de huurovereenkomst is geëindigd en er geen sprake is van betalingsachterstanden of schade waardoor zij recht hebben op terugbetaling van de waarborgsom.
3.2.
[gedaagden] stellen zich – samengevat- op het standpunt dat zij op 6 oktober 2025 aan [eisers] hebben meegedeeld dat zij de borg zouden laten voor wat hij was in verband met de lage verkoopprijs van het huis. Daarbij geven [gedaagden] aan dat het kan zijn dat [eisers] dit niet hebben gehoord, omdat zij afgeleid waren. [gedaagden] voeren tevens aan dat zij verschillende reparaties en verbeteringen aan het huis hebben uitgevoerd.

4.De beoordeling

Grondslag vordering: verrekenen van een waarborgsom alleen mogelijk bij schade of betalingsachterstand.
4.1.
[eisers] vorderen terugbetaling van de waarborgsom. Volgens artikel 7:261b Burgerlijk Wetboek dient de verhuurder een betaalde waarborgsom binnen veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst terug te betalen, tenzij sprake is van schade aan het gehuurde of een betalingsachterstand.
[gedaagden] stellen dat terugbetaling van de waarborgsom achterwege kan blijven in verband met de lage koopprijs van het huis en dat er verschillende reparaties en verbeteringen aan het huis zijn uitgevoerd. Het verweer van [gedaagden] gaat niet op. Uit het verweer van [gedaagden] blijkt immers niet dat sprake is van schade of betalingsachterstand, terwijl alleen schade of betalingsachterstand verrekend kan worden met de waarborgsom. Omdat niet verrekend kan worden, bepaalt artikel 7:261b BW dat de waarborgsom in beginsel moet worden terugbetaald.
Kwalificatie verweer gedaagde: verrekenen waarborgsom, afstand van recht en waarborgsom verrekend met koopprijs
4.2.
De gedaagden, [gedaagden] , stellen dat het huis voor een zeer lage prijs is verkocht, waardoor de waarborgsom werd gelaten voor wat hij was. Ook zijn er verschillende reparaties en verbeteringen aan het huis uitgevoerd. De kantonrechter vat de standpunten van [gedaagden] enerzijds zo op dat zij een beroep doen op verrekening van de waarborgsom met de koopsom of de kosten van reparaties en verbeteringen, zoals meegenomen in rechtsoverweging 4.1. Anderzijds vat de kantonrechter de standpunten zo op dat [gedaagden] stellen dat [eisers] op 6 oktober 2025 afstand van hun recht op terugbetaling hebben gedaan of dat toen een prijsafspraak is gemaakt waarbij de waarborgsom in mindering werd gebracht op de koopprijs van de woning. Onderstaand wordt op de beoordeling van de laatste twee stellingen ingegaan.
Kopers hebben geen afstand gedaan van hun recht op de waarborgsom
4.3.
Artikel 6:160 Burgerlijk Pro Wetboek regelt de afstand van een recht. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat een verbintenis tenietgaat gaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Dit vereist een verklaring van de schuldeiser. Een uitdrukkelijke verklaring is niet vereist, ook door opgewekt vertrouwen (artikel 3:35 Burgerlijk Pro Wetboek) door de schuldeiser kan een vordering teniet gaan. Indien [gedaagden] van mening zijn dat [eisers] afstand hebben gedaan van hun recht op de terugbetaling van de waarborgsom, ligt het op de weg van [gedaagden] om deze stelling nader te onderbouwen. [gedaagden] geven echter zelf aan dat [eisers] mogelijk niet hebben gehoord dat de borg werd gelaten voor wat hij was. [gedaagden] hebben aldus niet bewezen dat sprake is van een verklaring van [eisers] waarin zij afstand doen van hun recht op terugbetaling van de waarborgsom. De afstand van recht zou dan zijn gelegen in een stilzwijgen van [eisers] na een mededeling van [gedaagden] . Op grond van dat stilzwijgen konden [gedaagden] echter niet gerechtvaardigd erop vertrouwen dat [eisers] afstand van hun recht op terugbetaling wilden doen. [gedaagden] hebben immers zelf ook al aangegeven dat zij niet uitsluiten dat [eisers] misschien niet aan het opletten waren en dus niet hebben meegekregen wat [gedaagden] zeiden, omdat zij door de hond waren afgeleid. Dit verweer slaagt dan ook niet.
Waarborgsom geen onderwerp van gesprek bij bepalen koopprijs
4.4.
De koopovereenkomst is getekend op 20 augustus 2025. In de koopovereenkomst is de koopprijs opgenomen. Op 6 oktober 2025 heeft het gesprek over de waarborgsom plaatsgevonden, aldus [gedaagden] . Dit gesprek heeft dus plaatsgevonden na het bepalen van de koopprijs. Uit de standpunten van partijen en de door hen overgelegde stukken kan ook niet worden opgemaakt dat vóór 6 oktober 2025 al eens over de waarborgsom is gesproken. De stelling dat de waarborgsom onderdeel is van de lage koopprijs gaat dan ook niet op. Op het moment van vaststellen van de koopprijs, was de waarborgsom immers nog geen onderwerp van gesprek en kan dus niet zijn verdisconteerd in de overeengekomen koopprijs. Dit verweer slaagt dan ook niet.
Vordering en wettelijke rente hoofdsom
4.5.
[gedaagden] dienen de waarborgsom, € 900, aan [eisers] terug te betalen. [eisers] hebben wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 6 november 2025. Deze wettelijke rente is door [gedaagden] niet betwist en wordt daarom toegewezen. Er is geen verzuimdatum gesteld, daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag waarop de dagvaarding is betekend, 10 november 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.6.
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vergoeding voor de kosten van de aangetekende brief (€ 11,80) moet ook worden aangemerkt als buitengerechtelijke incassokosten, omdat de brief tot doel had om de vordering buiten de rechter om te incasseren. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eisers] hebben de aanmaning (14-dagenbrief) als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro niet overlegd. Daardoor is niet voldaan aan de wettelijke verplichting om de stukken waarop een beroep is gedaan over te leggen. De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de kantonrechter niet kan controleren of een correcte aanmaning is gestuurd. Dit houdt dus in dat ook de vergoeding voor de kosten van de aangetekende brief (€ 11,80) wordt afgewezen.
Proceskosten
4.7.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,81
- griffierecht
226,00
Totaal
373,81
4.8.
Onderdeel van de proceskosten zijn de nakosten. Aangezien [eisers] geen gemachtigde hebben ingeschakeld, betreffen de nakosten alleen de eventuele kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 900,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 373,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.