Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De verdere procedure
- het tussenvonnis van de rechtbank van 16 juli 2025,
- de rapportage van de door de rechtbank benoemde deskundige van 1 december 2025 van Eurofins Forensic Services/TMFI ( [deskundige] ), hierna te noemen ‘de deskundige’,
- de conclusies na deskundigenbericht van beide partijen.
2.De verdere beoordeling
met de referentiehandtekeningen van (…) [gedaagde partij] , in hoeverre ondersteunt het bewijs de hypothese dat het origineel van deze handtekening vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geschreven (d.w.z. dat het een echte handtekening is)?
“in zeer sterke mate” [2] de hypothese ondersteunen dat de originele betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022
“geen echte handtekening is die vrijwillig en op natuurlijke wijze door (…) [gedaagde partij] is geplaatst.”
“in zeer sterke mate”de hypothese dat het origineel van de betwiste handtekening op het document van 25 maart 2022 een
“nabootsing is van de echte natuurlijke handtekeningstijl van (…) [gedaagde partij] ,”zulks met name op basis van de referentiehandtekening op de
‘Deed of Settlement’van 27 januari 2022 (productie 2 bij dagvaarding), waarbij, aldus de deskundige, het nabootsingsmechanisme hoogstwaarschijnlijk een vorm van overtrekken is.
3.De beslissing
3.2. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 6.880,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4. verklaart de veroordelingen onder 3.2 en 3.3 van dit uitvoerbaar bij voorraad.